Nederlandse Vereniging voor Diabetes Onderzoek

Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:2110-2
Download PDF

Vergadering gehouden op 3 mei 1986 te Utrecht

R.J.Heine, A.C.Sikkenk, G.A.Rodrigues Pereira en E.A.van der Veen (Amsterdam), De invloed van het sequentieel toedienen van insuline en pro-insuline op de produktie en utilisatie van glucose bij gezonde personen

Eerder onderzoek met varkensinsuline en -pro-insuline bij gezonde personen heeft een toeneming van het hypoglykemische effect van intraveneus toegediende insuline (I) aangetoond wanneer 1 uur voordien pro-insuline intraveneus was geïnjecteerd. Een verklaring voor de waargenomen effecten kan niet worden gegeven. Het doel van ons onderzoek was de effecten van sequentiële toediening van pro-insuline en insuline op de bloedglucosespiegels en glucosekinetiek te bestuderen bij gezonde vrijwilligers. Aan dit onderzoek deden 8 gezonde mannelijke vrijwilligers mee. In een gerandomiseerde volgorde werden de volgende experimenten verricht: (1) Het toedienen van pro-insuline (P) alléén (0,02 Ekg) intraveneus op tijdstip t = 0,(2) P – P: pro-insuline intraveneus toegediend op t = 0 en t = 1 uur, (3) I – I, (4) I – P en (5) P – I. Ter bepaling van de glucoseproduktie en -utilisatie werd 6,6 D2-glucose (glucose gemerkt met 2 deuterium-atomen op plaats 6) als merkstof geïnfundeerd. Na P – I, vergeleken met I – P, werden lagere dalwaarden gevonden voor de bloedglucosespiegels: 2,2 (SEM 0,2) en 3,6 (0,1) mmoll (p =

Conclusies: (1) de waargenomen veranderingen in glucoseproduktie en -utilisatie wijzen op een preferentieel effect van pro-insuline op de glucoseproduktie, (2) indien insuline 1 uur na pro-insuline wordt toegediend, zal de glucose-utilisatie worden gestimuleerd bij een nog bestaande inhibitie van de glucoseproduktie, (3) pro-insuline heeft geen potentiërende invloed op het hypoglykemische effect van insuline bij sequentiële toediening van lage doseringen.

J.H.Strubbe (Haren), Vergelijking van potentiërende invloeden op de gestimuleerde insuline-afgifte door glucosetoediening per os, in duodenum en in ileum

Per os opgenomen glucose stimuleert bij de mens en bij proefdieren insuline-afgifte effectiever dan intraveneus toegediende glucose. Het potentiërende effect wordt toegeschreven aan de invloed van sommige darmhormonen die vrijgemaakt worden na voedselopname. Het doel van de hier beschreven experimenten was inzicht te verkrijgen in de relatieve potentiërende invloed van factoren uit duodenum en ileum op de door glucose gestimuleerde insuline-afgifte. Bij 6 manlijke Wistar-ratten werden in ieder dier 2 hartcatheters, een duodenum-canule en een ileum-canule geplaatst. Na spontaan oplikken van glucose in verschillende hoeveelheden (150 en 750 mg) of na een intestinale glucose-infusie met dezelfde hoeveelheden door een van de darmcanules werd via een van de hartcatheters een bloedmonster genomen. De effecten op bloedglucose en plasma-insuline werden vergeleken met die na verschillende intraveneuze glucose-infusies. Bij intraveneuze glucose-infusie wordt een positief dosis-responsverband gevonden voor zowel de glucose- als de insulinerespons. Bij intraduodenale glucosetoediening van 150 mg werd een stijging van glucose gevonden tot een maximum tussen 10 en 20 min van 36 (SD 3) mgdl en voor 750 mg, 45 (4) mgdl. Bij toediening in het ileum was de stijgsnelheid minder groot met maxima op 31 (6) en 39 (3) mldl voor respectievelijk 150 en 750 mg glucose. Bij toediening van glucose per os waren deze waarden 22 (2) en 22 (2) mgdl. Hoewel de maxima tussen de beide doseringen betrekkelijk weinig verschilden, was de totale omvang van zowel de geïntegreerde glucose- als de insulinerespons statistisch significant groter bij een hogere dosis. Berekening van de verhoudingen voor insuline (quotiënt van de geïntegreerde insuline- en glucoseresponsen gemeten over de eerste 20 min na de start van de infusie) gaf een gemiddelde waarde van 0,5 voor intraveneuze toediening. Voor per os, in duodenum en in ileum toegediende glucose was dit ongeveer 3 maal zo hoog: resp. 1,5, 1,4 en 1,6.

