Over de penningenverzameling van het Tijdschrift
Open

Geschiedenis
22-12-1992
J. van der Heide

 

Sinds 2018 presenteert het NTvG een online tentoonstelling waarin een uitgebreide selectie uit de NTvG-penningencollectie wordt voorzien van een medisch-historische achtergrond.  
 

bekijk expositie

De Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (kortweg ‘het Tijdschrift’) onderhoudt, behalve de medisch-historische bibliotheek, een penningenverzameling met betrekking tot de geneeskunde, waarvan de oudste exemplaren uit de 17e eeuw stammen. Hierin zijn opgenomen, afdalend in hiërarchische orde, penningen van hogescholen en universiteiten (en eventueel eraan voorafgegane athenaea illustra), van medische faculteiten en hun representanten (hoogleraren en andere vooraanstaande personen) en van het studentenleven. Ook de afgeleide organisaties van de academische wereld zijn erin te vinden: de wetenschappelijke verenigingen, de universitaire en zelfstandige onderzoeksinstituten, de medisch-maatschappelijke instellingen en de sociale instituties die tot stand zijn gekomen door het ijveren van medici als lid van de Nederlandse samenleving.

Grote gebeurtenissen zoals epidemieën en oorlogen, en de hulpverlening erbij, zijn in de kleine metalen monumenten vastgelegd, maar evenzeer de voorvallen die de arts persoonlijk raken: penningen bij de promotie of bij het langjarige huwelijk en diens prijs- of erepenningen ontbreken evenmin. Overigens bevat de verzameling nog boeiende andere onderdelen. Enkele penningen worden geïllustreerd in figuur 1, 2, 3, 4, 5.

VOLLEDIG, OF REPRESENTATIEF EN EXEMPLARISCH?

Dit beknopte overzicht kan het doen voorkomen dat de collectie allesomvattend en volledig is; dit is niet het geval. Wie verzamelt om het verzamelen jaagt de droom na dat de totaliteit te bereiken is, waarvan anderen zeggen dat dit slechts tot meer van hetzelfde leidt; de onbereikbaarheid van penningen uit voorbije perioden frustreert overigens zulk streven al bij voorbaat. Daartegenover staat dat men gericht kan collectioneren, maar welke maatstaven bepalen de richting? De bestaande collectie biedt voldoende basis voor representativiteit. Daarom kan voor de Tijdschriftverzameling het best worden gekozen voor uitbreiding die de representativiteit van het bezit versterkt, maar wat is representativiteit?

Het algemene antwoord op deze vraag is, dat het wetenschappelijke en maatschappelijke bestaan van de geneeskunde steeds werd en wordt bepaald door de invloeden van buitenaf en van binnenuit. Deze schokken die in de penningenreeks zichtbaar zijn, verdienen het meer reliëf te verkrijgen door selectieve uitbreiding van de verzameling.

– Van de inwerking van buitenaf zijn er kernen in de penningenverzameling die voorbeelden zijn van politieke en staatkundige beïnvloeding: de onderwijshervormingen ten tijde van de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland, en de publieke en academische reacties op de vereniging van België en Nederland en, daarna, op de Tiendaagse Veldtocht.

– De inwendige druk door de vorderingen van de wetenschap blijkt eveneens uit de collectie: de ontwikkeling van fysica, fysiologie en chemie, de ontdekking van bacteriën en de opbloei van de kliniek in de 19e eeuw bepaalden de structuur van de geneeskunde, veranderden de maatschappij en, door de nieuwe medische inzichten, de gezondheidszorg. (Doordat de geneeskunde landsgrenzen overschrijdt, bevat de verzameling op dit punt niet alleen Nederlandse penningen.)

Het is daarom beter om het goede begrip van perioden en voorvallen door nieuwe verwerving te verstevigen dan open plaatsen in de reeks penninguitgiften klakkeloos te vullen. Representativiteit is echter een even veeleisende meesteres als volledigheid.

