Manie: kliniek, oorzaak en behandeling
Open

Stand van zaken
06-05-1994
A. Honig en H.M. van Praag

Een patiënt, die sinds 2 jaar staat ingeschreven in uw praktijk en met wie u tot op heden nog geen contact hebt gehad, bezoekt uw spreekuur. Hij vertelt u op een amicale manier dat het nu toch tijd is om elkaar persoonlijk te leren kennen. Om dit kracht bij te zetten tutoyeert hij u, noemt u bij de voornaam en vertelt u eigenlijk een collega te zijn, ook al beschikt hij niet over de noodzakelijke papieren. Hij spreekt u aan over de manco's in de medische praktijkvoering in het algemeen en die van uw praktijk in het bijzonder. Vervolgens geeft hij u ongevraagd advies met een verward verhaal over computers.

Bij een observator roept dit als (hypo)manisch te omschrijven gedrag een gevoel van hilariteit op, althans in eerste instantie. Dit gevoel ontstaat enerzijds door de neiging van de patiënt de persoonlijke grenzen van de observator te overschrijden en anderzijds als gevolg van de context waarin dit gedrag optreedt.

MANIE

De kern van het manische syndroom is een expansieve, opgewonden stemming gepaard gaande met lichamelijke en geestelijke overactiviteit. Tijdens een manie kan het affect labiel zijn en snel wisselen tussen boosheid, prikkelbaarheid, euforie, agressiviteit, somberheid, expansiviteit en opgewektheid of soms combinaties hiervan.1

Manie is daarmee de tegenhanger van de depressieve toestandsbeelden, waarbij stemmingsdaling, geremdheid en affectstijfheid op de voorgrond staan; manie wordt dan ook gerekend tot de stemmingsstoornissen. Dit zijn ziektebeelden waarbij stemmingen dan wel stemmingswisselingen optreden, die door de onderzoeker en door familieleden niet meer ervaren worden als passend bij de situatie waarin de betreffende persoon zich bevindt. Voor wat betreft manie is dit vaak in tegenstelling tot de mening van de patiënt zelf.

Manie openbaart zich niet alleen in een verstoord gemoedsleven, maar ook in stoornissen in het denken, de waarneming, de motoriek en veelvuldig in een gestoord ziektebesef. Voorts zijn er vitale kenmerken te onderscheiden. Deze stoornissen worden nu afzonderlijk besproken.

STOORNISSEN IN HET DENKEN EN IN DE WAARNEMING

De mentale overactiviteit bij manie uit zich in een stoornis waarbij het denken versneld is en vaak sterk associatief. De patiënt kan zich slecht concentreren, is daardoor sneller afleidbaar en kan zich moeilijk tot één onderwerp beperken. Hoofd- en bijzaak worden dan niet meer onderscheiden. Het denken kan zo snel gaan dat een gedachtengang niet meer wordt afgemaakt. De patiënt springt van de hak op de tak en er zit soms nauwelijks meer lijn en coherentie in de uitgesproken gedachten. De inhoud van het denken in een manische fase kan op zichzelf waardevol en creatief zijn, maar deze kwaliteiten worden door de vorm ervan vaak tenietgedaan.

Bij ernstige vormen van manie kunnen psychotische verschijnselen optreden, met name hallucinaties en wanen. De psychotische verschijnselen zijn over het algemeen in overeenstemming met de grondstemming van de patiënt (ze zijn stemmingscongruent). Zo kan iemand in een psychotische, manische periode de stem van God horen, die hem mededeelt dat hij een uitverkorene is en voorbestemd om de wereld te redden (auditieve hallucinatie). De patiënt kan er tevens van overtuigd zijn speciale gaven te hebben en over uitzonderlijke kennis te beschikken om dit doel (de wereld redden) te bereiken (grootheidswanen).

Psychotische verschijnselen treden vooral op bij patiënten die hun eerste ziekteperiode op jeugdige leeftijd doormaakten.‘ Bij patiënten, opgenomen in een manische fase worden in 47 van de gevallen psychotische symptomen gevonden.