Deze experimenten tonen aan dat glucosetoediening in ileum en duodenum factoren vrijmaakt die in vrijwel dezelfde mate als bij toediening per os de door glucose gestimuleerde afgifte van insuline sterk potentiëren.

J.M.A.van Gerven, R.Arts en H.H.P.J.Lemkes (Leiden), Somatosensory evoked potentials en elektroneurografie van sensibele zenuwen bij diabetische polyneuropathie

Bij diabetische sensibele polyneuropathie (DN) wordt een metabole stoornis vermoed, die vroeg tot verstoring van lange sensibele zenuwen leidt (en ook het centrale zenuwstelsel lijkt te treffen) en later tot definitieve uitval. Daarom werd het verband tussen HbA1 en centrale en perifere zenuwgeleiding onderzocht bij 30 patiënten met symptomatische DN. Zij werden verdeeld op grond van (1) gestoorde, maar nog meetbare, sensibele geleidingssnelheid (NCV) van de N. suralis (NS) (groep I, n = 11) of (2) uitgevallen NS-NCV (groep II, n = 19). De sensibele zenuwgeleidingssnelheid van de N. medianus (NM) en NS werden op de gebruikelijke manier, antidroom, met oppervlakteneurografie bepaald. Met somatosensory evoked potentials (SSEP) werd de centrale geleidingstijd (CCT) gemeten (N14-N20-interval) na stimulatie van de N. medianus.

De patiënten in groep I waren jonger dan die in groep II (51,3, resp. 58 jaar), maar geslacht, HbA1 (13,5 (SD 1,9) resp. 12,1 (1,9)) en diabetestype of -duur verschilden niet. Binnen groep I correleerde HbA1 met NM-NCV (r = -0,85, p 1 (r = 0,54, p = 0,07). In groep II correleerde het N14-N20-interval echter sterk met lengte van het interval (r = 0,75, p 1 (r = 0,63, p

Uit deze resultaten blijkt dat, afhankelijk van aan- of afwezigheid van een meetbare NS-SNCV, patiënten met symptomatische sensibele DN kunnen worden verdeeld in:

– (groep I) patiënten met metabole verstoringen van zowel centrale als perifere sensibele zenuwuiteinden.

– (groep II) patiënten met zenuwafwijkingen die relatief onafhankelijk van glykemische controle zijn en die vooral het perifere zenuwstelsel treffen, en minder het centrale.

H.G.T.Nijs, J.K.Radder, M.Frölich en H.M.J.Krans (Leiden), Effectiviteit van insuline bij recent gediagnostiseerde en langer bestaande diabetes mellitus type I

Bij patiënten met een recent ontdekte, onbehandelde, diabetes mellitus type I (DM-I) is een verminderde insuline-effectiviteit gevonden. Na insulinetherapie volgde verbetering of normalisatie van de insulinewerking. Patiënten met langer bestaande DM-I hebben een sterk verminderde insuline-effectiviteit. Het lijkt er dus op dat insulineresistentie opnieuw ontstaat in de loop van de ziekte. Het doel van dit onderzoek was de insulinewerking in vivo te bestuderen tijdens intensieve behandeling met een meerstaps-glucoseafklemmethode bij patiënten met een recent ontdekte en met een langer bestaande DM-I.

