Psychiatry, psychoanalysis, and the new biology of mind

Media
E.R. Kandel
R.S. Kahn
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2342-3
Download PDF

E.R.Kandel, Psychiatry, psychoanalysis, and the new biology of mind. 414 bl., fig. American Psychiatric Publishing, Washington 2005. ISBN 1-58562-199-4. Prijs: geb. € 75,15.

Dit boek is een verzameling eerder gepubliceerde artikelen en toespraken van Eric Kandel, psychiater en hoogleraar aan de Columbia University in New York. Hij is niet zomaar een psychiater: Kandel heeft in 2000 de Nobelprijs voor de geneeskunde gekregen. Dat feit alleen al maakt het de moeite waard om dit boek door te nemen. De vorige keer dat een psychiater de Nobelprijs voor de geneeskunde kreeg, is tenslotte bijna 80 jaar geleden. In 1927 kreeg de Weense psychiater Julius Wagner-Jauregg de Nobelprijs voor zijn ontdekking dat het opwekken van koorts (door het induceren van malaria) de verschijnselen van syfilis (dementia paralytica) kon verbeteren.

De bijzondere omstandigheid, te weten het verkrijgen van de Nobelprijs door een psychiater, is misschien ook wel de reden dat dit boek is uitgegeven, want het bevat letterlijk geen nieuws – alles is immers al eerder gepubliceerd. Toch is het overwegend de moeite waard.

Opmerkelijk, en psychiaters tot bescheidenheid nopend, is dat Kandel nauwelijks als psychiater heeft gewerkt, met uitzondering van zijn opleidingstijd op Harvard. Toch maakt hij in zijn inleiding, die wel nieuw is, duidelijk dat zijn opleiding tot psychiater van groot belang is geweest voor zijn onderzoek. Het heeft de context geschapen waarin hij zijn werk, gericht op de neuronale achtergronden van het geheugen, heeft verricht. Hierbij is hij in een vroeg stadium sterk reductionistisch te werk gegaan door het geheugen te onderzoeken bij een eenvoudig schepsel, de slak Aplysia. Dit wezen, dat bijzonder lange en dikke neuronen heeft, zodanig dat ze met het blote oog kunnen worden gezien, is een prachtig model gebleken om de neuronale grondslagen van het geheugen te bestuderen.

Het zijn vooral de eerste hoofdstukken en de laatste verhandeling die voor de algemene lezer interessant en leerzaam zijn. De rode draad die door het eerste deel loopt, is dat we de geest pas zullen begrijpen als we de hersenen zullen onderzoeken. Kandel kan niet begrijpen dat een weldenkend mens er vanuit gaat dat mentale processen onafhankelijk van het brein zouden kunnen opereren. De hersenen zijn volgens hem het orgaan dat onze interactie met de omgeving bepaalt, maar daarin ook vormbaar is door die omgeving – opmerkingen die voor iedere neurowetenschapper uit de 21e eeuw gesneden koek zijn. Maar Kandel poneerde deze stellingen al meer dan 20 jaar geleden en toen was dit standpunt uitdagend en dapper. Zijn andere boodschap, die ook uit de tijd stamt dat de antipsychiatrie in Nederland nog welig tierde, is dat zich een revolutie aan het voltrekken is binnen de psychiatrie. Deze revolutie wordt gedragen door (toentertijd) nieuwe technieken zoals ‘neuro-imaging’ en moleculaire genetica en zal ertoe leiden dat het brein én de geest in de komende decennia ontrafeld zullen worden.

Een ander waardevol aspect van dit boek is dat het een mooi overzicht geeft van de misvattingen, bekrompenheid en tunnelvisie die de psychiatrie in de jaren zestig en zeventig, en in Nederland zelfs nog in de jaren tachtig van de vorige eeuw karakteriseerden. Zo haalt Kandel een van zijn leermeesters aan die suggereerde dat onderzoek in de psychiatrie niet met patiëntenzorg te combineren was omdat: ‘There are those who care about people and there are those who care about research.’ Deze schijntegenstelling is inderdaad maar al te vaak gebruikt om wetenschappelijk onderzoek in de psychiatrie in een kwaad, zelfs onmenselijk, daglicht te stellen. Dat het belemmeren van dergelijk onderzoek meer leed heeft veroorzaakt dan het dacht te voorkomen, kan menig moeder van een schizofreniepatiënt bevestigen.

Tegelijkertijd hamert Kandel op een belangrijk misverstand dat volgens hem vooral bij sociologen en psychologen leeft: de gedachte dat het doen van genetisch onderzoek gedragsdeterminisme veronderstelt. Niets is minder waar, zoals hij aangeeft. De rol van genen bij het ontstaan van (hersen)aandoeningen kan niet los gezien worden van omgevingsinvloed. Juist de wisselwerking tussen omgeving en genen bepaalt de ontwikkeling en functie van onze hersenen en daarmee ons (afwijkende) gedrag.

Een substantieel deel van de rest van het boek wordt in beslag genomen door enkele nogal detaillistische en gespecialiseerde verhandelingen over neurobiologisch onderzoek, die niet iedere lezer zullen interesseren, zoals de plasticiteit van synapsen, aspecten van het leergedrag van de slak Aplysia en neuronaal overleven en snoeien. Hoewel boeiend, is het toch van een heel andere orde dan de meer beschouwelijke artikelen in dit boek. Het wordt pas weer leuk in het laatste hoofdstuk, dat een op schrift staande versie is van zijn toespraak in 2001 voor zojuist afgestudeerde medisch studenten (‘graduation ceremony’) van de Columbia University. Deze is met veel humor en zelfspot geschreven, maar de diepere boodschap is waar het om gaat: zonder de neurowetenschappen te omarmen heeft de psychiatrie geen toekomst. Juist omdát de psychiatrie niet zonder hersenonderzoek kan bestaan, is het volgens Kandel het meest boeiende onderdeel van de geneeskunde: ‘For there is every reason to believe that the biology of the mind will be the central pursuit of modern scholarship in the twenty-first century ...’. Het is een voorspelling die medisch studenten zich maar beter ter harte kunnen nemen. Om over psychiaters in opleiding en hun leermeesters nog maar niet te spreken.

Gerelateerde artikelen

Reacties