VITALE KENMERKEN

Evenals bij sommige typen van depressie,2 kunnen bij de manie vitale verschijnselen vóórkomen. Onder deze categorie vallen: sterk vermeerderde energie, met verhoogd initiatiefniveau en motorische onrust; verminderde slaapbehoefte, soms zelfs vrijwel algehele slapeloosheid; vermeerderde eetlust, gekoppeld aan gewichtsverlies door overactiviteit en toegenomen libido, vaak gepaard gaande met (inadequaat) toenaderingsgedrag waardoor vervreemding van de familie optreedt en uiteindelijk zelfs uitstoting dreigt.

MOTORIEK EN GEDRAG

Meer en luider spreken, soms in lange monologen, zijn kenmerkend voor de manische patiënt. Het expansieve denken wordt dikwijls omgezet in expansief handelen en dominant imponeergedrag. Betrokkenheid bij zaken of personen verwordt tot bemoeizucht. Grootheidsgevoelens kunnen leiden tot zonderling gedrag.

Bewegingsdrang kan optreden, waarbij 's ochtends vroeg al luidruchtig huishoudelijk werk wordt verricht en de patiënt tot diep in de nacht fanatiek met allerhande activiteiten bezig is, soms leidend tot totale lichamelijke uitputting. Vaak wordt overmatige behoeftebevrediging nagestreefd, wat zich kan uiten in koopzucht (en in schulden), het afsluiten van ondoordachte zakelijke transacties; seksuele ontremming, waarvan later vaak schuld en schaamtegevoelens het gevolg zijn; alcoholmisbruik, waardoor ontslag van werk kan volgen of burenruzies kunnen ontstaan.

ZIEKTEBESEF

De patiënt is zich in meer gevorderde stadia van de manie, in tegenstelling tot het bewustzijn in de aanloopfase, niet meer bewust dat er iets mis is. Problemen met de buitenwereld worden door de patiënt toegeschreven aan die buitenwereld. Gevoel of besef van ziekte is in een dergelijke toestand dan ook vaak afwezig, waardoor eventuele opname in een psychiatrisch ziekenhuis vaak op gedwongen basis moet plaatsvinden. De patiënt voelt zich in een manische episode meestal goed en kan, nadat de manische fase in remissie is gegaan, intens terugverlangen naar de eerdere geëxalteerde gemoedstoestand.

HYPOMANIE EN MANIE

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de lichte vorm van manie, ook wel hypomanie genoemd en de ernstige vorm, de eigenlijke manie. In Nederland wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de officiële Amerikaanse nomenclatuur, vervat in de Diagnostic and statistical manual of mental disorders, 3e herziene druk, de DSM-III-R.3 Volgens dit systeem wordt een hypomane fase gedefinieerd als een duidelijke herkenbare periode met een abnormale en bij voortduring uitgelaten, expansieve of geprikkelde stemming, overdreven gevoel van eigenwaarde, versnelde gedachtengang, vergrote afleidbaarheid en met de genoemde vitale kenmerken, hetgeen echter niet leidt tot verminderd functioneren.

Bij de manische fase zijn deze symptomen zo ernstig dat ernstige tekortkomingen in het dagelijks functioneren optreden en opname in een ziekenhuis noodzakelijk wordt. Het lijkt ons niet zinvol de manische fase aan de hand van hulpverleningsgedrag (dat is: al dan niet opname) te definiëren. Beter is de definitie als die vorm van manie die gepaard gaat met psychotische fenomenen, in tegenstelling tot de hypomanie, waarbij er geen sprake is van wanen of hallucinaties. In het nu volgende wordt deze laatste indeling aangehouden.

In dit artikel wordt (recidiverende) manie besproken als onderdeel van de groep van manisch-depressieve syndromen (tabel). De andere ziektebeelden binnen deze groep worden alleen kort genoemd.

MANISCH-DEPRESSIEVE SYNDROMEN

Kenmerkend voor deze syndromen is het cyclische verloop. Met cyclisch wordt bedoeld dat er sprake is van een gezond leven met ‘uitgeponste’ perioden van manie of depressie. Met andere woorden: ziekteperioden worden afgewisseld met perioden waarin stemming en gedrag zich min of meer normaliseren. De symptoomvrije intervallen worden met het voortschrijden van de ziekte vaak korter en de ziekteperioden frequenter.

