‘Pluis/niet-pluis’: een valide denkmethode

Opinie
Abstract
Jos W. Snoek
Download PDF

artikel

In dit tijdschrift vragen Stolper et al. aandacht voor de betekenis van het ‘pluis/niet-pluis’-gevoel in de dagelijkse praktijk van de huisarts.1 De auteurs hebben de dappere stap genomen om dit moeilijk te grijpen, maar in de dagelijkse praktijk van artsen veel voorkomende fenomeen, aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen.

Heel lang zijn de niet of nauwelijks te expliciteren ‘gut feelings’, die – zoals elke ervaren arts weet – in de dagelijkse praktijk een belangrijke rol vervullen, als te zacht onderzoeksmateriaal opzij geschoven. De aandacht was gericht op normatieve besliskunde, op onderzoek naar algemeen probleemoplossende vaardigheden en naar verschillen in het gebruik van medische kennis door artsen en studenten. Pas in de laatste jaren is er meer belangstelling gekomen voor vormen van denken en beslissen die niet of maar zeer gedeeltelijk bewust meegemaakt worden.2

Hoe denken artsen eigenlijk?

Inmiddels bestaat er een redelijke overeenstemming over een gelaagd kennismodel.3 De onderste laag wordt gevormd door kennis van de medische basisvakken. In de eerste jaren van de studie geneeskunde leren studenten basiskennis: feitenkennis van anatomie, fysiologie, pathologie en vervolgens ook kennis van ziektebeelden. Dit leidt tot het ontstaan van een uitgewerkt kennisbestand dat oorzaken en gevolgen van ziekten bevat in termen van pathofysiologische processen.

Op den duur wordt deze kennis ingekapseld en verpakt tot een beperkt aantal diagnostische entiteiten zoals syndromen en gesimplificeerde modellen. In het contact met daadwerkelijke patiënten worden vervolgens ‘ziektescripts’ (‘illness scripts’: oorzakelijke modellen die op ervaring zijn gebaseerd) ontwikkeld. Het gaat hierbij om de vorming van zeer persoonlijke kenniselementen. Deze bestaan uit combinaties van relevante klinische informatie over een aandoening, de consequenties en vooral de context waarin deze aandoening zich doorgaans voordoet. Deze ziektescripts worden in de dagelijkse praktijk aangescherpt door de vele herinneringen aan daadwerkelijke patiënten: ervaringskennis.

Op den duur volstaat de herinnering aan een individuele of aan een voor dit klinisch probleem representatieve ‘modelpatiënt’. Pas wanneer de patiënt in kwestie niet snel een dergelijk prototype oproept met de daaraan gekoppelde kennis over de te verwachten verschijnselen, de gevolgen van de aandoening en de therapie, moet worden teruggegrepen op pathofysiologische kennis.

Duale denkprocessen In de afgelopen jaren is in de cognitieve psychologie veel gepubliceerd over een model van niet-analytisch versus analytisch redeneren. Er wordt daarbij van uitgegaan dat de mens beschikt over 2 functioneel gescheiden denksystemen. Men spreekt eenvoudigweg van systeem 1 en systeem 2. Systeem 1 is een snel, automatisch en onbewust functionerend systeem en systeem 2 is een langzaam en bewust systeem.4

De diagnostiek in de spreekkamer van de arts bestaat in feite ook uit 2 vormen van denken. Enerzijds een automatische, snelle en niet-analytische vorm van denken die toepasbaar is op de meeste patiëntcontacten, en anderzijds een langzamere en analytische vorm van denken, van klinisch redeneren, die toegepast moet worden op diagnostische problemen die moeilijk of ongewoon zijn. Alleen dan hoeft expliciete pathofysiologische kennis toegepast te worden.

Oftewel, in de meeste gevallen doen ervaren artsen, anders dan studenten geneeskunde en onervaren artsen, helemaal niet aan bewust medisch probleemoplossen, maar aan patroonherkenning.

‘Pluis/niet-pluis’-gevoel

Intuïtie Ervaren artsen maken veel gebruik van op ervaring gebaseerde vuistregels.5 Zij hebben geleerd om op hun gevoel te vertrouwen: als een mogelijke oplossing een gevoelsmatige voorkeur heeft, vertrouwen zij erop dat die oplossing klopt. Het gaat om een waarneming, een gevoel, in combinatie met een uitgesproken anticipatie op de juistheid van de keuze.

In het oude werk over schaakexpertise van de psycholoog De Groot is veel zinnigs te lezen over intuïtieve denkmethoden.6 Het vertrouwen op het ‘pluis/niet-pluis’-gevoel is hier een goed voorbeeld van. Intuïtie is volgens hem: ‘een naam voor regelgeleid cognitief opereren van een persoon, waarbij de regels bestaan uit algemeen geldige, op ervaring gebaseerde heuristieken [vuistregels], die de persoon zelf niet in detail kan expliciteren en/of objectief kan rechtvaardigen’.

Het ‘pluis’-gevoel hoort bij een als vertrouwd waargenomen patroon, ook al is de huisarts als haar of hem dat gevraagd wordt niet in staat precies aan te geven waarop dat vertrouwde gevoel is gebaseerd. ‘Niet-pluis’ hoort bij een afwijking van het patroon. Het diagnostisch proces eindigt bij huisartsen anders dan bij hun collega’s, de medisch specialisten. Bij huisartsen eindigt het ‘niet-pluis’-gevoel vaak bij de beslissing: doorverwijzen of niet, waarbij verdere precisering van de diagnose niet mogelijk of niet opportuun is. Bij een ‘pluis’-gevoel bij een als ongevaarlijk ingeschat probleem hoeft geen verdere aanscherping van de diagnose plaats te vinden, omdat het vertrouwen op een goede afloop terecht groot is.

Volgens recentere opvattingen over intuïtieve denkprocessen betreffen dit systeem 1-processen, waarbij complexe beslissingen intuïtief worden genoemd als ze snel en moeiteloos worden genomen. Deze systeem 1-processen vormen het standaard denksysteem en zijn verantwoordelijk voor de meeste beslissingen en voorkeuren, maar kunnen door het bewuste systeem 2 worden overruled.7

‘Niet-pluis’ Wat vertrouwt de huisarts met een ‘niet-pluis’-gevoel niet? Volgens de theorie over intuïtief denken van De Groot betreft dat niet zozeer de situatie waarin de patiënt verkeert, maar de redenering van de arts over die patiënt: ‘er klopt iets niet in mijn redenering; ik ben daar onzeker over’. Tegen deze opvatting zou kunnen worden aangevoerd dat de arts, op het moment dat hij een ‘niet-pluis’-gevoel registreert, geen expliciete gedachtegang heeft. Er vindt dan dus geen bewust redeneerproces plaats en het ‘pluis/niet-pluis’-gevoel is dan een prereflectief gebeuren. Volgens de Groot ligt echter ook aan dit ‘pluis/niet-pluis’-gevoel een redenering ten grondslag, zij het dat die redenering niet sluitend is wanneer de arts zou worden gevraagd die te omschrijven.

Aanleren Is het ‘pluis/niet-pluis’-gevoel aan te leren? Mijn stelling is dat intuïtief redeneren zelf niet aangeleerd kan worden. Het betreft ervaringskennis, die niet of maar heel gedeeltelijk uitgedrukt kan worden en daarmee niet aan een ander overdraagbaar is. Het durven vertrouwen op intuïtieve methodes kan volgens mij wel worden bevorderd in een goede leeromgeving. Bij onderwijs in klinisch denken, zoals onderwijs aan het ziektebed (‘bedside teaching’) of supervisie, kan expliciet aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van intuïtieve methodes. Dit kan gebeuren door omstandigheden te scheppen waarin onervaren coassistenten of artsen in opleiding intuïtief durven te generaliseren en hun vermoedens in hypothesen durven om te zetten, gevolgd door het kritisch toetsen daarvan. Het helpt wanneer de arts-docent of supervisor daarbij het goede voorbeeld geeft door zelf – al dan niet hardop denkend – op onzekere, maar op ervaring gebaseerde anticipaties af durft te gaan. Op die manier kan een klimaat worden geschapen waarin goede gewoonten in het wisselspel van durf en zelfkritiek bevorderd worden.5,8

Conclusie

Ervaren artsen gebruiken expliciet hun gevoel als instrument in hun dagelijks diagnostische proces. Het inschakelen van een ‘pluis/niet-pluis’-gevoel is een efficiënte en valide denkmethode in de dagelijkse praktijk van vooral, maar zeker niet alleen, huisartsen. Verder onderzoek naar de wetmatigheden die aan deze denkmethode ten grondslag liggen is zeer welkom.

Literatuur
  1. Stolper CF, van Bokhoven MA, Houben PHH, van Royen P, van de Wiel MWJ, van der Weijden T, et al. Het ‘pluis/niet-pluis’-gevoel van de huisarts: focusgroepenstudie van concept en determinanten. Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A918.

  2. Dijksterhuis A, Bos MW, Nordgren LF, van Baaren RB. On making the right choice: the deliberation-without-attention effect. Science. 2006;311:1005-7.

  3. Schmidt HG, Rikers RMJ. How expertise develops in medicine: knowledge encapsulation and illness script formation. Med Educ. 2007:41;1133-9.

  4. Smith ER, DeCoster J. Dual-process models in social and cognitive psychology: conceptual integration and links to underlying memory systems. Personal Soc Psychol Rev. 2000;4:108-13.