Patiënten en methoden

Groep I: n = 5, recent ontdekte DM-I; groep II: n = 5, langer bestaande DM-I, groep III: n = 7, controlepersonen naar gewicht en leeftijd vergelijkbaar met de patiënten. Groep I werd intensief conventioneel met insuline behandeld. Groep II werd van conventionele therapie overgezet op continue subcutane insuline-infusie (CSII) wegens de moeilijk in te stellen diabetes. Na ½, 3 en 6 maanden behandeling, en eenmaal in de controlegroep, werd met de meerstaps ‘euglycaemic clamp’-methode de insuline-effectiviteit gemeten. Insuline (Actrapid HM) werd gedurende 4 periodes van 2 uur geïnfundeerd met een snelheid van 0,5, 1,0, 2,0 en 5,0 mUkgmin. De bloedglucosespiegel werd op 5,0 mmoll gehouden door infusie van 20 glucose. De gemiddelde insulinespiegel en de glucosetoedieningssnelheid tijdens de evenwichtssituatie (de 90e-120e minuut van elke periode) werden benut om dosiswerkingscurves te construeren.

Resultaten

Geen verschillen in insuline-effectiviteit tussen DM-I, 2-3 weken met intensief conventioneel behandelde DM-I (groep I) en controlepersonen. Gedurende minstens 6 maanden bleef de insuline-effectiviteit normaal. De metabole controle verbeterde, HbA1 van 11,8 (SD 0,9) naar 9,0 (2,0), maar werd niet normaal 7,0 (0,5). In groep II bevestigden we het bestaan van insulineresistentie. Het maximale insuline-effect werd niet bereikt. Dit wijst op een stoornis op post-receptorniveau. Verbetering hiervan volgde na 6 maanden behandeling met CSII. Er trad echter geen normalisatie op. De metabole controle veranderde, gemiddeld, niet. Wij vonden in beide groepen geen verband tussen diabetescontrole (HbA1) en insuline-effectiviteit. Andere factoren dan de diabetescontrole alleen lijken de insuline-effectiviteit te beïnvloeden.

A.de Vos, J.T.Marcus, J.P.H.Reulen, J.J.Heimans en E.A.van der Veen (Amsterdam), Pupilreflexmetingen bij patiënten met diabetes mellitus

Bij een groep van 18 patiënten met diabetes mellitus, zonder neuropathie en retinopathie, is met een binnen de vakgroep Medische Fysica ontwikkelde nieuwe meetmethode, gebaseerd op reflectie van infrarood licht, onderzoek gedaan naar de pupilreflex. De vraagstelling was of het pupilregulatiesysteem gestoord is, met name in relatie tot het functioneren van het sympathische zenuwstelsel. Door verwerking van de gemeten signalen met de computer werd de latentietijd van de constrictie, dat is de tijd tussen het moment van stimulatie en het moment van constrictie, alsmede de latentietijd van de dilatatie, dat is de tijd tussen het moment van uitgaan van de stimulus en het moment van dilatatie, van de op een stapvormige lichtstimulus reagerende pupil bepaald. Een belangrijk voordeel van deze voor de patiënt niet belastende onderzoeksmethode is de mogelijkheid aan beide ogen tegelijk te meten, zodat ook de consensuele reactie kan worden bestudeerd. Tevens heeft deze methode een grote amplitude- en tijdsresolutie (1 ms!), waardoor voornoemde grootheden veel nauwkeuriger bepaald kunnen worden dan met bestaande methoden. Bij deze patiënten bleek een statistisch significante toename te zijn van zowel de latentietijd van de constrictie als van de dilatatie. In de tabel zijn de gemiddelden (gem.) en standaarddeviaties (SD) gegeven, zowel van de groep patiënten als van een controlegroep van gezonde personen met overeenkomstige leeftijdsverdeling. Verder bleek dat 14 patiënten met diabetes (78, p

Conclusie: bij patiënten met diabetes mellitus wordt allereerst het parasympathische zenuwstelsel aangetast, in een later stadium gevolgd door aantasting van het sympathische zenuwstelsel. Wellicht vooruitlopend op complicaties die pas later klinisch manifest worden.

