Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. III. Psychiatrische stoornissen vaker bij homo- dan bij heteroseksuele personen
Open

Onderzoek
09-09-2002
Th.G.M. Sandfort, R. de Graaf, R.V. Bijl en P. Schnabel

Doel.

Vaststellen van de prevalentie van psychiatrische stoornissen onder homoseksuele en heteroseksuele personen.

Opzet.

Secundaire data-analyse.

Methode.

Gegevens van een representatieve steekproef van 7076 Nederlandse volwassenen van 18-64 jaar waren in 1996 verzameld ten behoeve van de ‘Netherlands mental health survey and incidence study’ (NEMESIS). Classificatie als homo- of heteroseksueel gebeurde op basis van het gerapporteerde seksuele gedrag in het voorafgaande jaar. Van de 5998 (84,8) classificeerbare (dit is seksueel actieve) respondenten had 2,8 van 2878 mannen en 1,4 van 3120 vrouwen partners van hetzelfde geslacht gehad. Verschillen in prevalentie van psychiatrische stoornissen, ooit in het leven (‘lifetime’) en in de voorafgaande 12 maanden, werden vastgesteld met logistische-regressieanalyse, gecontroleerd voor demografische factoren.

Resultaten.

Homoseksuele mannen hadden een hogere 12-maandsprevalentie van stemmings- en van angststoornissen (respectievelijk 17,1 en 19,5) dan heteroseksuele mannen (5,2 en 7,6). Homoseksuele vrouwen hadden een hogere 12-maandsprevalentie van stoornissen in middelengebruik (14,0) dan heteroseksuele vrouwen (2,9). Lifetimeprevalenties verschilden in dezelfde aandoeningen, behalve dat stemmingsstoornissen vaker voorkwamen bij homoseksuele (48,8) dan heteroseksuele vrouwen (24,3). De proportie personen met ≥ 1 DSM-III-R-diagnosen was hoger onder homoseksuele (67,4) dan onder heteroseksuele vrouwen (39,1). Meer homoseksuele dan heteroseksuele personen hadden ≥ 2 diagnosen gedurende het voorafgaande leven (mannen: 37,8 versus 14,4; vrouwen: 39,5 versus 21,3).

Conclusie.

Psychiatrische stoornissen kwamen vaker voor bij homo- dan bij heteroseksuele personen.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 1675.

De ‘Netherlands mental health survey and incidence study’ (NEMESIS), een longitudinale studie, is gericht op het vaststellen van de prevalentie, de incidentie en het beloop van psychiatrische stoornissen in de Nederlandse 18-64-jarige bevolking.1 2 In de eerste meting (1996) was respondenten eveneens gevraagd naar seksueel gedrag in het voorafgaande jaar, op basis waarvan respondenten als heteroseksueel en homoseksueel waren gecategoriseerd.

Over de relatie tussen seksuele voorkeur en psychiatrische stoornissen bestaat onduidelijkheid. In 1973 schrapte de American Psychiatric Association homoseksualiteit van haar lijst van psychiatrische stoornissen. Hoewel homoseksualiteit als zodanig niet langer een stoornis was, werd niet uitgesloten dat homoseksuelen aan verschillende stressoren blootstonden die de geestelijke gezondheid negatief kunnen beïnvloeden. Empirisch onderzoek, dat echter uiteenlopende methodologische bezwaren had, lijkt deze veronderstelling te steunen.3-6

De gegevens verkregen bij het NEMESIS-onderzoek bieden de mogelijkheid om naar seksuele oriëntatie en psychiatrische stoornissen te kijken, waarbij een aantal van deze bezwaren kan worden vermeden, zodat het verband tussen seksuele oriëntatie en geestelijke gezondheid exacter kan worden vastgesteld. In het onderzoek was gebruikgemaakt van een omvangrijke steekproef die representatief was voor de Nederlandse bevolking. Gegevens waren verzameld in persoonlijke interviews met behulp van een gevalideerd en gestandaardiseerd instrument. Personen waren op basis van recent gedrag als homo- of heteroseksueel gecategoriseerd en niet op grond van het feit of zij ooit in hun leven homoseksueel contact hadden gehad. Er was gekeken naar de prevalentie van psychiatrische stoornissen ooit in het leven (‘lifetime’) en naar die in de voorafgaande 12 maanden.

