Nieuw jaar, nieuw huis

Opinie
A.J. Dunning
Leestijd
6 minuten
Downloaden
Citeren

artikel

Toen op 2 januari 1857 het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde voor het eerst verscheen, was er grote zorg om de pasgeborene. Moeizame onderhandelingen met de redacties van negen bestaande medische tijdschriften leidden ertoe dat vijf ervan aarzelend wensten op te gaan in een nieuw blad. Steun werd verworven van de pas opgerichte Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Het Tijdschrift zou daardoor tot in 1945 ook het mededelingenblad van de Maatschappij blijven. De eerste hoofdredacteur, dr.J.Penn, was al gemeenteraadslid en arts te Amsterdam en voorzitter van de Maatschappij geweest voordat hij bijna tien jaar lang als redacteur-gerant het Tijdschrift zou leiden. Nadien was hij adviseur van Thorbecke, oprichter van het Witte Kruis en curator van het Athenaeum Illustre. In Delprats geschiedenis van de eerste 50 jaren van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde komt hij naar voren als iemand die met gezag de middelpuntvliedende krachten binnen zijn redactie bedwong.1 Hij had dan ook de steun maar ook de last van 28 redacteuren afkomstig uit de gefuseerde tijdschriften, die zich zeer individualistisch gedroegen.

De redacteur-gerant deed zijn werk thuis. Hij verzorgde de correspondentie, corrigeerde de drukproeven, beheerde het geld, schreef de notulen van vergaderingen en publiceerde ook zelf bij herhaling in het Tijdschrift, dat in het eerste jaar een lezerskring van ruim 900 artsen verwierf. De eerste tien jaargangen waren geen groot succes. Het ontbrak aan medewerking van grote klinieken, veel ruimte werd besteed aan de wetgeving inzake de beroepsuitoefening, de redactie was niet kritisch, de inhoud niet praktisch en de berichtgeving te breedvoerig. Daarom werden velerlei reorganisaties uitgevoerd die uiteindelijk tot produktverbetering moesten leiden. Deze reorganisaties golden zowel het redactionele beleid en de werving van bijdragen als de vormgeving, waardoor het Tijdschrift leesbaarder en dikker werd, maar ook financieel voortdurend aan de rand van de afgrond kwam. Bovendien ontstond een haat-liefdeverhouding met de Maatschappij tot de scheiding van redactietafel en subsidiebed in 1945. Bij het halve-eeuwfeest in 1907 had het Tijdschrift de vorm en organisatie gevonden die het goeddeels nog heeft; er waren toen 2000 lezers. De beheersvorm kwam in 1861 tot stand doordat een Vereniging van redacteuren werd opgericht die hoofdredacteur en redactieleden benoemde, de vorm en uitgave van het Tijdschrift bepaalde en het beheer regelde.

Tot 1920 was de redactie van het Tijdschrift een eenmanszaak die op het huisadres van de hoofdredacteur werd gedreven. De Vereniging vergaderde op allerlei plaatsen, maar in de regel in Amsterdam. Pas na 1920 ontstond een redactiekantoor waarvoor kamers werden gehuurd in Amsterdam Oud-Zuid, terwijl uiteindelijk in 1936 het huidige kantoor in de Jan Luykenstraat 5 werd aangekocht. De geschiedenis van de huisvesting van het Tijdschrift is elders in dit nummer beschreven.2 In het pand aan de Jan Luykenstraat hebben hoofdredactie en Vereniging meer dan een halve eeuw deftig en rustig gewoond. Misschien is het aardig op dit moment nog een keer naar binnen te kijken. Het pand is een statig herenhuis van vier verdiepingen, omringd door oude bomen en nieuwe auto's in de ‘nouveau chic’ van de Museumbuurt. Het redactiekantoor en de produktieafdeling zijn over die vier verdiepingen verspreid en het fotokopieerapparaat staat in de kelder. Werkstations verbinden de 18 medewerkers met de minicomputer, waarmee de bijna 1000 jaarlijks aangeboden bijdragen in een database kunnen worden gevolgd en waarin de circa 550 voor publikatie aanvaarde artikelen optisch worden ingelezen. Dat deel en straks het geheel van de te publiceren bijdragen wordt elektronisch geredigeerd en naar de drukkerij verstuurd, die ook langs elektronische weg kan zetten.

