Langdurige behandeling met inhalatiesteroïden heeft gunstig effect bij matig ernstige COPD*

Onderzoek
Jiska B. Snoeck-Stroband
Thérèse S. Lapperre
Margot M.E. Gosman
H. Marike Boezen
Nick H.T. ten Hacken
Jaap K. Sont
Pieter S. Hiemstra
Wim Timens
Peter J. Sterk
Dirkje S. Postma
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A2365
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

De effecten bepalen van een langdurige behandeling met inhalatiesteroïden, met en zonder langwerkende β2-agonisten, op luchtwegontsteking en longfunctie bij COPD.

Opzet

Gerandomiseerd, placebogecontroleerd onderzoek in 2 Nederlandse centra (http://clinicaltrials.gov/ct2/show/NCT00158847).

Methode

114 steroïdnaïeve patiënten met matig tot ernstig COPD (rokers en ex-rokers) werden dubbelblind behandeld met: fluticasonpropionaat 500 μg 2 dd gedurende 6 (n = 31) of 30 maanden (n = 26), of met fluticasonpropionaat 500 μg 2 dd en salmeterol 50 μg 2 dd gedurende 30 maanden (n = 28), of met placebo 2 dd (n = 29). Celtellingen in bronchiale biopten en geïnduceerd sputum dienden als primair resultaat. Luchtweghyperreactiviteit werd gemeten voor randomisatie, na 6 en 30 maanden; klinische parameters werden elke 3 maanden bepaald.

Resultaten

101 Patiënten waren meer dan 70% therapietrouw. Na 6 maanden fluticasongebruik was het aantal lymfocyten (CD3+, CD4+ en CD8+) en mestcellen in de luchtwegwand verminderd (allen p < 0,005) en de hyperreactiviteit verbeterd (p < 0,05) ten opzichte van placebo. Deze effecten bleven behouden na 30 maanden. Langdurige behandeling met fluticason gedurende 30 maanden verminderde het aantal mestcellen en verhoogde het percentage intact epitheel in de bronchusbiopten. In het sputum verminderde het aantal neutrofielen, macrofagen en lymfocyten. Deze veranderingen gingen gepaard met een verminderde achteruitgang van de longfunctie en een verbetering van de kortademigheid en de kwaliteit van leven. Na staken van fluticasongebruik na 6 maanden verhoogde het aantal CD3+-cellen, mestcellen en plasmacellen significant en verslechterde het klinische resultaat. Toevoeging van salmeterol aan de behandeling verbeterde het niveau van het geforceerde expiratoire 1-secondevolume (FEV1).

Conclusie

Behandeling met inhalatiecorticosteroïden kan de luchtwegontsteking en de versnelde afname van de longfunctie verminderen bij steroïdnaïeve patiënten met matig tot ernstig COPD. Het toevoegen van langwerkende β2-agonisten versterkte deze effecten niet.

artikel

Inleiding

Kortdurende behandeling met inhalatiecorticosteroïden (ICS) heeft gunstige effecten bij chronische obstructieve longziekte (COPD). De effecten van langdurige ICS-behandeling zijn echter nog onduidelijk.

Kortdurende behandeling met inhalatiecorticosteroïden (ICS) heeft gunstige effecten bij chronische obstructieve longziekte (COPD). De effecten van langdurige ICS-behandeling zijn echter nog onduidelijk.

COPD wordt gekenmerkt door een progressieve afname van longfunctie gecombineerd met luchtwegklachten en verslechtering van de gezondheidsstatus.1 De aandoening wordt in verband gebracht met ontsteking in de luchtwegwand.2-4

De huidige richtlijnen adviseren om patiënten met ernstige COPD en frequent optredende exacerbaties te behandelen met ICS in combinatie met langwerkende β2-agonisten (LABA’s).1 ICS-behandeling leidt tot verbetering van symptomen, vermindering van exacerbatiefrequentie en tot initiële verbetering van longfunctie.5-8 Bij staken van ICS-behandeling verslechtert het klinisch beeld.9 Indien de behandeling bestaat uit een combinatie van ICS en een LABA verbetert het klinisch beeld meer dan bij behandeling met ICS alleen.10,11