P.V.M.Cromme, E.A.van der Veen, P.B.Bezemer en D.J. Kuik (Twello), De waarde van bepaling van defructosamineconcentratie in het serum als screening-test voor diabetes mellitus

Een screening-onderzoek naar diabetes mellitus werd uitgevoerd bij 457 proefpersonen ouder dan 64 jaar. De orale glucosetolerantietest volgens WHO-richtlijnen werd gebruikt als criterium voor diabetes mellitus. Tegelijkertijd werden concentraties van fructosamine en geglycosyleerd hemoglobine in het serum bepaald; tevens werden urine van nuchtere proefpersonen en urine geproduceerd meer dan 1 uur na glucosebelasting gecontroleerd op glucosurie. De concentratie van fructosamine in het serum correleerde significant (p

Bepaling van de fructosamineconcentratie in het serum is eenvoudig uit te voeren met een auto-analyser; de kosten van een éénmalige bepaling komen ongeveer overeen met een enkelvoudige glucosebepaling en de proefpersoon behoeft niet nuchter te zijn.

De bepaling van de fructosamineconcentratie in het serum blijkt een bruikbare screening-methode te zijn voor het uitsluiten of bevestigen van de diagnose diabetes mellitus.

D.W.Erkelens, C.M.Ferrier, J.G.Kranen, A.J.Spijker en J.B.L.Hoekstra (Utrecht), De glucagon C-peptide stimulatietest ter voorspelling van de therapie bij diabetes mellitus

De praktische hantering van het onderscheid in van insuline en niet van insuline afhankelijke patiënten met diabetes mellitus levert in zoverre problemen op dat een aantal niet voor het leven, of ter voorkoming van ketoacidose, van insuline afhankelijke patiënten toch voor het bestrijden van symptomatische hyperglykemie insulinetherapie nodig heeft of ‘insulinebehoeftig’ is. Op zoek naar een test om deze insulinebehoefte te voorspellen werd bij 234 diabetespatiënten de glucagon C-peptide stimulatietest (GST) verricht en werd de 16 (SD 0,5) maanden na de test op klinische gronden ingestelde therapie beoordeeld, waarbij de groepen niet verschilden in regulatie. De GST bestaat uit de meting van C-peptide (nmoll) basaal (CP-0) en 6 minuten (CP-6) na injectie van 1 mg glucagon intraveneus. De groepen bleken als volgt behandeld te worden: groep A: dieet (n = 28, man:vrouw = 15:13), groep B: orale bloedsuikerverlagende middelen (73, 40:30), groep C: intermitterend insuline (14, 3:11) en groep D: continu insuline (119, 50:69). Het bleek dat groep D gemiddeld jonger (p 1,00 80 kans is dat er géén insulinebehoefte bestaat. Bij waarden tussen 0,30 en 1,00 neemt de kans op insulinebehoefte af, terwijl die op orale en bloedsuikerverlagende middelen, intermitterend insuline of alleen dieet toeneemt.

Conclusie: de GST is waardevol voor patiënten bij wie op basis van leeftijd bij het begin van diabetes of Quetelet-index niet voorspeld kan worden of zij insulinebehoeftig zijn om een kwantitatieve uitspraak te doen over de behandelingswijze.

Auteursinformatie

Nederlandse Vereniging voor Diabetes Onderzoek, pa Academisch Ziekenhuis der Vrije Universiteit, afd. Inwendige Geneeskunde, Postbus 7057, 1007 MB Amsterdam. R.J.Heine, secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties