Niet-natuurlijk overlijden door kindermishandeling; gerechtelijke secties 1996-2009
Open

Onderzoek
18-11-2010
Vidija Soerdjbalie-Maikoe, Rob A.C. Bilo, Elena van den Akker en Ann Maes

Doel

Vaststellen van het aantal fatale gevallen van kindermishandeling bij minderjarigen op wie

gerechtelijke sectie was verricht in de periode 1996-2009 en toetsing van de data van het jaar 1996 met de eerder gepubliceerde data door Kuyvenhoven et al. (een vragenlijstonderzoek onder huisartsen en kinderartsen).

Opzet

Retrospectief en descriptief.

Methode

Van alle gerechtelijke secties op minderjarigen (> 24 weken en < 18 jaar; n = 688) in de afgelopen 14 jaren (1996-2009) werden de niet-natuurlijke overlijdensgevallen getoetst aan de definitie van kindermishandeling. De daadwerkelijke uitkomsten van het jaar 1996 werden op grond van overlijdensverklaring en vermoedelijke doodsoorzaak vergeleken met de Kuyvenhovenstudie.

Resultaten

Van de in totaal 688 gerechtelijke secties op minderjarigen in de afgelopen 14 jaren, was bij 65% (n = 445) sprake van niet-natuurlijk overlijden en waren 54% daarvan (n = 239/445) niet-natuurlijk niet-accidenteel door kindermishandeling. Dit kwam overeen met een jaarlijks gemiddelde van 15 (30%) ‘zekere’ en 2 (5%) ‘zeer waarschijnlijke’ gevallen van fatale kindermishandeling. Het totaal aantal weggelegde baby’s, al dan niet te vondeling gelegd, bedroeg gemiddeld 4 per jaar. Voor het jaar 1996 waren 13/23 (57%) van de fatale gevallen van kindermishandeling niet vertegenwoordigd in de studie van Kuyvenhoven et al.

Conclusie

Van de jaarlijks 49 minderjarigen op wie gerechtelijke sectie was verricht in Nederland, waren 17 (35%) bewezen of zeer waarschijnlijk door kindermishandeling overleden. In 1996 was meer dan de helft van het aantal fatale gevallen van kindermishandeling van het NFI niet vertegenwoordigd in de studie van Kuyvenhoven et al. In beide analyses was zeer waarschijnlijk sprake van onderrapportage.