Methoden en resultaten van in-vitrofertilisatie in Nederland in de jaren 1983-1994

Onderzoek
E.J. de Boer
F.E. van Leeuwen
I. den Tonkelaar
C.A.M. Jansen
D.D.M. Braat
C.W. Burger
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:1448-55
Abstract

Samenvatting

Doel

Beschrijven van de methoden en resultaten van in-vitrofertilisatie (IVF) gedurende de eerste 12 jaar waarin deze behandeling in Nederland werd verricht.

Opzet

Retrospectief cohortonderzoek.

Methode

Gegevens werden verzameld over vrouwen die in de periode 1 januari 1983-31 december 1994 een eerste IVF-behandeling met ovariële hyperstimulatie in de vorm van gonadotrofinen hadden ondergaan in één van de 12 IVF-centra in Nederland (n = 8184).

Resultaten

De indicatie ‘tuba-afwijkingen’ voor een IVF-behandeling nam af van 70 van alle behandelingen in 1987 tot 25 in 1994. Het percentage patiënten met verminderde semenkwaliteit als indicatie nam toe van 8,7 in 1987 tot 35,5 in 1994. Het leeftijdsprofiel bleef grotendeels onveranderd. De invoering van het gebruik van gonadotroop-‘releasing’-hormoon(GnRH)-agonisten ging gepaard met een toename van de gonadotrofinedosis en leidde tot een hogere eicelopbrengst en een toename van het percentage patiënten met een ovarieel hyperstimulatiesyndroom (OHSS). Het aantal bevallingen van tenminste één levend geboren kind per eerste IVF-cyclus nam toe van 6 in 1984 tot 18 in 1994. Het aantal levendgeborenen per 100 geplaatste embryo's steeg van 2,5 in 1985 tot 12 in 1994. Het gemiddelde aantal geplaatste embryo's per embryotransfer in de eerste cyclus nam af van 3,2 in 1987 tot 2,2 in 1994. Het uiteindelijke succespercentage van de gehele IVF-behandeling, gedefinieerd als tenminste één levend geboren kind na één of meer IVF-behandelingen, voor vrouwen die in 1983-1994 een eerste IVF-poging ondergingen, bedroeg 37,1. Het percentage drie- en vierlingen van alle bevallingen steeg tot 8,7 in 1989, maar daalde daarna, parallel aan de daling van het gemiddelde aantal geplaatste embryo's, tot 1,2 in 1994. Het percentage tweelingen was stabiel rond 25.

Conclusie

De invoering van GnRH-agonisten en de hogere gonadotrofinedoses leidden tot een hogere eicelopbrengst. In de eerste jaren IVF nam het gemiddelde succespercentage bij de eerste poging toe tot 1991, waarna het constant bleef. De kans op complicaties zoals OHSS nam echter toe en het percentage tweelingen bleef stabiel.

Auteursinformatie

Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, afd. Epidemiologie, Plesmanlaan 121, 1066 CX Amsterdam.

Mw.ir.E.J.de Boer (tevens: International Health Foundation, Utrecht) en mw.prof.dr.ir.F.E.van Leeuwen, epidemiologen.

International Health Foundation, Utrecht.

Mw.drs.I.den Tonkelaar, bioloog.

Reinier de Graaf Groep, locatie Diaconessenhuis, afd. In-vitrofertilisatie/Gynaecologie en Obstetrie, Voorburg.

Hr.dr.C.A.M.Jansen, gynaecoloog.

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Obstetrie en Gynaecologie, Nijmegen.

Mw.prof.dr.D.D.M.Braat, gynaecoloog.

Erasmus Medisch Centrum, afd. Verloskunde en Vrouwenziekten, Rotterdam.

Hr.dr.C.W.Burger, gynaecoloog.

Contact mw.prof.dr.ir.F.E.van Leeuwen (f.v.leeuwen@nki.nl)

Verantwoording

Mede namens de OMEGA-projectgroep, waarvan de leden aan het einde van dit artikel staan genoemd.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties