Marokkanen en geneesmiddelen

Klinische praktijk
I. Wolffers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:725-7
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 740.

Inleiding

De Marokkanen vormen één van de vele immigrantengroepen. Door hun moslemachtergrond worden zij door veel Nederlanders als vreemden ervaren en de Marokkanen op hun beurt hebben problemen met de Nederlandse samenleving, onder andere met de gezondheidszorg. Daar komt nog bij dat de Noordafrikaanse cultuur ook een aantal zeer specifieke karaktertrekken vertoont. Een en ander kan tot communicatiestoornissen en conflicten leiden en voorlichting over en weer is dan ook noodzakelijk. Gelukkig zijn er enkele publikaties waarin geprobeerd wordt om artsen en andere werkers in de gezondheidszorg op de hoogte te brengen van gewoonten en ideeën van Marokkanen.1-4 Ook in dit tijdschrift is meerdere malen aandacht geschonken aan de Marokkaanse patiënt.5-11 Daarbij is helaas de nadruk komen te liggen bij een aantal ‘exotische aspecten’ van ziektegedrag bij Marokkanen. Met name de ‘bezetenheid’ is beschreven. Daardoor wordt het stereotiepe beeld van het ‘anders zijn’ van de Marokkaan benadrukt. Er zou wat meer aandacht geschonken kunnen worden aan de meer alledaagse kanten van de relatie tussen Marokkaanse patiënten en de Nederlandse gezondheidszorg. Wij weten bijvoorbeeld maar weinig van de manier waarop Marokkanen in Nederland omgaan met de traditionele huismiddeltjes die ze uit hun land van herkomst kennen. Wij weten evenmin hoe de allopathische geneesmiddelen die de Nederlandse arts hun voorschrijft ervaren en gebruikt worden. Wij weten wel dat Nederlandse artsen sneller dan bij hun Nederlandse patiënten aan Marokkanen een geneesmiddel voorschrijven,12 en dat er bij Marokkanen voorkeur bestaat voor injecties en capsules.13 Daarentegen weten wij weer niet met welke allopathische geneesmiddelen Marokkanen al vertrouwd waren. Dat Marokkanen vaak terugvallen op hun vertrouwde middelen lijkt zeker te zijn. Bij de meesten van hen zal men thuis huismiddeltjes aantreffen als ‘lebchoer’, kruiden die in een vuurpot gegooid worden en waarmee men zichzelf bewierookt, en ‘fasoech’, een zwart kleverig pasta dat onder andere gebruikt wordt om de ‘shoer’ (de betovering) te verbreken. Ook de fqih, de moslemse schriftgeleerde wordt regelmatig geraadpleegd bij ziekte, en in de grote steden van Nederland zijn er enkelen actief.

Medicijnen uit marokko

Omdat het bezoek aan Marokko een erg belangrijke rol speelt en de familiebanden zeer hecht zijn,14 vinden er ook nog regelmatig contacten plaats met traditionele genezers en moderne artsen in Marokko. Door consulten bij moderne artsen in Marokko komen de Marokkaanse patiënten in contact met het Marokkaanse geneesmiddelenpakket en met de Marokkaanse wijze van voorschrijven van medicijnen. Dat beïnvloedt de verwachtingen die zij hebben van allopathische geneesmiddelen en van wat een modern arts in Nederland ook zou moeten doen. De volgende ziektegeschiedenenis laat een en ander zien.

Ziektegeschiedenis

Patiënte A woont al 10 jaar in Nederland en spreekt onze taal redelijk goed. Tot drie jaar geleden werkte ze bij een schoonmaakbedrijf. Zij kreeg echter allerlei klachten en de internist meende dat er iets met haar hartklep mis was. Nog altijd slikt patiënte daarvoor dagelijks acenocoumarol (Sintrom 5) op advies van de Trombosedienst, maar het gebruik van digoxine (Lanoxin) werd al anderhalf jaar geleden gestaakt. Inmiddels hebben de keuringsartsen patiënte A weer voor 100 goedgekeurd. Zij voelt zich echter nog steeds niet gezond. Ze heeft hoofdpijn, maag- en darmklachten. Door de jaren heen heeft zij steeds geprobeerd toch een effectieve behandeling van haar klachten te vinden. Dat lukt in Nederland onvoldoende. Vorig jaar ging zij voor familiebezoek naar Marokko en ze besloot zich daar nog eens goed te laten onderzoeken door een cardioloog. Deze constateerde een keelontsteking en schreef wat geneesmiddelen voor, waardoor patiënte opknapte. Nauwelijks was zij terug in Nederland of de toestand werd volgens haar weer slechter. Ze bezocht haar internist met het verzoek de middelen voor te schrijven die haar ook in Marokko waren gegeven. Bij het consult bracht ze deze medicijnen of de verpakkingen ervan mee. Van de cardioloog in Rabat had zij de volgende medicijnen gekregen: 200 mg glafenine (Glifanan), 2 mg flunitrazepam (Rohypnol), vitamine B1 2 mg, vitamine B2 2 mg, vitamine B6 2 mg, vitamine B12 10 µg en 20 mg nicotinamide (Fosfostinal), 400 mg midecamycine (Midecacine), fenobarbital 0,05 mg en acetylsalicylzuur 0,25 mg (Pronoxan-suppositoria), codeïne 0,0125 mg, codethyline 0,0125 mg, sulfoguaiacol 0,10 mg, Grindelia-extract 0,02 mg, Erysimum-extract 0,01 mg en witte Marube-extract 0,03 mg (Neocodion), een multivitaminepreparaat met mineralen (Supradyn), kamfer 0,1 mg, mirte-essence 0,05 mg, eucalyptus-essence 0,06 mg en natriumthiofeencarboxylaat 0,285 mg (Trophires-suppositoria), aminofylline 50 mg, papaverinechloorhydraat 30 mg en fenobarbital 15 mg (Sedo-carena) en 500 mg tetracycline-chloorhydraat (Hostacycline 500). Bij het zien van de medicijnen die patiënte in Marokko had gekregen, begon de internist luid te lachen en haalde er enkele collegae bij, die in het plezier om deze medicatie deelden. Vervolgens werden alle medicijnen in de prullenbak gegooid, en werd driemaal daags 50 mg oxazepam (Seresta forte) voorgeschreven. Patiënte gebruikte reeds op advies van haar huisarts 0,1 mg lormetazepam (Noctamid). Verzuimd werd aan haar uit te leggen wat er met de Marokkaanse medicatie mis was en welke de voordelen van de nieuwe behandeling zouden zijn. Nog steeds is patiënte ervan overtuigd dat de behandeling van de cardioloog in Rabat haar kan genezen. Zij probeert de geneesmiddelen die haar toen werden voorgeschreven, weer te pakken te krijgen. De neerbuigende houding van de internist werd door patiënte ervaren als een belediging van de medici in Marokko, alsof die niet goed genoeg zouden zijn.

Deze ziektegeschiedenis laat iets zien van de conflictueuze situatie waarin Marokkanen zich wat betreft de behandeling met geneesmiddelen soms bevinden. Vennema waarschuwde al voor de medicijnen die Marokkanen van vakantie mee naar huis brengen.15 Vooral Marokkanen dragen soms vele ampullen streptomycine, co-trimoxazol (Bactrimel) en multivitaminepreparaten met zich mee.

Algemene achtergrond

Marokko is een derde-wereldland, hoewel de overheid in dit Noordafrikaanse land vaak anders suggereert. Een eenvoudig overzicht van de belangrijkste sociaal-economische factoren is te vinden in de tabel.

Uit deze tabel wordt duidelijk dat de gezondheidsindices, maar ook de infrastructuur van de gezondheidszorg typisch voor een derde-wereldland zijn. De geneesmiddelenvoorziening past in dit beeld. De publieke sector van de gezondheidszorg in Marokko is niet optimaal van kwaliteit en wordt daarom onvoldoende gebruikt. Er is daarnaast een sterk ontwikkelde private sector, die vooral in de steden te vinden is. Hoewel patiënten officieel een recept van een arts moeten tonen als zij bepaalde geneesmiddelen willen hebben, komt daar in de praktijk weinig van terecht. Het blijkt zelfs dat patiënten de kosten voor gezondheidszorg aanzienlijk kunnen beperken door direct naar de apotheek te gaan. Daar vraagt men om het middel dat de vorige keer ook geholpen heeft of om een advies van degenen die in de apotheek werken. Het gevolg is een relatief overgebruik van symptomatisch werkende allopathische geneesmiddelen en van antibiotica (op vaak onjuiste indicaties). Vanwege de beperkte financiële middelen is de Marokkaanse overheid niet in staat geweest degelijke nascholing voor praktizerende artsen te organiseren. Voor hun informatie zijn artsen vrijwel volledig aangewezen op de informatie van de producenten van geneesmiddelen. Deze laatsten hebben commercieel belang bij het verspreiden van informatie en kunnen het zich daarom veroorloven. De overheid is niet in staat om de geneesmiddelendistributie effectief te controleren en de commerciële activiteiten van de geneesmiddelenproducenten in de hand te houden. Regels die er zijn, kunnen niet toegepast worden door gebrek aan voldoende getraind personeel. Kortom, de geneesmiddelensituatie in Marokko verschilt niet wezenlijk van die in andere derde-wereldlanden. Daarom is extra zorg vereist van de artsen in de landen waar Marokkaanse emigranten terechtkomen. In die landen kunnen geheel onverwachte reacties plaatsvinden op medicijnen die reeds lang uit het geneesmiddelenpakket verdwenen zijn en die de arts daarom niet gemakkelijk herkent.

Conclusie

Marokkanen hebben over allopathische geneesmiddelen andere ideeën dan vele Nederlanders. Zij hebben er in Marokko op andere wijze mee kennisgemaakt en hebben daarom andere verwachtingen. Ze verwachten meer medicijnen en rekenen op een snelle, symptomatische behandeling. Injecties en capsules hebben naar de mening van Marokkaanse patiënten wat dat betreft meestal het meeste succes. Een en ander is ook beschreven voor Turkse patiënten. Ook zij zijn gewend aan het gebruik van veel geneesmiddelen, bij voorkeur spécialités, en vaak bezitten ze een uitgebreide huisapotheek.17

Veel Marokkaanse patiënten denken in heet-koud evenwicht, hetgeen niet als een temperatuurverschil moet worden gezien. De woorden zeggen iets over de activerende of remmende werking van voedsel. Dat verschil wordt soms ook bij geneesmiddelen gemaakt. Penicilline is in dat geval een ‘heet’ geneesmiddel en zal daarom werken tegen ‘koude’ ziekten. Een en ander werd al eerder in dit tijdschrift beschreven.11

Het is belangrijk dat artsen met hun Marokkaanse patiënten communiceren. Waar mogelijk, zullen ze moeten uitleggen wat er van de medicatie verwacht kan worden, zodat er zo min mogelijk misverstanden ontstaan. Men kan zeker niet volstaan met het hartelijk uitlachen van de patiënt die met een plastic zakje vol pillen en capsules komt. Het is ook belangrijk dat Nederlandse artsen wat meer op de hoogte zijn van de middelen die een Marokkaanse patiënt van zijn vakantie kan meebrengen. Een analyse van het Marokkaanse geneesmiddelenpakket is daarom zeker van belang. Daarbij moeten wij er niet van uitgaan dat we helemaal tevreden kunnen zijn met de situatie in eigen land. In 1985 wees Offerhaus er nog eens op dat er nog altijd medicijnen in Nederland kunnen worden voorgeschreven die in een land als het onze niet thuishoren.18 Het heeft immers ook erg lang geduurd aleer fenacetine uit het Nederlandse geneesmiddelenpakket verdween. Bescheidenheid blijft dus gepast.

Literatuur
  1. Shadid WAR, Koningsveld PS van. Minderheden, hulpverleningen gezondheidszorg. Assen: Van Gorcum, 1983.

  2. Kabela M, Meer PhJ van der. Ziek of niet ziek bijMarokkanen. Muiderberg: Coutinho, 1983.

  3. Bennani Jalil. Het sprekende lichaam. Weesp: HetWereldvenster, 1985.

  4. Hoolboom H (red). Gezondheidszorg en buitenlandsewerknemers. Alphen aan de Rijn: Stafleu, 1980.

  5. Colaço Belmonte JAF. Jnun, een vorm van katatonepsychose? Ned Tijdschr Geneeskd 1976;120: 1925-7.

  6. Meer PhJ van der. Psychische ziekten bij Marokkaansemigranten. Ned Tijdschr Geneeskd1978; 122: 1555-8.

  7. Kabela M. Psychische ziekten bij Marokkaanse migranten.Ned Tijdschr Geneeskd 1980; 124:205-6.

  8. Mol M van. Een poging tot classificatie van ziekte bijMarokkaanse gastarbeiders. NedTijdschr Geneeskd 1980; 124: 1162-5.

  9. Limburg-Okken AG, Limburg JJM. De betekenis vansomatiseren bij Marokkaanse patiënten.Ned Tijdschr Geneeskd 1982; 126:892-5.

  10. Dingen BWAM, Sieval ZM. Turkse en Marokkaanse vrouwen inde verloskundige praktijk. NedTijdschr Geneeskd 1982; 126: 1959-62.

  11. Wolffers I. Profetische geneeskunde.Ned Tijdschr Geneeskd 1984; 128:964-7.

  12. Sieval ZM. De vrouwelijke patiënt. In: Hoolboom H(red). Gezondheidszorg en buitenlandse werknemers. Turken en Marokkanen.Alphen aan de Rijn: Stafleu, 1980.

  13. Buro Voorlichting Gezondheidszorg Buitenlanders. Debuitenlandse patiënt. Bunnik: 1981; 43.

  14. Berg-Eldering L van den. Marokkaanse gezinnen inNederland. Alphen aan de Rijn: 1978.

  15. Vennema W. Ervaringen van een Amsterdams huisarts. In:Hoolboom H Gezondheidszorg en buitenlandse werknemers. Alphen aan de Rijn:Stafleu, 1980; 134.

  16. World Development Report 1984. Published for the WorldBank by Oxford University Press, 1984.

  17. Timocin MO. De Islam. In: Hoolboom H (red).Gezondheidszorg en buitenlandse werknemers. Alphen aan de Rijn: Stafleu,1980.

  18. Offerhaus L. Novae en andere ongerechtigheden in defarmacotherapie. Ned Tijdschr Geneeskd1984; 128: 26-30.

Auteursinformatie

I.Wolffers, Middellaan 11, 3721 PG Bilthoven.

Gerelateerde artikelen

Reacties