In memoriam prof.dr.G.Bras (1913-2008).

B. Smalhout
W. den Otter
J.W. Koten
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:583
Download PDF

- Op 5 januari 2008 overleed Gerrit Bras, emeritus hoogleraar Pathologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij was een uitzonderlijk patholoog-anatoom: hij dacht altijd als clinicus en niet primair als laboratoriumgeleerde. Die eigenschap trad vooral op de voorgrond tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Bras was geboren op Java in het voormalige Nederlands-Indië. Qua afkomst en opvoeding was hij een echte Indo-Europeaan. Behalve het Nederlands beheerste hij diverse andere moderne en inlandse talen vloeiend. Zijn artsenbul verkreeg hij in 1939 aan de Geneeskundige Hogeschool te Batavia. Hij kwam daarna als assistent-arts in opleiding tot patholoog-anatoom bij prof.Bonne, maar al in december 1941 moest hij als tweede luitenant-arts in militaire dienst bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).

Toen Japan in maart 1942 Nederlands-Indië veroverde, werd Bras als krijgsgevangene met duizenden anderen per schip naar het toenmalige Siam vervoerd, waar hij aan de beruchte Birmaspoorlijn moest werken. Onder de krijgsgevangenen en dwangarbeiders was de sterfte door ziekte, mishandeling en ondervoeding zeer groot: tussen de 20 en de 80. Berucht waren onder meer dysenterie, malaria, beriberi en vooral cholera. Bras heeft de toen dodelijk geachte cholera met de uiterst primitieve middelen die hem ter beschikking stonden weten te bestrijden. Zelf ernstig ondervoed en slechts gekleed in vodden, stond hij dag en nacht zijn patiënten terzijde. Bijna allen overleefden de cholera. Hierom kreeg hij van zowel de medegevangenen als de Japanners de eretitel ‘dr.Cholera’. Later zette hij zijn medische werk voort in de beruchte kolenmijnen van Fukuoka in Zuid-Japan. Na de oorlog werd hij voor al dat werk onderscheiden met de Verzetsster Zuidoost-Azië. Zijn echtgenote en collega Puck Bitter overleefde de afschuwelijke vrouwenkampen op Java.

In 1950 promoveerde Bras bij prof.Müller op een voortreffelijk proefschrift, getiteld Variola, een pathologisch-anatomische studie tijdens de epidemie van 1949 te Batavia. In hetzelfde jaar werd hij hoogleraar in Batavia. In 1951 werd Bras hoogleraar Pathologie op Jamaica. Daar werd hij wereldberoemd door zijn onderzoek naar de toxische effecten van ‘bush tea’, een populair volksgeneesmiddel dat door de lokale bevolking werd gebruikt tegen verkoudheid en buikklachten. Zijn faam drong door tot ver in Afrika.

In 1971 werd Bras hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Samen met zijn collega Ross deed hij de opzienbarende ontdekking dat laagcalorisch gevoede ratten bijna twee keer zo lang leven als normaal gevoede soortgenoten. Deze vondst is tot nu toe onvoldoende uitgewerkt in de humane geneeskunde. Verder renoveerde en reorganiseerde Bras het fraaie Pathologisch Instituut in de Pasteurstraat, grenzend aan het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Door zijn klinische instelling had hij zeer goede relaties met medici uit alle specialismen. Toch bleef hij altijd de enigszins autoritaire, maar correcte, gedisciplineerde, plichtsgetrouwe, integere no-nonsense-KNIL-officier van gezondheid. In de dagelijkse omgang was hij minzaam, zorgzaam en wars van alle geleerddoenerij.

Bras was voor niets en niemand bang. Dat bleek bijvoorbeeld toen in 1971 alternatieve studenten in opstand kwamen tegen de toen beginnende medicamenteuze behandeling van psychiatrische patiënten. Deze therapie was bepleit door de psychiater prof. Herman van Praag en de farmacoloog prof. David de Wied. Volgens de progressieve studenten was een psychose niet een biochemische of anatomische stoornis in de hersenen, maar een gevolg van maatschappelijke wantoestanden. Het Academisch Ziekenhuis Utrecht durfde geen demonstratie door antipsychiatrische activisten op het ziekenhuisterrein te riskeren. Bras stelde toen onmiddellijk zijn instituut ter beschikking van de hoogleraren De Wied en Van Praag. Het werd een gedenkwaardige rel. Maar Bras beheerste de situatie volledig en genoot van alle commotie.

Wetenschappelijk werd Bras hoog geschat. Hij was jarenlang redactielid van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en vanaf 1972 lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In 1983 ging hij met emeritaat. Tot zijn laatste levensdag bleef hij de klassieke geneesheer voor wie de patiënt het centrum vormde van het medisch heelal. In een interview in 2003 verklaarde hij: ‘Ik ben een gelovig mens. En in de Bijbel staat: “Wat gij de minste mijner broeders hebt gedaan, dat hebt ge Mij gedaan” (Mattheüs 25:40).’ We voegen hieraan toe: ‘Zalig de doden, die in de Here sterven . . . dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na’ (Openbaring 14:13).

Gerelateerde artikelen

Reacties