De hoofdredactie heeft regelmatig persoonlijk contact met ongeveer vijftien zittende redacteuren uit alle vakgebieden, verbonden aan verschillende faculteiten, universiteitsklinieken en algemene ziekenhuizen. Iedere redacteur heeft een zittingsperiode van drie jaar, waarin veel werk en advies wordt gevraagd. Bij hun benoeming verkrijgen redacteuren het lidmaatschap voor het leven van de Vereniging die het Tijdschrift bestuurt en in eigendom heeft. Daarnaast is er een vaste kring van ongeveer honderd adviseurs op allerlei specifieke terreinen, waardoor de hoofdredactie op brede deskundigheid en steun kan rekenen. Gevraagde en ongevraagde bijdragen worden na beoordeling door de hoofdredactie doorgaans aan twee of meer redacteuren of adviseurs voorgelegd, waarbij ongeveer 40 van de bijdragen wordt afgewezen voor publikatie. Na uiteindelijke aanvaarding van een bijdrage door de hoofdredactie komt het stuk in produktie, waarbij aan tekst, illustraties en tabellen grote aandacht wordt besteed en waarbij literatuurreferenties worden gecontroleerd. De wetenschappelijk eindredacteur ziet op dat alles toe en bepaalt mede de samenstelling van nummers, een taak die ingewikkelder is als bijdragen in nummers of reeksen worden bijeengevoegd.

De Vereniging, die vier keer per jaar bijeenkomt voor een wetenschappelijke of een zakelijke vergadering, beschikt behalve over een collectie medische prenten en penningen over een aanzienlijke en waardevolle medisch-historische bibliotheek, waarvan de catalogus in de afgelopen jaren werd voltooid. De circa 130 leden hechten aan een vertrouwde omgeving en aan het reüniekarakter van vergaderingen waarbij verschillende generaties oud-redacteuren elkaar ontmoeten. Traditie en stijl zijn voor de Vereniging belangrijk; een doelmatig, goed ingericht kantoor is een beslissende voorwaarde voor de redactievoering, die gesteund wordt door geautomatiseerde, elektronische informatie-uitwisseling.

Als zetel der Vereniging en als redactiekantoor werd het huis in de Jan Luykenstraat te klein en te ondoelmatig. De bibliotheek raakte verspreid over vijf kamers, de redactie zelf over tien en de vergaderruimte was beperkt. In 1986 werd besloten om te zien naar nieuwe behuizing, liefst in de oude omgeving en met behoud van stijl en sfeer. Na lang wachten en zoeken kon in de zomer van 1990 de toenmalige huisvesting van het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam in eigendom worden verworven, een in Hollands-classicistische stijl gebouwd huis aan de Johannes Vermeerstraat 2, op de hoek van het Museumplein, met zicht op een oudere tijdgenoot: het Rijksmuseum. Het bruikbare vloeroppervlak is daarmee vrijwel verdubbeld en na restauratie en verbouwing biedt het huis nieuwe mogelijkheden.

De Vereniging krijgt hier een waardig onderdak voor vergaderingen en verzamelingen; zo is er een fraaie en toegankelijke bibliotheek op de zolderverdieping. De redactie en de produktie van het Tijdschrift worden nu geconcentreerd in doelmatige werkruimten op twee verdiepingen, hetgeen een professionele organisatie bevordert.

Bij het begin van de 136e jaargang heeft het Tijdschrift 32.000 abonnees, onder wie vrijwel alle in hun beroep actieve artsen en 5000 ouderejaarsstudenten. Het moet een zeer geschakeerd lezerspubliek iedere week een gevarieerd verslag geven van wat er in de gezondheidszorg en geneeskunde in Nederland, maar ook daarbuiten, omgaat. Dat alles is maar zeer ten dele afhankelijk van huisvesting of automatisering; wel is het zo dat een hedendaags tijdschrift niet kan bestaan zonder goede, snelle communicatie en deskundige verwerking van de verkregen gegevens. Wij hopen communicatie en gegevensverwerking door onze nieuwe huisvesting te kunnen verbeteren en gaan daarom met grote verwachtingen het nieuwe jaar en het nieuwe huis tegemoet.

Literatuur
  1. Delprat CC. De geschiedenis van de eerste 50 jaren van hetNederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 1857-1907. Haarlem: De Erven Bohn,1932.

  2. Lopes Cardozo I. De behuizingen van het NederlandsTijdschrift voor Geneeskunde. NedTijdschr Geneeskd 1992; 136: 30-6.

Reacties