Naarmate de ziekteperioden langer worden en de gezonde tussenfasen korter, kunnen ook tijdens de remissies symptomen blijven bestaan, hetzij van hypomane, hetzij van subdepressieve aard. Hierdoor lijden werkprestaties, sociaal en intellectueel functioneren en kunnen relaties met direct betrokkenen zoals de partner (verder) verstoord raken; met andere woorden: het recidiverende karakter kan leiden tot een chronisch invaliderend verloop.1

In de tabel staat welke syndromen tot de manischdepressieve groep kunnen worden gerekend. Leonhard maakte in 1959 voor het eerst onderscheid tussen ziektebeelden waarbij naast depressieve ook één of meer manische fasen voorkomen en beelden met alleen depressieve episoden. In het laatste geval spreekt men van een unipolaire stoornis. Zijn er zowel manische als depressieve fasen of alleen manische fasen, dan spreekt men van een bipolaire stoornis.

Behalve deze primaire of endogene manisch-depressieve syndromen wordt een secundaire vorm onderscheiden, samenhangend met een verworven lichamelijke ziekte. Ook is er een duidelijke klinische relatie vastgesteld tussen de manisch-depressieve groep van stoornissen enerzijds en cyclothymie en schizoaffectieve psychose anderzijds.

BIPOLAIRE STOORNIS

De zuivere manie, dat wil zeggen een ziektevorm met alleen recidiverende manische perioden, wordt gerekend tot de bipolaire stoornissen en is betrekkelijk zeldzaam. Ze vormt maar 5-9 van de verschillende uitingsvormen van het manisch-depressief syndroom.3 Van de patiënten die een manische fase doormaken krijgt 80 een recidief. Unipolaire stoornissen (alleen depressieve episoden) ontwikkelen zich op den duur in ongeveer 10-20 tot een bipolaire stoornis.

De prevalentie van bipolaire stoornissen in de bevolking ligt rond de 1, met een nagenoeg gelijke verdeling tussen mannen en vrouwen.1 Daarmee zijn bipolaire stoornissen relatief veel voorkomende psychiatrische ziektebeelden. De aandoening openbaart zich in veel gevallen tussen het 20e en het 30e jaar. Bij patiënten met een bipolaire stoornis is er een vergrote kans op een positieve familieanamnese voor affectieve stoornissen. Manisch-depressieve-ziektebeelden openbaren zich binnen één familie vaak in verschillende vormen. Zo kan bij de vader de diagnose ‘bipolaire stoornis’ gesteld zijn, bij een dochter ‘unipolaire depressie’ en bij een zoon ‘cyclothymie’. Als een ouder een bipolaire stoornis heeft, is de kans dat een kind ook een stoornis heeft 10.

In het algemeen kan gesteld worden dat de bipolaire vorm van het manisch-depressieve ziektebeeld een ongunstiger beloop heeft dan de unipolaire vorm.4 In vergelijking met de algehele bevolking is de kans op suïcide en de sterfte bij patiënten met een bipolaire stoornis aanzienlijk vergroot. De toename van de sterfte hangt niet alleen samen met een grotere suïcidekans maar ook met meer overlijden door cardiovasculaire stoornissen.

CYCLOTHYMIE

Cyclothymie is gekenmerkt door talrijke korte perioden, gewoonlijk niet langer dan enige dagen, met kenmerken van een depressieve dan wel van een hypomane fase. Cyclothymie openbaart zich meestal rond het 20e levensjaar en komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Cyclothymie is vermoedelijk een variant van het manisch-depressief syndroom. Het is lange tijd beschouwd als een vorm van neurose, mogelijk omdat dergelijke patiënten door de naaste omgeving vaker worden ervaren als onevenwichtige, overgevoelige en explosieve persoonlijkheden.1 In een depressieve fase kunnen zij daarbij apathisch en onproduktief zijn, terwijl in een hypomane fase hun creativiteit toeneemt en zij veel contacten met anderen zoeken, soms ook op seksueel gebied. Episodische promiscuiteit en buitenechtelijke relaties komen in deze groep veelvuldig voor. De patiënten zelf zijn zich meestal niet of onvolledig bewust van het cyclische verloop van hun gedragsproblemen.

Cyclothymie wordt frequenter gezien bij bloedverwanten van patiënten bekend wegens een manisch-depressief syndroom en ontwikkelt zich in een derde van de gevallen tot een bipolaire stoornis. De psychofarmacologische behandeling is overkomstig die van het manisch-depressief syndroom en heeft vergelijkbare resultaten.

