Richtlijn 'Bloedtransfusie' (3e algehele herziening)
Open

Richtlijnen
25-11-2005
A.M.J. Buiting en W.G. van Aken

- De herziene en uitgebreide richtlijn ‘Bloedtransfusie ‘ beschrijft voor het eerst de gehele keten van bloedtransfusie binnen het ziekenhuis.

- Hoewel voorafgaand aan transfusie compatibiliteitsonderzoek wordt gedaan door middel van bepaling van ABO- en resusbloedgroep en van detectie van aanwezige klinisch belangrijke antistoffen (C, c, D, E, e, Fya, Fyb, Jka, Jkb, M, S en s) kunnen transfusiereacties plaatsvinden.

- Voor tijdige herkenning dient de patiënt 5-10 min na het aansluiten van iedere transfusie-eenheid intensief te worden geobserveerd en dienen de vitale functies te worden vastgelegd.

- Voorgesteld wordt om bij een Hb-waarde van 4-6 mmol/l de overweging om te transfunderen afhankelijk van patiëntkenmerken te maken.

- Trombocytentransfusies zijn niet geïndiceerd bij trombocytopenie veroorzaakt door verhoogde afbraak of door ‘pooling’.

- Indien leukemie, tumorinfiltratie of geneesmiddelentoxiciteit de veroorzaker van trombocytopenie is, wordt het aantal bloedplaatjes van 10 × 109/l of 20 × 109/l als ‘transfusietrigger’ gebruikt.

- Vermindering van bloedtransfusies wordt bereikt door toediening van epoëtine bij nierinsufficiëntie: bij > 70 van de betreffende patiënten worden daarmee transfusies voorkomen.

- Ook autotransfusie bij operaties met groot bloedverlies zorgt voor een daling van allogene bloedtransfusies.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2613-8