Op basis van een secundaire analyse van gegevens uit NEMESIS worden in dit artikel verschillen beschreven in de prevalentie van psychiatrische stoornissen tussen hetero- en homoseksuele personen.

methode

Voor NEMESIS waren gegevens verzameld in een representatieve steekproef van 18-64-jarigen.1 2 In 1996 waren 7076 personen mondeling geïnterviewd, waarbij gegevens in een computer waren ingevoerd. De wijze waarop diagnosen waren vastgesteld, is elders in dit tijdschrift gerapporteerd.7

De respondenten was gevraagd of men in het voorafgaande jaar seksueel contact had gehad en wat het geslacht van de seksuele partners was. Personen die (ook) contact hadden gehad met iemand van hetzelfde geslacht waren als homoseksueel gecategoriseerd. Overige seksueel actieve personen waren gecategoriseerd als heteroseksueel. Seksuele oriëntatie op zich was niet gemeten.

Van de 7076 respondenten waren 5998 (84,8) seksueel actief geweest, waarop zij als hetero- of homoseksueel werden geclassificeerd. Van de 2878 mannen hadden 82 (2,8) seksueel contact gehad met mannelijke partners (6 van hen ook met vrouwen) en van de 3120 vrouwen hadden 43 (1,4) seksueel contact gehad met vrouwelijke partners (6 van hen ook met mannen). Er hadden dus meer mannen dan vrouwen homoseksuele contacten gehad (?2 = 15,9; df = 1).

In de secundaire data-analyse werden verschillen in prevalenties van psychiatrische stoornissen afzonderlijk voor mannen en vrouwen bepaald met behulp van oddsratio's. Hierbij werd gecorrigeerd voor leeftijd, opleidingsniveau, woongebied (urbanisatiegraad) en partnerstatus. Dit werd gedaan, omdat in de totale steekproef gebleken was dat de prevalentie van stoornissen met deze factoren samenhing. De prevalentie was lager onder degenen die woonden in een landelijke versus een stedelijke omgeving en onder degenen met een vaste partner versus geen vaste partner. De samenhang met leeftijd en opleiding verschilde per stoornis. Omdat het hebben van een relatie ook een gevolg kon zijn van seksuele oriëntatie, werden oddsratio's ook berekend zonder voor deze factor te corrigeren.

resultaten

Kenmerken van de steekproef.

Homo- en heteroseksuele respondenten verschilden qua opleidingsniveau en relatiestatus (tabel 1). Het opleidingsniveau van homoseksuelen was hoger dan dat van heteroseksuelen. Verder hadden homoseksuele mannen en vrouwen minder vaak een vaste relatie dan heteroseksuele mannen en vrouwen. Homoseksuele mannen bleken vaker dan heteroseksuele in stedelijke gebieden te wonen.

Mannen.

In vergelijking met heteroseksuele mannen werd bij homoseksuele mannen zowel een hogere 12-maands- als lifetimeprevalentie van stemmings- en angststoornissen geconstateerd (tabel 2). Homoseksuele mannen rapporteerden in vergelijking met heteroseksuele mannen vaker een bipolaire stoornis (12-maands en lifetime) en depressie (lifetime). Ten aanzien van dysthymie werden geen verschillen geconstateerd. De lifetimeprevalenties van de specifieke angststoornissen waren met uitzondering van die van de gegeneraliseerde angststoornis bij homoseksuele mannen aanzienlijk hoger. De grootste verschillen werden geconstateerd in de prevalenties van obsessieve-compulsieve stoornis en agorafobie. Gemeten over de periode van 12 maanden werden bij homoseksuele mannen meer gevallen van agorafobie, enkelvoudige fobie en obsessieve-compulsieve stoornis geconstateerd dan bij heteroseksuele mannen. Met betrekking tot stoornissen samenhangend met middelengebruik werd er uitsluitend een verschil in de lifetimeprevalentie van alcoholmisbruik geconstateerd. Dit is de enige stoornis die vaker bij heteroseksuele dan bij homoseksuele mannen werd vastgesteld.

Het aantal homo- en heteroseksuele mannen dat in hun hele leven één of meer stoornissen had gehad, verschilde niet. Zowel wat het voorgaande jaar als het hele leven betreft waren er wel meer homoseksuele dan heteroseksuele mannen met twee of meer stoornissen.

Het niet corrigeren voor relatiestatus resulteerde in een stijging van de diverse oddsratio's (OR's; gegevens niet gepresenteerd). Bovendien werd een aantal verschillen in de 12-maands- en lifetimeprevalentie statistisch gezien van groter belang. Wanneer niet gecorrigeerd werd voor het hebben van een relatie, was de proportie personen met één of meer stoornissen groter bij homoseksuele dan bij heteroseksuele mannen, zowel gedurende het gehele leven (OR: 1,72; 95-BI: 1,10-2,70) als 12-maands (OR: 1,99; 95-BI: 1,23-3,20).

Vrouwen.

