Artikel
De medische wetenschap heeft de afgelopen eeuw grote vooruitgang geboekt. Zonder het gebruik van proefdieren zou dit niet mogelijk zijn geweest. Illustratief is het feit dat, sinds de instelling van de Nobelprijs in 1901, aan 135 wetenschappers de prijs is toegekend voor medisch en fysiologisch onderzoek waarin dierproeven met gewervelde…




(Geen onderwerp)
Rotterdam, januari 2007,
Collega Hendriksen gaat niet in op de diepere vragen en achtergronden van proeven bij dieren (2006:2857-62). Voor de wetenschappelijke basis van de idee van Malpighi (1628-1694) dat dieren qua anatomie en fysiologie als analogon van de mens kunnen functioneren, wordt het boek Descent of man uit 1871 van Charles Darwin (1809-1882) aangehaald. Maar Darwin schreef in 1838 als jonge wetenschapper in zijn dagboek: ‘De mens denkt in zijn arrogantie dat hij een fantastisch wezen is, waard om als een godheid te worden beschouwd. Het is bescheidener en volgens mij meer in overeenstemming met de waarheid om hem te beschouwen als voortgekomen uit de dieren.’1 En zijn boek Descent of man ondermijnde de fundamenten van het westerse denken over de plaats van onze soort in het heelal.
Waar halen wij het recht vandaan om dieren onder dwang te onderwerpen aan experimenteel wetenschappelijk onderzoek? Het artikel van Hendriksen beschrijft slechts wat er op dit terrein gebeurt en de wet en regelgeving die ermee zijn gemoeid, maar omzeilt de rechtmatigheid en morele grond daarvan.
In Nederland werden in 2005 584.092 dieren onder dwang aan proeven blootgesteld en wereldwijd geldt dat voor 100 tot 200 miljoen dieren per jaar. Een proefdiervrije maatschappij is volgens Hendriksen voorlopig een utopie. Zijn enige bezwaar tegen proefdieren is dat ‘een muis, zelfs genetisch gemodificeerd, geen substituutmens is en dat dierexperimenteel onderzoek geen garantie biedt voor extrapolatie naar de mens’. Te weinig argumentatie voor een caput selectum over zo’n belangrijk en actueel onderwerp.
Barrett PH, Gautrey PJ, Herbert S, Kohn D, Smith S, editors. Charles Darwin’s notebooks, 1836-1844. Ithaca: Cornell University Press; 1987. p. 300.
(Geen onderwerp)
Bilthoven, januari 2007,
Collega Molenaar bekritiseert het feit dat ik niet inga op de ethische aspecten van dierexperimenteel onderzoek, maar slechts op het proefdiergebruik als zodanig en op de bestaande wetgeving. Mijn antwoord hierop kan kort zijn: dit was nu juist het verzoek van de NTvG-redactie. Overigens, was het verzoek geweest om mij te richten op de morele aspecten, dan had ik dit ongetwijfeld afgewezen. Niet omdat ik deze aspecten niet belangrijk vind of geen mening heb, maar omdat ik me op dit terrein onvoldoende deskundig acht.
De opmerking van Molenaar over Darwin en het citaat dat in dit verband wordt aangehaald geeft nu juist het spanningsveld van dierexperimenteel onderzoek weer. Aan de ene kant verdienen dieren ons respect, omdat wij uit hen voortgekomen zijn, anderzijds is dit ook de reden waarom dieren gebruikt worden voor het onderzoek, namelijk de anatomische en fysiologische gelijkenis met de mens. Overigens was Darwin zich van dit spanningsveld bewust. Hij was een verklaard criticus van het gebruik van proefdieren, maar achtte dit gebruik toch noodzakelijk voor de voortgang van het biomedisch onderzoek.
Tenslotte voel ik me door Molenaar aangesproken vanwege de suggestie dat het om een kille beschrijving zou gaan. Feitelijke informatie geven over dierexperimenteel onderzoek is belangrijk, omdat dit bijdraagt aan het wegnemen van misvattingen die over dit type onderzoek bestaan. Dierproeven worden niet voornamelijk gedaan om, zoals de meeste mensen denken, triviale zaken als cosmetica te onderzoeken. Ik heb dan ook waardering voor het initiatief van de redactie van het NTvG om dit onderwerp voor het voetlicht te brengen. Daarnaast wordt in het artikel ruime aandacht besteed aan de ontwikkeling en toepassing van mogelijkheden die het proefdiergebruik kunnen doen vervangen, verminderen en/of verfijnen. In een maatschappij die de vruchten wil plukken van goed biomedisch onderzoek, maar daarvoor geen proefdieren wil gebruiken, lijkt mij deze aandacht de enige mogelijkheid uit het dilemma te komen dat gecreëerd is. Zonder mijzelf op de borst te slaan, zou ik Molenaar willen aanraden de literatuur hierover eens te raadplegen of in Google mijn naam in te toetsen. Hij zal dan zien dat tot op heden het grootste deel van mijn carrière bestaan heeft uit het zoeken naar mogelijkheden het proefdiergebruik aan te passen. Deze belangstelling komt zonder meer voort uit het morele besef dat hoogstaand biomedisch onderzoek niet afhankelijk moet zijn van proefdiergebruik. De realiteit is dat zoiets niet van de ene op de andere dag te verwezenlijken is.