SCHIZOAFFECTIEVE PSYCHOSE

In de indeling van de psychosen door Emil Kraepelin in 1921 werd een onderscheid gemaakt tussen schizofrene psychosen en manisch-depressieve psychosen; het is gebleken dat dit te schematisch is. Sommige psychotische ziektebeelden kunnen kenmerken van beide psychosen in zich dragen. De zogeheten schizoaffectieve psychose wordt gekenmerkt door het gelijktijdig optreden van symptomen van een gestoorde stemming, manisch dan wel depressief, en van stemmingscongruente alsook stemmingsincongruente psychotische symptomen.

Deze psychose wordt verder gekenmerkt door een plotseling begin, dikwijls naar aanleiding van een psychotraumatische gebeurtenis. Tussen de ziekte-episoden treedt gewoonlijk herstel op van de oorspronkelijke persoonlijkheid en het daarbij behorende gedrag.1

Vooral de schizoaffectieve stoornis met manische verschijnselen lijkt gezien het overervingspatroon nauw verwant aan bipolaire stoornis, de depressieve variant van de schizoaffectieve stoornis is vermoedelijk meer verwant aan schizofrenie. De prevalentie van deze stoornis zou ongeveer gelijk zijn aan die van de bipolaire stoornissen. De prognose schommelt tussen die van schizofrenie en die van de bipolaire stoornissen.

SECUNDAIRE MANIE

Een secundaire manie, of organisch stemmingssyndroom, is een ziektebeeld dat kan optreden in het verloop van vele vaak ernstige lichamelijke ziekten of intoxicaties. Een dergelijk organisch stemmingssyndroom kan samenhangen met medicatiegebruik (met name bij polyfarmacie), infectieziekten, anemie of andere interne ziekten, maar ook met neurologische ziekten, zoals postencefalitische stoornissen, en verder met misbruik van genotmiddelen zoals amfetamine of ‘crack’.

Secundaire manie vertoont dezelfde verschijningsvorm als andere manische uitingsvormen. Zijn er tevens tekenen van verwardheid, dan dient de diagnose ‘delirium’ overwogen te worden. Secundaire manie treedt in vergelijking met primaire op gemiddeld hogere leeftijd voor het eerst op, namelijk rond het 40e jaar. De diagnose wordt bij 5-10 van bejaarde psychiatrische patiënten gesteld en het is daarmee een relatief veel voorkomende ziekte in deze levensfase.5 Erfelijke factoren in families van deze patiënten spelen een minder grote rol dan bij andere affectieve stoornissen.

Wanneer de eerste manische periode relatief laat in het leven optreedt en de familieanamnese blanco is, moet een organisch stemmingssyndroom overwogen worden en dient nadrukkelijk gezocht te worden naar een somatische aandoening.

Een tegenwoordig relatief vaak voorkomende oorzaak van secundaire manie, die op jongere leeftijd optreedt, is een HIV-infectie of beginnende AIDS. Gemiddeld 8 van dergelijke patiënten maken een manische periode door, vaak gepaard gaande met dementeringsverschijnselen.

PATHOGENESE VAN MANIE

Het complex van cerebrale functiestoornissen dat stemmingsstoornissen en in het bijzonder manie genereert, is niet bekend. Bij de unipolaire depressieve stoornissen wordt een centrale rol toegekend aan bepaalde neurotransmittersystemen in cerebro, met name aan de monoaminerge systemen. Met behulp van onderzoek van de liquor cerebrospinalis en de toepassing van belastingstests met mono-amine-oxidase (MAO)-agonisten of -antagonisten, zijn bij sommige typen depressies stoornissen in het functioneren van de centrale MAO-systemen vastgesteld.