Homoseksuele vrouwen verschilden niet van heteroseksuele vrouwen in de 12-maandsprevalentie van stemmings- en angststoornissen (zie tabel 2). Wel was er bij homoseksuele vrouwen een aanzienlijk hogere lifetimeprevalentie van stemmingsstoornissen in het algemeen en depressie in het bijzonder. Qua lifetimeprevalentie van angststoornissen was er geen verschil. Homoseksuele vrouwen maakten zowel wat de 12-maands- als de lifetimeprevalentie betreft aanzienlijk vaker melding van stoornissen in middelengebruik dan heteroseksuele vrouwen. De 12-maandsprevalenties van de separate stoornissen op dit gebied verschilden niet statistisch significant. De lifetimeprevalentie voor zowel drugs- als alcoholafhankelijkheid was hoger voor homoseksuele vrouwen. Hoewel meer homoseksuele dan heteroseksuele vrouwen melding maakten van één of meer DSM-III-R-diagnosen, zowel lifetime als in het voorgaande jaar, was uitsluitend het lifetimeverschil statistisch significant. Bij homoseksuele was vaker dan bij heteroseksuele vrouwen sprake van twee of meer stoornissen gedurende hun gehele leven. Met betrekking tot het voorafgaande jaar bestond geen verschil.

Wanneer niet voor relatiestatus werd gecorrigeerd, stegen de oddsratio's en waren de verschillen qua 12-maandsprevalentie van alcoholafhankelijkheid en lifetimeprevalentie van sociale fobie eveneens statistisch significant. Zowel de 12-maands- als lifetimeprevalentie van één of meer stoornissen was bij homoseksuele vrouwen hoger dan bij heteroseksuele (respectievelijk OR: 2,09; 95-BI: 1,08-4,05 en OR: 3,16; 95-BI:1,61-6,18).

beschouwing

In deze analyse werden bij homoseksuelen verschillende hogere 12-maands- en lifetimeprevalenties van diverse psychiatrische stoornissen geconstateerd dan bij heteroseksuelen. Deze verschillen waren geslachtsspecifiek. Bij homoseksuele vrouwen ging het primair om een hogere prevalentie van stoornissen op het gebied van misbruik van middelen en bij homoseksuele mannen om een hogere prevalentie van stemmings- en angststoornissen.

De gevonden verschillen kunnen om verschillende redenen afwijken van de werkelijke verschillen. Homoseksueel gedrag kan ondergerapporteerd zijn. Ook kunnen respondenten in samenhang met de seksuele voorkeur afwijkend antwoordgedrag hebben vertoond. Hoewel voor demografische variabelen werd gecontroleerd, kunnen de geconstateerde verschillen ook tot andere niet gemeten factoren te herleiden zijn. Tenslotte resulteerde het beperkte aantal homoseksuele respondenten in oddsratio's met brede betrouwbaarheidsintervallen.

De toegepaste correctie voor demografische verschillen is vatbaar voor discussie. Sommige van deze verschillen, ook elders aangetoond en mogelijk van structurele aard,7 8 kunnen ook als een gevolg van homoseksualiteit worden beschouwd. Het relatief grotere aantal homoseksuele mannen in grootstedelijke gebieden komt dan door verhuizing naar een omgeving met minder sociale controle, waar zich meer geestverwanten bevinden. Het minder vaak hebben van een vaste relatie zou komen door beperkte kansen om een partner voor een duurzame intieme relatie te vinden, de relatief beperkte sociale ondersteuning voor het ontwikkelen en instandhouden van relaties, en de grotere waarde die aan persoonlijke en seksuele autonomie wordt gehecht.9 Het is verdedigbaar om te stellen dat niet corrigeren voor de respectievelijke demografische variabelen een nauwkeuriger schatting oplevert van de feitelijke verschillen tussen homo- en heteroseksuelen.

Het onderzoek kan geen uitsluitsel geven over de oorzaken van de geconstateerde verschillen. Deze verschillen kunnen het gevolg zijn van zowel biologische als sociale factoren en van een interactie tussen deze factoren. Het is mogelijk dat als gevolg van biologische en genetische factoren in het ontstaan van homoseksualiteit,10 11 homoseksuelen vatbaarder zijn voor psychiatrische stoornissen. Dit zou verklaren waarom bipolaire stoornissen, die als grotendeels aangeboren worden beschouwd, vaker bij homoseksuele mannen werden aangetroffen.12 De invloed van sociale factoren op de geestelijke gezondheid van homoseksuele personen is uitgebreid gedocumenteerd in diverse onderzoeken, waarbij een verband werd geconstateerd tussen ervaringen op het gebied van stigmatisering, vooroordelen en discriminatie enerzijds en geestelijke gezondheid anderzijds.13 Dat een vaste relatie een verzachtende rol speelt, suggereert dat sommige stoornissen samenhangen met eenzaamheid. Doordat relevante informatie ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of stoornissen die zich tijdens het hele leven bij homoseksuele personen hebben voorgedaan optraden vóór of na de bewustwording van de homoseksuele voorkeur. Het differentiële patroon van verschillen tussen mannen en vrouwen kan eveneens op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Mogelijk worden homoseksuele vrouwen minder aan sociale stressoren blootgesteld dan homoseksuele mannen.14