Een recent onderzoek suggereert dat langdurige behandeling met ICS of LABA de progressieve afname van het geforceerde expiratoire 1-secondevolume (FEV1) kan remmen bij COPD.12 Dit is in tegenstelling tot eerdere onderzoeken, waaruit bleek dat langdurige behandeling met ICS of LABA bij COPD geen effect had op de afname van FEV1.13-16

De klinische effecten van ICS- en LABA-behandeling bij COPD kunnen gedeeltelijk berusten op anti-inflammatoire werking. Behandeling met ICS gedurende 2-3 maanden verminderde het aantal mestcellen, maar niet het aantal CD8+-cellen, neutrofielen of macrofagen in bronchusbiopten.17,18 Combinatiebehandeling met ICS en LABA gedurende 3 maanden gaf meer anti-inflammatoire effecten dan ICS als monotherapie,19 maar deze effecten werden niet op de lange termijn bestudeerd.

Het doel van dit onderzoek was om de effecten van ICS op zowel pathologische als klinische kenmerken van COPD te onderzoeken tijdens een langdurige behandeling van 30 maanden.

Patiënten en methoden

Setting en deelnemers

Het ‘Groningen Leiden universities corticosteroids in obstructive lung disease’(GLUCOLD)-project had een dubbelblinde, parallelle, placebogecontroleerde, gerandomiseerde opzet met 4 groepen.20

Rokers en ex-rokers met > 10 pakjaren en COPD werden ingesloten (leeftijd: 45-75 jaar). Hun longfunctie was matig tot ernstig verstoord.1 Exclusiecriteria waren: een voorgeschiedenis van astma, of huidige symptomen, diagnose of behandeling daarvan of -voor, en ICS-behandeling in de 6 maanden voorafgaande aan het onderzoek. Standaard werd geadviseerd om te stoppen met roken. Patiënten werden geworven in huisartsenpraktijken. De ethische commissies van beide centra in Leiden en Groningen keurden het onderzoek goed; alle patiënten gaven schriftelijke toestemming.

Randomisatie van interventies

Patiënten werden gerandomiseerd in 4 behandelgroepen: (a) fluticasonpropionaat 500 μg 2 dd gedurende 6 maanden, gevolgd door placebo 2 dd gedurende 24 maanden; (b) fluticasonpropionaat 500 μg 2 dd gedurende 30 maanden; (c) fluticasonpropionaat 500 μg 2 dd en salmeterol 50 μg 2 dd gedurende 30 maanden; (d) placebo 2dd gedurende 30 maanden. Actieve medicatie en placebo werden geïnhaleerd via identieke Diskus-poederinhalatoren (GlaxoSmithKline, Zeist, Nederland). Minimisatie (het gelijk verdelen van patiënten met hun prognostische factoren over de verschillende behandelarmen; elke nieuwe patiënt wordt gerandomiseerd op basis van de verdeling van prognostische factoren die op dat moment aanwezig is) vond plaats voor centrum, geslacht, rookstatus, de verhouding FEV1: inspiratoire vitale capaciteit (IVC) (< 60 of ≥ 60%) en de provocatiedosis methacholine die nodig was om het FEV1 20% te laten dalen (PD20- methacholine) (< 2 of ≥ 2 mg/ml).

Onderzochte parameters

De primaire uitkomstmaat was het aantal inflammatoire cellen in bronchusbiopten en in geïnduceerd sputum.20,21 De details over bronchoscopie, biopsieverwerking en kwantificatie zijn beschreven in een eerder artikel met baselinegegevens.22 Spirometrie na luchtwegverwijding en hyperreactiviteit (PD20-methacholine) waren secundaire uitkomstmaten.20 Kortademigheid werd gemeten met een aangepaste ‘Medical research council(MRC)-kortademigheidschaal’; gezondheidsstatus met de ‘St. George’s respiratory questionnaire’ (SGRQ) en ‘Clinical COPD questionnaire’ (CCQ).23 In de CCQ is een verandering in score van 0,4 punten ten opzichte van baseline de kleinste verandering die klinisch significant genoemd kan worden.24

Follow-up

Elke 3 maanden werden symptomen, gezondheidsstatus, rookstatus, therapietrouw (tellen van aantal doses) gemeten en spirometrie verricht. Bronchoscopie, sputuminductie en methacholineprovocatie werden bij de start uitgevoerd, en na 6 en 30 maanden.

Statistische analyse

De steekproefgrootte werd gebaseerd op fluticason-geïnduceerde kortetermijnverandering van de submucosale CD8+-celaantallen bij COPD.25 Bij een aantal van 20 patiënten per behandelgroep is een halvering van CD8+-celaantallen in de fluticasongroep in vergelijking tot placebo met een onderscheidingsvermogen (‘power’) van 80% detecteerbaar.25 Omdat het een onderzoek naar de werkzaamheid betrof, werd een per-protocolanalyse uitgevoerd bij alle compliante patiënten (> 70% van de voorgeschreven doses gebruikt).

Met lineaire ‘mixed effect’-modellen (STATA versie 9.0; StataCorp, Texas, VS) werd het effect van de behandeling, tijd en de interactie van behandeling en tijd geanalyseerd.20 Een post-hocanalyse onderzocht effecten van de rookstatus. Correlaties tussen statistisch significante behandeleffecten op inflammatoire cellen en longfunctie werden geanalyseerd met de spearman-rangcorrelatiecoëfficiënt. De gegevens worden weergegeven als gemiddelden (SD) of medianen (interkwartielbereiken); een 2-zijdige p-waarde < 0,05 werd als statistisch significant beschouwd.

Resultaten

Van de 114 geϊncludeerde patiënten werden 101 therapietrouwe patiënten geanalyseerd (figuur 1). Van hen hadden 7 ooit een korte kuur met orale corticosteroïden gehad en 5 hadden ooit ICS gebruikt. De patiëntkarakteristieken bij aanvang van het onderzoek waren vergelijkbaar tussen de 4 behandelgroepen (tabel), evenals het aantal inflammatoire cellen in het sputum en de bronchusbiopten.

Figuur 1
Figuur 2

ICS-behandeling

6 maanden Behandeling met fluticason verminderde, in vergelijking tot placebo, het aantal bronchiale CD3+-cellen met 55% (p = 0,004), CD4+-cellen met 78% (p < 0,001), CD8+-cellen met 57% (p = 0,010) en het aantal mestcellen met 38% (p = 0,039; figuur 2). Tegelijkertijd nam bij fluticasonbehandeling de PD20-methacholine toe vergeleken met placebobehandeling (1,5 maal de verdubbelende dosering van methacholine; p = 0,036; figuur 3B), evenals de score van een onderdeel van de CCQ over het mentale welzijn (toename met 0,2 punten, p = 0,037).

Figuur 3
Figuur 4

30 maanden Tijdens de behandeling met fluticason van 6 tot 30 maanden bleef de afname van het aantal CD3+-, CD4+- en CD8+-cellen in bronchusbiopten behouden vergeleken met placebo (zie figuur 2). Het aantal mestcellen nam verder af (56%; p = 0,001), het aantal eosinofielen nam toe (125%; p = 0,046) evenals het percentage intact epitheel (101%; p = 0,024). Daarnaast verminderde in het sputum het aantal neutrofielen (58%; p = 0,047), macrofagen (57%; p = 0,041) en lymfocyten (52%; p = 0,035) na 30 maanden, vergeleken met placebo.20

Ten opzichte van de gemiddelde FEV1-waarde na 6 maanden, daalde de waarde na 30 maanden met 79 ml/jaar in de placebogroep, met 62 ml/jaar in de 6-maanden-fluticasongroep en met 16 ml/jaar in de groep met 30 maanden combinatietherapie. In de 30-maanden-fluticasongroep steeg de gemiddelde FEV1-waarde met 7,3 ml/jaar. Vergeleken met placebo, verbeterde het gebruik van fluticason de jaarlijkse FEV1-afname van 6 tot 30 maanden met 86 ml/jaar (p < 0,001; zie figuur 3A).

De verbetering van PD20-methacholine door fluticasonbehandeling in de eerste 6 maanden, vergeleken met placebo, bleef behouden tijdens de volgende 2 jaar (zie figuur 3B). Gedurende de laatste 2 jaar van het onderzoek verbeterde fluticasongebruik de ‘kortademigheidsscore’ (p = 0,003; zie figuur 3C), de ‘SGRQ-activiteitenscore’ (p = 0,012), de totale score van de CCQ (p = 0,036) en van de ‘CCQ-symptoomscore’ (p = 0,026) en ‘CCQ-functionele score’ (p = 0,027; zie figuur 3D).

Staken van ICS-behandeling

Staken van fluticasonbehandeling na 6 maanden had geen effect op de aantallen inflammatoire cellen in het sputum en op de epitheelparameters in bronchusbiopten. Wel resulteerde het staken na 6 maanden fluticasonbehandeling in een toename van het aantal CD3+-cellen (120%, p = 0,007), mestcellen (218%; p < 0,001) en plasmacellen (118%; p = 0,028) in bronchusbiopten na 30 maanden, vergeleken met de biopten van patiënten die 30 maanden fluticason hadden gebruikt (zie figuur 2).

De FEV1-afname van 6 tot 30 maanden was groter na stoppen dan bij continueren van fluticasongebruik (verschil van 70 ml/jaar; p = 0,001; zie figuur 3A). De PD20-methacholine verslechterde met 2,6 verdubbelingsdoses (p < 0,001) (zie figuur 3B). De kortademigheidscore daalde met 0,2 punten/jaar (p = 0,001; zie figuur 3C), evenals de volgende scores: ‘SGRQ totale score’ (met 1,7 punten/jaar; p = 0,028), ‘activiteitenscore’ (met 2,9 punten/jaar; p = 0,015), ‘CCQ totale score’ (met 0,1 punt/jaar; p = 0,003) en de ‘symptoomscore’ (met 0,2 punten/jaar; p < 0,001) (gegevens niet getoond).

Combinatie ICS en langwerkende β2-agonisten

Combinatiebehandeling gedurende 6 maanden gaf geen extra anti-inflammatoire effecten vergeleken met fluticasonbehandeling alleen. Na 30 maanden nam het aantal CD3+-cellen en plasmacellen toe (126%; p = 0,006 respectievelijk 144%; p = 0,013) (zie figuur 2) en het aantal eosinofiele cellen af (55%; p = 0,047). Behandeling met salmeterol had geen extra anti-inflammatoir effect op de celaantallen in het sputum.20

Na 6 maanden combinatiebehandeling verbeterde de gemiddelde FEV1-waarde met 96 ml (p = 0,018) (zie figuur 3A) en de kortademigheidscores met 0,4 punten (p = 0,027; zie figuur 3C), meer dan bij fluticasonmonotherapie. Deze initiële verbetering van het FEV1 werd behouden tijdens de voortgezette combinatiebehandeling, zonder verdere beïnvloeding van de FEV1-daling, vergeleken met alleen fluticason. De kortademigheidscore nam na 30 maanden toe met 0,1 punt (p = 0,029). Tijdens de eerste 6 maanden combinatiebehandeling verbeterde de ‘totale CCQ-score’ (p = 0,007), ‘symptoomscore’ (p = 0,028) en ‘functionele score’ (p = 0,008; figuur 3D). Het minimale klinisch significante verschil van 0,4 werd niet bereikt.24 Tijdens de daarop volgende 24 maanden verslechterde de ‘totale CCQ-score’ (p = 0,003), ‘symptoomscore’ (p = 0,013) en ‘functionele score’ (p = 0,012) in de groep met combinatiebehandeling.