Er zijn aanwijzingen, maar er bestaat allerminst zekerheid over, dat deze stoornissen verband houden niet zozeer met het depressieve syndroom als zodanig, maar met componenten van dit syndroom.6 Stoornissen in het door serotonine (5-hydroxytryptamine) gestuurde systeem zouden samenhangen met dysregulatie van angst en agressie, stoornissen in het door dopamine gestuurde systeem met verminderd initiatief en motoriek en stoornissen in het noradrenalinesysteem mogelijk met de hedonische stoornissen. Zoals gezegd, is het niet bekend of bij de manie (mogelijk spiegelbeeldige) monoaminerge stoornissen vóórkomen.4

ETIOLOGIE

De factoren die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de cerebrale functiestoornissen die ten grondslag liggen aan de manische fenomenen, noemen wij de etiologische factoren. Zoals van vrijwel alle psychiatrische aandoeningen is ook van de manie de etiologie complex. Genetische predispositie speelt zonder twijfel een belangrijke rol. Er is een onweerlegbare, hoewel heterogene erfelijke component aangetoond. Het overervingspatroon is tot op heden niet opgehelderd.

Psychosociale stressoren, de levensgebeurtenissen (zogenaamde ‘life-events’), spelen voorts een belangrijke etiologische rol. De manie wordt vaak uitgelokt door psychisch schokkende gebeurtenissen. Dit geldt vooral voor de eerste fasen.7 Naarmate het aantal manische decompensaties groter wordt, ontstaan de fasen vaak steeds meer ‘spontaan’.

Somatische ziekten kunnen ook een etiologische rol spelen. Klinisch is er al geruime tijd een relatie gelegd tussen schildklierdysfuncties en affectieve stoornissen, waarbij hypothyreoïdie met name samenhangt met depressie of een ziekteverloop van snel wisselende stemmingsschommelingen (zogenaamde ‘rapid cycling’), en hyperthyreoïdie met manie. Voorts bestaat er een relatie tussen de ziekte van Cushing en manie,1 en tussen manie en zwangerschap. Ook laesies in de orbitofrontale cortex, de nucleus caudatus en het rechter deel van de thalamus kunnen een manie genereren.

Ten slotte noemen wij de mogelijke etiologische rol van veranderingen in biologische ritmen. Zo kunnen een nacht doorwaken, ‘jet lag’ en nachtdienst, een luxerend effect ten aanzien van stemmingsstoornissen hebben.8

MEDICAMENTEUZE BEHANDELING VAN (HYPO)MANIE

Bij een hypomane (niet-psychotische) fase kan worden volstaan met het (opnieuw) voorschrijven van lithiumcarbonaat, eventueel ondersteund door sederende medicatie voor de nacht ter bevordering van het herstel van het slaap-waakmechanisme. Hierbij verdient een wat langer werkend sederend middel de voorkeur, bijvoorbeeld een benzodiazepine zoals oxazepam of een sederend en weinig antipsychotisch neurolepticum zoals thioridazine.1

Bij een acute manische (psychotische) fase is het van belang allereerst de psychose en de heftige ontremdheid te bestrijden met een sederend antipsychoticum zoals haloperidol of zuclopentixol. Sommige van deze middelen kunnen eventueel intramusculair als snel werkend preparaat worden toegediend, of als langdurend werkend (depot)middel worden gegeven. In uiterste gevallen kan elektroconvulsie overwogen worden. In een wat later stadium kan lithiumcarbonaat als comedicatie worden gegeven mede ter voorkoming van een depressieve omslag. Bij verbetering van het toestandsbeeld kan het antipsychoticum geleidelijk afgebouwd worden.1

Manie herhaalt zich helaas vaak meerdere malen in één leven. Bij de acute behandeling van een manie wordt nogal eens verzuimd te vragen naar en gebruik te maken van behandelingservaringen bij eerdere manische decompensaties. Onnodig leed en tijdverlies kunnen door zo'n navraag voorkomen worden.

Voor het klinisch dan wel ambulant behandelen van een patiënt zijn niet alleen het toestandsbeeld en het gedrag van patiënt van doorslaggevende betekenis, maar zeker ook de mate van uitputting van het sociale systeem rondom de patiënt.

Een snel en adequaat ingrijpen kan ernstige sociale en maatschappelijke gevolgen zoals uitstoting uit de leefgroep ten gevolge van het manisch ontremde gedrag voorkómen en daarmee een aanleiding wegnemen voor het optreden van een depressie in aansluiting op de manie.