  5. Snoek JW. Het denken van de neuroloog. [proefschrift]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen; 1989.

  6. de Groot AD. Thought and choice in chess. The Hague: Mouton & Co; 1965.

  7. Kahneman D. A perspective on judgment and choice. Mapping bounded rationality. Amer Psychol. 2003;58:697-720.

  8. Bowen JL. Educational strategies to promote clinical diagnostic reasoning. N Engl J Med. 2006;355:2217-25.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Groningen, afd. Onderwijsinstituut, en Martini Ziekenhuis Groningen, afd. Neurologie.

Contact Prof.dr. J.W. Snoek, neuroloog (j.w.snoek@med.umcg.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 20 januari 2010

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Willem J.
van der Krol

Ik zou het helemaal eens kunnen zijn met dit commentaar ware het niet dat ik het door elkaar gebruiken van de begrippen “pluis en niet pluis” en “intuïtie” niet juist vind. Het is terecht om het “pluis niet pluis”gevoel te zien als een bijzondere vorm van denken. Daarbij is het begrip “patroonherkenning” essentieel. Een ervaren dokter zal een bepaalde complexe situatie bewust of onbewust vergelijken met andere situaties die eerder in het persoonlijke geheugen waren opgeslagen. Het gaat hierbij niet om de afzonderlijke details maar om een complex patroon van details dat onderling vergeleken wordt. Afhankelijk van hoe die vergelijking uitvalt zal er vervolgens een “pluis of niet pluis gevoel” ontstaan. Doordat dit proces grotendeels onbewust plaats vindt wordt de uitkomst ervaren als een gevoel hoewel het in wezen een cognitief proces betreft. Bij intuïtie is er per definitie geen sprake van een denkproces. Intuïtie is een vorm van direct inzicht bij daartoe begaafde mensen. Het lijkt uit het niets te komen en doet zich onafhankelijk van ervaring of opleiding voor. Van veel fundamentele doorbraken in de wetenschap is bekend dat er een vorm van intuïtie bij de onderzoeker aan vooraf is gegaan. Alleen bij een vrij en open bewustzijn krijgt intuïtie een kans. Het is niet mogelijk om intuïtie bewust op te roepen of anderszins te manipuleren. Het valt dus ook niet te leren. Het zou zeker een stap voorwaarts zijn als in het medische denken het “pluis en niet pluis gevoel” een grotere plaats zou krijgen. Maar het zou nog een stap verder zijn als ook de stem van de intuïtief begaafde dokter erkenning zou krijgen.
 

Willem van der Krol, arts complementaire geneeswijze Leeuwarden

Ik dank collega van der Krol voor zijn commentaar. Ik deel echter zijn opvatting niet dat “er bij intuïtie per definitie geen sprake is van een denkproces”. Het ligt maar helemaal aan de definitie van intuïtie die gehanteerd wordt. Collega van der Krol beschouwt intuïtie als een gave, die bij de gelukkige eigenaar daarvan leidt tot direct inzicht, onafhankelijk van ervaring en opleiding. In zijn afscheidscollege op 10 september 1985 met als titel “Over intuïtie” behandelt de psycholoog A.D. de Groot de verschillende betekenissen van intuïtie: “intuïtie kan tot een intuïtie leiden – bij een persoon met intuïtie” en hij vervolgt: “in deze zin staan drie betekenis-soorten bijeen: ‘intuïtie’ als iets dat mentaal gebeurt, dus als proces of geestelijke activiteit; ‘een’ intuïtie als produkt of resultaat daarvan; en intuïtie als een eigenschap die mensen al dan niet, of meer of minder, geacht worden te kunnen hebben. Dit laatste begrip is een dispositiebegrip dat een vermogen aanduidt.” Van der Krol gaat uit van intuïtie in de laatste betekenis, een gave die je nu eenmaal hebt of niet hebt.

In de literatuur wordt over medisch probleemoplossen wordt meestal het mystieke, ongrijpbare karakter van intuïtie benadrukt. Intuïtie is volgens de meeste auteurs iets dat in de dagelijkse praktijk zeker een plaats heeft, maar dat de clinicus ‘overkomt’: een niet-rationeel, ongrijpbaar en in ieder geval als proces niet-analyseerbaar gebeuren. In mijn beschrijving van het ‘pluis-niet pluis’-gevoel als een schoolvoorbeeld van intuïtief redeneren ga ik juist uit van de betekenis van intuïtie als een alom voorkomende, deels geautomatiseerde, doelgerichte en doorgaans effectieve denkmethode, die in kracht toeneemt bij toenemende ervaring. Het feit dat intuïtief redeneren moeilijk te onderzoeken is, omdat het om niet of slechts gedeeltelijk verwoordbare denkmethoden gaat, is geen reden om dat niet te proberen en om die reden heb ik het onderzoek van Stolper cs., waar mijn Commentaar betrekking op had, toegejuicht.

 

Jos Snoek