Roken

Alle bovenstaande resultaten bleven significant na correctie voor rookstatus, behalve het aantal lymfocyten in het sputum na 30 maanden fluticasonbehandeling.

Relatie pathologie en longfunctie

Analyse van patiënten die gedurende 30 maanden fluticason of placebo gebruikten, toonde dat verbetering van de FEV1-waarden correleerde met afname van CD4+-cellen (p = 0,037; figuur 4). Een verbetering in PD20-methacholine correleerde met afname van CD3+-cellen (p = 0,041), CD4+-cellen (p = 0,034) en mestcellen (p = 0,007) en met toename van het percentage intact epitheel (p = 0,024; zie figuur 4).

Figuur 5

Beschouwing

Ons onderzoek bij COPD toonde aan dat gedurende een ICS-behandeling van 2,5 jaar het aantal bronchiale T-lymfocyten en mestcellen verminderde en het aantal eosinofielen en de bronchiale epitheliale integriteit toenam, tegelijk met afname van celaantallen in het sputum. Deze effecten gingen gepaard met een minder snelle FEV1-afname en met verbetering van luchtweghyperreactiviteit, kortademigheid en gezondheidsstatus. Het stopzetten van de ICS-behandeling na 6 maanden deed deze positieve effecten teniet. De combinatiebehandeling van ICS en LABA bood geen extra anti-inflammatoire effecten vergeleken met fluticasonmonotherapie. Combinatiebehandeling gaf een initiële verbetering van de FEV1 die ook op lange termijn bleef bestaan. Echter, langer doorgaan met behandeling gaf geen verdere beïnvloeding van de daling van de FEV1 ten opzichte van behandeling met alleen inhalatiecorticosteroïden. Onze bevindingen gaven aan dat een subgroep van COPD-patiënten met een matige tot ernstige luchtwegobstructie, die steroïdnaïef zijn en hyperreactieve luchtwegen hebben, goed reageerde op langdurige ICS-behandeling.

Hoewel roken de reactie op behandeling met corticosteroïden kan verminderen,26 toonden onze gegevens aan dat een deel van de ontsteking bij COPD, ondanks roken, toch gevoelig was voor ICS.

De bijdrage van CD8+-cellen aan de ontsteking en de relevante antigeen-specifieke triggers bij COPD zijn nog altijd niet bekend. CD4+-cellen kunnen bijdragen aan de activering en geheugenvorming van CD8+-cellen, evenals B-celactivatie.27 Mestcellen en hun uitgescheiden enzymen kunnen diverse processen aansturen die relevant zijn voor luchtwegontsteking en remodelering.28

De klinische nieuwswaarde van onze bevindingen is dat anti-inflammatoire effecten bij COPD tijdens 2,5 jaar behandeling met ICS samengaan met een verminderde FEV1-achteruitgang. Eerder kortdurend onderzoek bij matig tot ernstig COPD toonde reeds anti-inflammatoire effecten van ICS aan.17,18,29 Ons onderzoek liet zien dat deze gunstige effecten ook op de lange termijn behouden bleven en dat er nadelige effecten op luchtwegontsteking kunnen ontstaan als ICS-behandeling wordt gestopt.

De gevonden vermindering van de FEV1-afname bij fluticasonbehandeling staat in contrast met eerdere onderzoeken.5-8 Daarentegen liet het ‘Towards a revolution in COPD health’(TORCH)-onderzoek16 ook vermindering van FEV1-afname zien bij COPD-patiënten die werden behandeld met ICS, LABA’s of beide. Onze resultaten suggereren dat de verbetering van het FEV1-niveau in de combinatiegroep kan worden veroorzaakt door een luchtwegverwijdend effect van salmeterol en niet door een verdere verandering van de onderliggende ontstekings- en remodeleringprocessen. Verschillen tussen eerdere onderzoeken en ons onderzoek kunnen het gevolg zijn van verschillen in selectie van patiëntenpopulatie.