MEDICAMENTEN TER PREVENTIE VAN EEN RECIDIEF-(HYPO)MANIE

Afhankelijk van een aantal factoren zoals leeftijd, familiaire belasting, aanleiding tot de manie, gevolgen van de manie voor het dagelijks leven en medewerking van de patiënt, kan na meerdere manische fasen besloten worden om preventief lithiumcarbonaat te geven. Lithiumcarbonaat heeft in ongeveer twee derde van de gevallen een duidelijk preventief effect;4 dit wil zeggen dat het aantal ziekteperioden gemiddeld met de helft verminderd wordt. Bovendien zijn eventueel toch optredende ziekteperioden vaak minder ernstig en van kortere duur, waardoor het sociaal maatschappelijk functioneren minder wordt ontwricht. Het effect van lithiumprofylaxe op de sterfte varieert van geen effect tot een vermindering van de sterfte in de richting van die van de gemiddelde populatie. Bij onvoldoende effect of intolerantie voor lithiumcarbonaat is het anti-epilepticum carbamazepine een bruikbaar alternatief. Een tweede anti-epilepticum, valproïnezuur, is voor dit doel gebruikt, maar de ervaringen met dit middel zijn nog beperkt. Als derde keus kan ter preventie van recidiverende manie gekozen worden voor een onderhoudsdosering van een antipsychoticum, bij voorkeur in depotvorm. Bij elkaar snel opvolgende ziekteperioden (rapid cycling) is lithiumcarbonaat minder werkzaam, maar zijn goede resultaten beschreven van carbamazepine en valproïnezuur.1 Op de lange duur kan lithiumcarbonaat gewichtstoename en een te traag werkende schildklier tot gevolg hebben en kan ten gevolge van langdurig neuroleptica-gebruik tardieve dyskinesie ontstaan.

PSYCHOSOCIALE BEHANDELING VAN MANIE

Behalve medicamenteuze profylaxe is vooral de verhouding van de patiënt met zijn directe omgeving van grote invloed op het beloop van de ziekte. Bij de bipolaire vorm van het manisch-depressieve syndroom treedt dikwijls een aanzienlijke verarming van de kwaliteit van sociale contacten op, die groter wordt naarmate de ziekte langer duurt en er meer decompensaties zijn.

Een overbezorgde en (of) overkritische houding van de direct betrokkenen blijkt significant samen te hangen met meer decompensaties en een hogere opnamefrequentie.9 Dit is niet specifiek voor manie, maar geldt voor meerdere chronisch verlopende psychiatrische ziekten, zoals schizofrenie en depressie, maar ook voor somatische ziekten zoals diabetes mellitus. Voorlichting over manisch-depressieve syndromen aan zowel patiënten als partners dan wel familieleden en het leren herkennen van en omgaan met vroege signalen van een recidief,10 kunnen effectieve manieren zijn om de houding van patiënt en zijn omgeving ten opzichte van de ziekte en daarmee ook hun onderlinge verhouding in positieve zin te veranderen.

Een beloop dat gekenmerkt wordt door snel opvolgende heftige ziekteperioden kan zijn sporen nalaten in het zelfvertrouwen van de patiënt en het geloof in eigen kunnen. Cognitieve psychotherapie heeft met name bij recidiverende depressies bewezen het beloop positief te kunnen beïnvloeden. Het aanleren van ‘coping’-strategieën en het vergroten van probleemoplossende vaardigheden zijn belangrijke ingrediënten van deze vorm van psychotherapie. Er is alle reden om aan te nemen dat deze vorm van behandeling ook vruchtbaar kan zijn bij manie. Systematische ervaringen hiermee zijn echter niet beschreven.

CONTINUÏTEIT VAN ZORG

Behalve deze specifieke behandelaspecten zoals voorlichting, het leren omgaan met de ziekte en psychotherapeutische interventies is er ook een aantal belangrijke niet-specifieke behandelaspecten, met name de continuïteit van de zorg en de afstemming van de zorg op de individuele patiënt (zogenaamd ‘therapeutisch case-management’),11 begrippen uit de chronische en rehabilitatiepsychiatrie.

Manie is een chronisch recidiverend ziektebeeld dat gepaard gaat met ernstige psychiatrische verschijnselen, maar ook met belangrijke sociale en maatschappelijke problemen en handicaps. Continuïteit van zorg houdt in dat over lange tijd en onafhankelijk van de setting (klinische dan wel ambulante hulpverlening) één en dezelfde hulpverlener contact met de patiënt houdt en als casemanager de zorg (medicamenteus, psychotherapeutisch en sociaal-maatschappelijk) voor de patiënt coördineert. Vaak zijn dit sociaal-psychiatrische verpleegkundigen die werken onder directe supervisie van een psychiater.