Voorzover sociale acceptatie een positief effect heeft op de geestelijke gezondheid, ligt het voor de hand dat verschillen in gezondheid in andere westerse landen groter zijn. In Nederland is de houding ten opzichte van homoseksualiteit namelijk aanzienlijk toleranter dan in andere westerse landen.15

Concluderend was in dit onderzoek homoseksualiteit gerelateerd aan een hogere prevalentie van psychiatrische stoornissen. Daarmee worden bevindingen uit eerder, methodologisch zwakker onderzoek ondersteund. De onderliggende processen dienen nader te worden onderzocht. In plaats van één specifieke factor te testen zou daarbij de potentiële interactie tussen diverse factoren ontrafeld dienen te worden. Een onderzoek met een longitudinale en crossculturele opzet lijkt daartoe het geschiktst.

Mw.drs.H.Bos, pedagoge, heeft voorbereidend literatuuronderzoek verricht; dr.J.J.Weiss en drs.D.Weishut, klinisch psychologen, leverden commentaar op eerdere versies.

Het NEMESIS-onderzoek wordt uitgevoerd door het Trimbos-instituut. Financiële ondersteuning is afkomstig van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek(NWO)-Medische Wetenschappen en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in Archives of General Psychiatry (2001;58:85-91) met als titel 'Same-sex sexual behavior and psychiatric disorders: findings from the Netherlands mental health survey and incidence study (NEMESIS)'.

Literatuur

  1. Bailey JM. Homosexuality and mental illness. Arch GenPsychiatry 1999;56:883-4.

  2. Muehrer P. Suicide and sexual orientation: a criticalsummary of recent research and directions for future research. Suicide LifeThreat Behav 1995;25(Suppl):72-81.

  3. Remafedi G, French S, Story M, Resnick MD, Blum R. Therelationship between suicide risk and sexual orientation: results of apopulation-based study. Am J Public Health 1998;88:57-60.

  4. Cochran SD, Mays VM. Relation between psychiatricsyndromes and behaviorally defined sexual orientation in a sample of the USpopulation. Am J Epidemiol 2000;151:516-23.

  5. Laumann EO, Gagnon JH, Michael RT, Michaels S. The socialorganization of sexuality. Sexual practices in the United States. Chicago:University of Chicago Press; 1994.

  6. Bijl RV, Ravelli A, Zessen G van. Psychiatrischemorbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II.Prevalentie van psychiatrische stoornissen.Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:2453-60.

  7. Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A, Rijk C de, Langendoen Y.Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: hetNEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden.Ned Tijdschr Geneeskd1997:141:2448-52.

  8. Sandfort ThGM, Vroome EMM de. Homoseksualiteit inNederland: een vergelijking tussen aselecte groepen homoseksuele enheteroseksuele mannen. Tijdschrift voor Seksuologie 1996;20:232-45.

  9. Peplau LA, Cochran SD. A relationship perspective onhomosexuality. In: McWhirter DP, Sanders SA, Reinisch JM, editors.Homosexuality/heterosexuality. Concepts of sexual orientation. New York:Oxford University Press; 1990. p. 321-49.

  10. Bailey JM, Pillard RC, Dawood K, Miller MB, Farrer LA,Trivedi S, et al. A family history study of male sexual orientation usingthree independent samples. Behav Genet 1999;29:79-86.

  11. Williams TJ, Pepitone ME, Christensen SE, Cooke BM,Huberman AD, Breedlove NJ, et al. Finger-length ratios and sexualorientation. Nature 2000;404:455-6.

  12. Gershon ES. Genetics. In: Goodwin FK, Jamison KR,editors. Manic-depressive illness. New York: Oxford University Press; 1990.p. 373-401.

  13. Meyer IH. Minority stress and mental health in gay men. JHealth Soc Behavior 1995;36:38-56.

  14. Kite ME, Whitley BE. Do heterosexual women and men differin their attitudes toward homosexuality? In: Herek GM, editor. Stigma andsexual orientation. Understanding prejudice against lesbians, gay men andbisexuals. Thousand Oaks, Ca.: Sage; 1998. p. 39-61.

  15. Akker P van den, Halman L, Moor R de. Primary relationsin western societies. In: Ester P, Halman L, Moor R de, editors. Theindividualizing society. Value change in Europe and North America. Tilburg:Tilburg University Press; 1994. p. 97-127.