Door steroïdnaïeve COPD-patiënten te selecteren, sloten we patiënten uit die al gunstige effecten van ICS-behandeling hadden bij aanvang van het onderzoek, en vermeden we dat deze zouden uitvallen in de placebogroep. Onze patiënten hadden overwegend matig ernstige luchtwegobstructie en de meeste patiënten hadden luchtweghyperreactiviteit en geringe reversibiliteit van de obstructie. Hyperreactiviteit past ook bij COPD8,30 en de reversibiliteit was, met gemiddeld 7%, vergelijkbaar met eerder gepubliceerd interventie-onderzoek bij COPD.6,8,16 We willen benadrukken dat de diagnose ‘astma’ bij de patiënten zorgvuldig werd uitgesloten, gebaseerd op het klinische oordeel van longartsen, en raadpleging van huisartsdossiers.

Ons onderzoek heeft enkele beperkingen: (a) 77 van de 101 geanalyseerde patiënten ondergingen na 30 maanden een bronchoscopie; het percentage uitvallers was echter vergelijkbaar tussen de behandelgroepen; (b) de onderzoeksgrootte van de studie was relatief klein om veranderingen in achteruitgang van de longfunctie vast te stellen. Des te opvallender is onze waarneming dat de ICS-geïnduceerde verbeteringen in luchtwegontsteking samenhangen met verbeteringen in longfunctie, hyperreactiviteit en luchtwegklachten; (c) dit was een onderzoek naar werkzaamheid van behandeling, reden waarom we alleen gegevens van therapietrouwe patiënten gebruikten. Zoals verwacht, waren er meer therapieontrouwe patiënten in de placebogroep, waardoor het behandeleffect eerder onderschat dan overschat is; (d) wij onderzochten biopten van de centrale luchtwegen, terwijl de perifere luchtwegen een belangrijke rol spelen bij COPD.31

Voor de dagelijkse praktijk is het belangrijk om bij deze patiënten met matig ernstig COPD te bepalen wat de beste voorspellers zijn voor een gunstige respons op ICS-behandeling. Daarnaast is het belangrijk om de kosteneffectiviteit te bestuderen van langdurige ICS-behandeling in een pragmatisch onderzoek.

Conclusie

Onze bevindingen suggereren dat behandeling met inhalatiecorticosteroïden (ICS), wanneer deze voor het eerst en langdurig gegeven worden aan steroïdnaïeve COPD-patiënten met een relatief matig ernstig ziektestadium en met aanwezigheid van luchtweghyperreactiviteit, de potentie heeft om het klinische beloop van COPD gunstig te beïnvloeden. Het verminderde de ontstekingsparameters in bronchusbiopten en sputum, wat weerspiegeld werd in verminderde achteruitgang van longfunctie, minder hyperreactiviteit en kortademigheid, en verbetering van de kwaliteit van leven. Het toevoegen van een langwerkende β2-agonist verbetert de longfunctie, maar verandert de progressie van de aandoening niet. De waargenomen respons op de behandeling bij dit specifieke subfenotype van COPD onderstreept de mogelijkheid voor een behandeling op maat bij COPD en geeft daarmee een nieuw klinisch perspectief.

Leerpunten

  • De huidige richtlijnen adviseren om patiënten met ernstige COPD en met frequente exacerbaties te behandelen met inhalatiecorticosteroïden (ICS) in combinatie met langwerkende β2-agonisten (LABA’s). De effecten van langdurige ICS-behandeling bij COPD zijn echter nog onduidelijk.

  • In dit onderzoek had ICS-behandeling, wanneer deze voor het eerst en langdurig werd gegeven aan steroïdnaïeve COPD-patiënten met een matig ernstig ziektestadium en met aanwezigheid van luchtweghyperreactiviteit, een gunstig effect op het klinische beloop.

  • Dit werd weerspiegeld in een verminderde achteruitgang van de longfunctie en in verbetering van de hyperreactiviteit, kortademigheid en kwaliteit van leven.

  • Het toevoegen van een LABA aan ICS-behandeling verbetert de longfunctie, maar verandert de progressie van de aandoening niet.

