In memoriam prof.dr.D.J.B.Wijers.

B.H. Rep
T. Hanegraaf
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:1927-8
Download PDF

- Op 18 juli jl. overleed in Nairobi, Kenia, prof.dr.D.J.B.Wijers, in de leeftijd van 72 jaar. Daarmee kwam een einde aan een opmerkelijke carrière van een tropenarts die zijn hart en ziel aan Afrika verpand had.

Dik Wijers werd in 1927 geboren in Padang in het toenmalige Nederlands-Indië. Gedurende de Japanse bezetting verbleef hij in verscheidene kampen. Deze kampjaren hebben een grote invloed op zijn verdere leven gehad. In 1946 keerde de familie Wijers terug naar Nederland. In 1947 rondde hij zijn middelbareschoolopleiding af aan het Christelijk Gymnasium te Utrecht; daarna ging hij in diezelfde stad geneeskunde studeren. In 1955 legde hij het artsexamen af. Zijn belangstelling ging uit naar de tropische geneeskunde, hetgeen bleek uit het feit dat hij in 1953/'54 de tropencursus in Amsterdam volgde; zijn bijzondere talenten vielen toen al op. Voor zijn promotieonderzoek verbleef hij een aantal jaren in Afrika, voornamelijk in Nigeria, maar ook in Oeganda. Daar bestudeerde hij de polymorfie van trypanosomen, de veroorzakers van de Afrikaanse slaapziekte. Het was ook daar dat zijn belangstelling voor de Afrikaanse samenleving werd gewekt. De stellingen behorende bij zijn proefschrift, dat in 1960 verscheen (promotor: prof.dr.J.W.Wolff), waren alle gewijd aan de problemen op het gebied van de tropische geneeskunde en epidemiologie in Afrika. Na zijn promotie vertrok hij weer naar Afrika om in Kenia onderzoek te doen naar de transmissie van kala-azar (viscerale leishmaniasis) en daarna ook van filariasis. Vanaf die tijd hield hij een dagboek bij en wie het vergund was daarin te lezen, leerde hem kennen als een man die zijn leven en talenten en ook zijn middelen ter beschikking stelde van zijn Afrikaanse vrienden, in het bijzonder voor hun kinderen, zijn zogenaamde pleegkinderen. Tijdens zijn onderzoekingen woonde hij in een eenvoudige tent of een hut, bij voorkeur in of vlakbij het onderzoeksterrein, zonder enige luxe. Samen met ‘zijn collega’ de medicijnman behartigde hij tevens de primaire gezondheidszorg ter plaatse.

In 1963 werd Wijers vanuit het Koninklijk Instituut voor de Tropen benoemd als buitengewoon hoogleraar Medische Parasitologie aan de Universiteit van Amsterdam als opvolger van Nederlands beroemdste parasitoloog, prof.dr.N.H.Swellengrebel. Hij legde zich in het bijzonder toe op de bestudering van de epidemiologie van tropische, parasitaire ziekten, waarvoor hij elk jaar een groot aantal maanden in de tropen veldwerk verrichtte, meestal in Afrika. Slechts weinigen weten nog dat hij ook in Suriname veldonderzoek uitvoerde naar de transmissie van ‘bos-yaws’, een huidaandoening die veroorzaakt wordt door Leishmania-parasieten. De medewerkers van het Centraal Laboratorium in Paramaribo herinneren zich nog levendig hoe hij zijn ‘basiskamp’ opsloeg aan de rand van de rimboe en - anders dan alle andere onderzoekers - in een tent! Hij was een typische exponent van wat in vakkringen de ‘schoenzoolepidemiologie’ genoemd wordt, te onderscheiden van de ‘bureaustoelepidemiologie’. Dit tropenonderzoek, gecombineerd met het experimentele onderzoek in het Laboratorium voor Parasitologie in Amsterdam, voldeed uitstekend aan de eisen van maatschappelijke relevantie en ontwikkelingssamenwerking op academisch niveau zoals die in de roerige jaren zestig zo duidelijk naar voren gebracht werden.

Zijn colleges over parasitologie waren voor de studenten een belevenis: niet alleen wegens zijn tekentechniek (hij tekende met zijn linker hand en schreef met zijn rechter hand de bijbehorende teksten op het bord), maar ook door het enthousiasme waarmee hij van zijn ervaringen in de ‘bush’ wist te verhalen. Toen het Koninklijk Instituut voor de Tropen voor het medisch onderzoek in de tropen een dependance in Nairobi stichtte (het Medical Research Centre) en toen daarin ook een afdeling voor parasitologisch onderzoek werd ingericht, namen het tropenonderzoek in Afrika en de begeleiding van onderzoekers en studenten aldaar een steeds groter aandeel van zijn werktijd in beslag. Door zijn innemende persoonlijkheid en vooral door zijn enthousiasme wist hij zich van de medewerking en vriendschap van vele collega's en medewerkers te verzekeren. Dat blijkt ook uit het grote aantal medeauteurs van de vele artikelen die in die periode verschenen. Toen echter in de jaren zeventig de democratisering en de vergadercultuur aan de Nederlandse universiteiten een steeds grotere persoonlijke participatie van de hoogleraren eisten, bleek het steeds moeilijker voor hem om de Afrikaanse en Amsterdamse verplichtingen te combineren. Tenslotte besloot hij in 1973 de knoop door te hakken; hij koos definitief voor Afrika. Geregeld echter kwam hij voor familiebezoek terug naar Nederland. Die tijd gebruikte hij dan tevens om met vrienden en vroegere medewerkers de laatste ontwikkelingen in Kenia te bespreken. Na zijn ‘pensionering’ ging hij in Mambrui (een Afrikaans dorp) en daarna in Malindi wonen. Zijn huis was heel sober ingericht: zonder airco en zelfs zonder koelkast. De enige luxe die hij zich permitteerde, was een elektrische strijkbout. Hij bleef actief, vooral in het onderwijs aan zijn Keniaanse ‘pleegkinderen’. De Kenianen waardeerden hem zeer om deze levensstijl: ‘He is the one who knows how to live with the Africans.’ Vele honderden Afrikaanse vrienden omringden hem toen zijn lichaam, volgens zijn eigen wens, in Watamu in zijn laatste rustplaats werd gelegd. Hij laat in Kenia een grote groep vrienden na die veel aan hem te danken hebben en met wie hij als ‘pleegvader’ een zeer speciale relatie onderhield.

Gerelateerde artikelen

Reacties