Palliatieve sedatie na introductie KNMG-richtlijn
Open

Onderzoek
10-02-2011
Siebe J. Swart, Judith A.C. Rietjens, Tijn Brinkkemper, Lia van Zuylen, Wijnanda A. van Burg-Verhage, Wouter W.A. Zuurmond, Miel W. Ribbe, Marco H. Blanker, Roberto S.G.M. Perez en Agnes van der Heide

Doel

Beschrijven van de praktijk van palliatieve sedatie na invoering van de KNMG-richtlijn.

Opzet

Vragenlijstonderzoek.

Methode

In 2008 werd aan 1580 artsen gevraagd een vragenlijst in te vullen over de laatste patiënt bij wie zij continue sedatie tot aan het overlijden hadden toegepast.

Resultaten

Het responspercentage was 38% (n = 606). 82% van de respondenten gaf aan de KNMG-richtlijn te kennen. Benauwdheid, pijn en lichamelijke uitputting waren de meest genoemde doorslaggevende indicaties. Het besluit om continu te sederen werd met alle wilsbekwame patiënten besproken. Bij 18% betrof dit alleen het mededelen van het besluit. De levensverwachting van de patiënt bij de start van de sedatie werd bij 97% geschat op minder dan 2 weken. Bij 14% voelden artsen zich onder druk gezet om te beginnen met sedatie, voornamelijk door patiënten en naasten. Artsen waren 81% van de keren aanwezig bij de start van de sedatie. Bij 92% van de patiënten werd midazolam gebruikt. 41% van de artsen schatte in dat de sedatie enige levensbekorting tot gevolg had gehad. De meeste artsen gaven aan dat de klachten van de patiënt adequaat werden verlicht door de toepassing van de sedatie, dat de naasten tevreden waren, en dat een goede kwaliteit van sterven werd bereikt.

Conclusie

De praktijk van continue sedatie in Nederland was grotendeels in overeenstemming met aanbevelingen van de KNMG-richtlijn. Punten van aandacht waren de door artsen gevoelde druk om te starten met sedatie en het door artsen genoemde mogelijk levensbekortende effect van continue sedatie.