Voordeel van een dergelijke benadering is dat kennis, opgedaan tijdens eerdere decompensaties, niet verloren gaat en dat de vele soorten specifieke zorg goed op elkaar afgestemd blijven, zodat er vertrouwen wordt opgebouwd tussen patiënt en hulpverlener. Dit type zorg kan de therapeutische en profylactische effectiviteit van de behandeling op een traditionele lithiumpolikliniek belangrijk potentiëren.

CONCLUSIE

De (primaire) manie behoort thuis in de groep van manisch depressieve ziektebeelden. Het is een toestand, gekenmerkt door een opgewonden, wisselend eufore, prikkelbare stemming, vitale kenmerken, stoornissen in het denken, de waarneming en de motoriek, bij vaak gebrekkig ziekte-inzicht van de patiënt. Over de pathogenese is nog weinig bekend. De etiologie is complex en vermoedelijk spelen zowel genetische, verworven somatische factoren, alsook psychosociale stressoren en verstoring van biologische ritmen een rol.

Manie is een chronisch recidiverende ziekte, die vaak tot ernstige maatschappelijke, relationele en persoonlijke ontregeling leidt en daarmee het ontstaan van secundaire handicaps bevordert. De effectiefste behandeling bestaat uit een combinatie van medicamenten, psycho-educatie, psychosociale hulpverlening en ondersteunende psychotherapie. Bij de huidige routinematige psychiatrische behandeling ligt er te veel nadruk op medicamenteuze behandelaspecten met te optimistische therapeutische verwachtingen van uitsluitend lithiumcarbonaat en andere profylactische medicamenten.

Sociale en maatschappelijke interventie en rehabilitatieprogramma's, inclusief psycho-educatie, zijn al jarenlang routine-onderdeel van de behandeling van andere chronische ziektebeelden, zowel binnen de psychiatrie (schizofrenie) als daarbuiten (diabetes mellitus). Deze benadering komt bij de manisch-depressieve syndromen slechts moeizaam van de grond. Mogelijk dat de belangenvereniging van patiënten en familieleden van manisch-depressieven, georganiseerd binnen de Nederlandse Stichting voor Manisch Depressieven, in dit verband een impuls ten goede kan geven.

Literatuur

  1. Goodwin FK, Jamison KR, eds. Manic depressive illness. NewYork: Oxford University Press, 1990.

  2. Praag HM van. Het diagnostiseren van depressies.Ned Tijdschr Geneeskd 1976; 120:2274-81.

  3. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders, 3rd ed. Revised version. WashingtonDC: APA, 1987.

  4. Belmaker RH, Praag HM van, eds. Mania. New York: Spectrum,1980.

  5. Young RC, Klerman GL. Mania in late life: focus on age atonset. Am J Psychiatry 1992; 149: 867-76.

  6. Praag HM van, Asnis GM, Kahn RS, et al. Monoamines andabnormal behaviour. A multi-aminergic perspective. Br J Psychiatry 1990; 157:723-34.

  7. Harrow M, Goldberg JF, Grossman LS, Meltzer HY. Outcome inmanic disorders. Arch Gen Psychiatry 1990; 47: 665-71.

  8. Silverstone T, Romans-Clarkson G. Bipolar affectivedisorder: causes and prevention of relapse. Br J Psychiatry 1989; 154:321-35.

  9. Miklowitz DJ, Goldstein MJ, Nuechterlein KH, et al. Thefamily and the course of recent onset mania. In: Hahlweg K, Goldstein MJ,eds. Understanding of major mental disorder. The contribution of familyinteraction research. New York: Family Process Press, 1987:195-211.

  10. Hofman A, Honig A, Vossen M. Het manisch depressiefsyndroom; psycho-educatie als onderdeel van behandeling. Tijdschrift voorPsychiatrie 1992; 34: 549-58.

  11. Beek H van de, Lieshout P van. De waarde vancase-management voor de Nederlandse psychiatrie. Tijdschrift voor Psychiatrie1992; 34: 365-73.