De vraag naar de representativiteit laat zich namelijk toespitsen: waarvoor staat iedere penning op zichzelf? Feitelijk kan men over elk exemplaar afzonderlijk een essay schrijven, dat onvolledig zal zijn omdat de penning vele betekenislagen kent. Vooreerst is ze een vrijwel onverwoestbaar historisch document, zeker ten opzichte van perkament of papier, dat persoons- en eigendomsgegevens en jaartallen fixeert, en dat ook na langdurig verlies weer tevoorschijn zal komen. Reeds in deze objectieve zin bestaan er geen onooglijke penningen. Vaak onmiddellijk na een gebeurtenis geslagen, leggen penningen de waarheid vast of ze streven ten minste ernaar het gelijk aan hun zijde te krijgen. Zoals vanouds de geschilderde taferelen in een kerk, bewijzen de penningen ‘dat iets zo is’. Toen er nog geen kranten waren, wilden ze de bevolking overtuigen van de toedracht van een verwikkeling en, ten tijde van het gedrukte woord, tonen ze de ongeletterden wat ze moeten weten. In toentertijd direct begrijpelijke allegorische voorstellingen beelden de penningen de heldendaad uit of ze doen een beroep op opofferingsgezindheid. Daarbij verbeelden ze voor ons in het heden de materiële en immateriële werkelijkheid van een ander tijdperk door de weergave van allerlei voorwerpen en gebruiken, want zelfs de allegorie ontkomt niet aan realia. Daarenboven is iedere penning interessant door de afspiegeling van de geldende kunstzin, en te zamen demonstreren ze de, vaak sprongsgewijs verlopende, ambachtelijke en artistieke ontwikkelingen in de loop van de tijd.

De conclusie moet dan ook zijn dat een thematische penningenverzameling, zoals die van het Tijdschrift, ook exemplaren moet opnemen die unieke bronnen van achtergrondinformatie zijn, en bijzondere exempels van emotie of devotie, zoals de spotpenning, de broodpenning en de penning als bezwerende amulet tegen ziekte en epidemieën.

PENNINGUITGIFTEN NA 1945 EN IN DE TOEKOMST

Men moet niet denken dat de motieven om penningen uit te geven thans veel anders zijn dan vroeger. Ook nu getuigt het geslagen of gegoten metaal van de standvastigheid van een voornemen, het veeljarig beproefde bestaan van een instelling, of van de bovenpersoonlijke betekenis van een mens; de penning werft medestanders of is de bedelpenning voor een hulpfonds.

De blijvende en doorgaande actualiteit van penningen spoort ook ertoe aan voor de Tijdschriftverzameling bijzondere aandacht te schenken aan de uitgave van geneeskundige penningen na de Tweede Wereldoorlog, om de lijnen uit het verleden te vervolgen of te zien splitsen, en om het beginpunt van een nieuwe ontwikkeling te signaleren. De gewoonte om penningen te laten vervaardigen heeft immers stand gehouden, hetgeen werd gestimuleerd door de toenemende belangstelling van beeldende kunstenaars voor deze zelfstandige kunstuiting.

Bovendien zijn er na 1945 nieuwe universiteiten gesticht en het aantal medische faculteiten groeide van vijf tot acht. Bestaande medische disciplines vertakten zich, en er ontstonden nieuwe wetenschappelijke verenigingen en instellingen. Er is dus alle reden een evenredige toeneming van het aantal penninguitgiften te veronderstellen. In die jaren stond evenwel de verminderde belangstelling van het Tijdschrift voor de penningenverzameling actieve verwerving in de weg, terwijl de beslotenheid van instellingen en groeperingen het zicht op penninguitgiften verhinderde. Deze samenloop heeft met zich gebracht dat de verwerving en het spontaan aanbieden van penningen zijn gestokt, op uitzonderingen na. Inmiddels lijkt het er gelukkig op dat de opgelopen schade nog wel zal zijn te herstellen.

TOT BESLUIT

De penningenverzameling van het Tijdschrift is geen hortus conclusus die men, zoals destijds, zonder de verleende toegangspenning niet mag betreden. Belangstellenden zijn hartelijk welkom om in de nieuwe behuizing exemplaren ter hand te nemen. Open huis en open verzameling houden ook in, dat berichten om het Tijdschrift opmerkzaam te maken op oude of zojuist uitgegeven penningen eveneens van harte welkom zijn.

Met dank aan dr.F.G.M.Broeyer, kerkhistoricus, voor informatie omtrent figuur 2.

Literatuur

  1. Hofstee NF. Academia Lugduno Batava in nummis. Leiden:Academisch Historisch Museum, 1980.

  2. Hofstee NF. Geschiedenis van de Utrechtse Universiteit inpenningen. Utrecht: Bureau Rijksuniversiteit te UtrechtUtrechtsUniversiteitsmuseum, 1986.

  3. Scheepen E van. Universiteit op de penning; penningen vanAthenaeum Illustre en Universiteit van Amsterdam 1632-1992.BussumAmsterdam: Laurens SchulmanAmsterdam University Press,1992.

  4. Hofstee NF. Academia Groningana in nummis. In: Jaarboekvoor Munt- en Penningkunde. Amsterdam: Koninklijk Nederlands Genootschap voorMunt- en Penningkunde, 1983; 20: 105-37.

  5. Woltjer JJ. De Leidse Universiteit in verleden en heden.Leiden: Universitaire Pers Leiden, 1965.