Onderzoek alternatieven komt niet van de grond

Onderzoek alternatieven komt niet van de grond
Open

Nieuws
24-03-2009
Femia Kievits en Hans van Maanen

Alternatieve artsen klagen nogal eens dat zij geen voet aan de grond krijgen in het academische circuit en daardoor nooit kunnen aantonen dat hun methodes effectief zijn. Om aan dat bezwaar tegemoet te komen, maakte het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport begin 2004 eenmalig ruim twee ton vrij, zodat alternatieve artsen, onder begeleiding van ZonMw, hun voorstellen voor effectiviteitsonderzoek ‘rijp konden maken voor reguliere financiering’.

Daar is weinig van terechtgekomen, zo blijkt uit het eindrapport van de begeleidingscommissie van ZonMw. De ervaringen waren, aldus het rapport, ‘buitengewoon leerzaam voor de onderzoekers’, maar aan behoorlijk toetsbare hypothesen zijn zij niet toegekomen.

Nadat de 15 deelnemers (allen alternatief arts) een stoomcursus ‘methoden en technieken’ hadden gevolgd bij het EMGO Instituut in Amsterdam – waar bleek dat ‘veel stof helemaal nieuw was’, al werd dit ‘ruimschoots gecompenseerd door enthousiasme en nieuwsgierigheid van de deelnemers’ – konden zij voorstellen formuleren voor pilotstudies die zij belangrijk achtten. Er kwamen 6 voorstellen; de commissie vond de helft direct al onder de maat. Uitverkoren werden een onderzoek naar het gebruik van een ‘semi-standaard homeopathisch behandelschema voor premenstrueel syndroom’, een onderzoek naar het gebruik van elektroacupunctuur tegen blaasstoornissen bij patiënten met multiple sclerose, en een voorstel om de bloedlactaatspiegel te gebruiken als maat voor inspanning bij fibromyalgiepatiënten.

Voor de eerste studie bleken noch homeopathische artsen, noch vrouwen veel belangstelling te hebben. ‘Het doel lijkt toch te hoog gegrepen’, aldus de commissie. Er deden maar 15 artsen mee; na 7 maanden waren pas 38 vrouwen geïncludeerd, en slechts 20 werden 3 maanden gevolgd. Bovendien bleek dat bij 8 vrouwen het voorschrift tussentijds was gewijzigd. Of de middelen effectief waren, kwam al helemaal niet aan de orde. De commissie vindt de opzet achteraf nogal circulair en raadt af ermee door te gaan. Over de biologische plausibiliteit doet zij geen uitspraak.

De tweede studie, begeleid door hoogleraar Epidemiologie Riekie de Vet van het EMGO Instituut, krijgt meer waardering van de commissie. Volgens de onderzoekers zelf was er ‘zelfs significante’ verbetering van de blaasfunctie door de elektroacupunctuur – maar omdat er geen controlegroep was, is dat een slag in de lucht. Ook hier viel de deelname niet mee: het kostte 7 maanden om 35 bereidwillige vrouwen te vinden. Van die 35 vielen er 25 meteen af en van de resterende 10 ondergingen 8 de complete kuur van 10 behandelingen, waarbij ze 3 dagen een dagboekje moesten bijhouden en een vragenlijst invullen. Een artikel is inmiddels aangeboden aan het tijdschrift Urology.

De laatste goedgekeurde studie, naar lactaatspiegels bij fibromyalgie, is niet echt alternatief; bovendien is dit onderzoek ‘door logistieke en privéomstandigheden uiteindelijk niet gestart’.

De beoordelingscommissie vindt de resultaten ‘niet voldoende om onderzoek naar complementaire behandelwijzen in Nederland succesvol van de grond te krijgen en te laten beklijven’. Niettemin spoort zij het ministerie aan het onderzoek te blijven stimuleren, en spoort zij alternatieve artsen aan zelf meer onderzoek te gaan doen.

Effectiviteitsonderzoek blijft wenselijk, aldus de ZonMw-commissie, al was het maar omdat een groot aantal Nederlanders alternatieve behandelaars bezoekt. ‘Dit rechtvaardigt de inzet van publieke middelen, bijvoorbeeld via een ZonMw-programma.’