Resistentie bij Mycobacterium tuberculosis in Nederland
Open

Onderzoek
03-11-1996
C.S.B. Lambregts-van Weezenbeek, B. van Klingeren en J. Veen

Doel.

Bepalen van omvang, trend en achtergronden van resistente tuberculose in Nederland.

Opzet.

Descriptief onderzoek.

Plaats.

Koninklijke Nederlandse Centrale Vereniging tot bestrijding der Tuberculose, Den Haag.

Methode.

De gegevens van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu betreffende het voorkomen van resistente stammen van Mycobacterium tuberculosis in de periode 1990-1994 werden geanalyseerd. Daarnaast werden vanuit de Landelijke Tuberculose Registratie-cohort 1993 eigenschappen van patiënten met een resistente M. tuberculosis vergeleken met die van patiënten bij wie een gevoelige M. tuberculosis werd geïsoleerd.

Resultaten.

De percentages isoniazide- en streptomycine-resistentie varieerden rond 6 en vertoonden geen daling of stijging. Het vóórkomen van rifampicine-resistentie steeg van 0 in 1990 naar 1,5 in 1994. Bij evaluatie van 809 patiënten had den 103 (13) een resistente stam. De resistente groep omvatte 84 (82) buitenlanders tegen 387 (55) in de gevoelige groep (p < 0,001). Het percentage (bekende) HIV-infecties was in beide groepen gelijk (5-6). Isoniazide-resistentie varieerde van 1,8 bij Nederlanders tot 7,8 bij buitenlanders. Recente immigranten en asielzoekers vormden risicogroepen voor resistentie (p < 0,005). Niet-Nederlandse patiënten onttrokken zich vaker aan behandeling (p < 0,001).

Conclusie.

Import van resistentie speelt in Nederland een belangrijke rol. Transmissie en ontwikkeling van additionele resistentie in Nederland moeten worden voorkomen.