  • />
Literatuur
  1. Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease. Global strategy for the Diagnosis, Management and Prevention of Chronic Obstructive Pulmonary Disease. www.goldcopd.org/Guidelineitem.asp?l1=2&l2=1&intId=2003

  2. Saetta M, Turato G, Maestrelli P, Mapp CE, Fabbri LM. Cellular and structural bases of chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 2001;163:1304-9 Medline.

  3. Hogg JC, Chu F, Utokaparch S et al. The nature of small-airway obstruction in chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 2004;350:2645-53 Medline. doi:10.1056/NEJMoa032158

  4. Grashoff WF, Sont JK, Sterk PJ, et al. Chronic obstructive pulmonary disease: role of bronchiolar mast cells and macrophages. Am J Pathol 1997;151:1785-90 Medline.

  5. Pauwels RA, Lofdahl CG, Laitinen LA, et al. Long-term treatment with inhaled budesonide in persons with mild chronic obstructive pulmonary disease who continue smoking. European Respiratory Society Study on Chronic Obstructive Pulmonary Disease. N Engl J Med 1999;340:1948-53 Medline. doi:10.1056/NEJM199906243402503

  6. Burge PS, Calverley PM, Jones PW, Spencer S, Anderson JA, Maslen TK. Randomised, double blind, placebo controlled study of fluticasone propionate in patients with moderate to severe chronic obstructive pulmonary disease: the ISOLDE trial. BMJ 2000;320:1297-1303 Medline. doi:10.1136/bmj.320.7245.1297

  7. Vestbo J, Sorensen T, Lange P, Brix A, Torre P, Viskum K. Long-term effect of inhaled budesonide in mild and moderate chronic obstructive pulmonary disease: a randomised controlled trial. Lancet 1999;353:1819-23 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(98)10019-3

  8. The Lung Health Study Research Group. Effect of inhaled triamcinolone on the decline in pulmonary function in chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 2000;343:1902-9 Medline. doi:10.1056/NEJM200012283432601

  9. Wouters EF, Postma DS, Fokkens B, et al. Withdrawal of fluticasone propionate from combined salmeterol/fluticasone treatment in patients with COPD causes immediate and sustained disease deterioration: a randomised controlled trial. Thorax 2005;60:480-7 Medline. doi:10.1136/thx.2004.034280

  10. Calverley P, Pauwels R, Vestbo J, et al. Combined salmeterol and fluticasone in the treatment of chronic obstructive pulmonary disease: a randomised controlled trial. Lancet 2003;361:449-56 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(03)12459-2

  11. Calverley PM, Anderson JA, Celli B, et al. Salmeterol and fluticasone propionate and survival in chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 2007;356:775-89 Medline. doi:10.1056/NEJMoa063070

  12. Celli BR, Thomas NE, Anderson JA, et al. Effect of pharmacotherapy on rate of decline of lung function in chronic obstructive pulmonary disease: results from the TORCH study. Am J Respir Crit Care Med 2008;178:332-8 Medline. doi:10.1164/rccm.200712-1869OC

  13. Sutherland ER, Allmers H, Ayas NT, Venn AJ, Martin RJ. Inhaled corticosteroids reduce the progression of airflow limitation in chronic obstructive pulmonary disease: a meta-analysis. Thorax 2003;58:937-41 Medline. doi:10.1136/thorax.58.11.937

  14. van Grunsven PM, van Schayck CP, Derenne JP, et al. Long term effects of inhaled corticosteroids in chronic obstructive pulmonary disease: a meta-analysis. Thorax 1999;54:7-14 Medline. doi:10.1136/thx.54.1.7

  15. Highland KB, Strange C, Heffner JE. Long-term effects of inhaled corticosteroids on FEV1 in patients with chronic obstructive pulmonary disease. A meta-analysis. Ann Intern Med 2003;138:969-73 Medline.

  16. Soriano JB, Sin DD, Zhang X, et al. A pooled analysis of FEV1 decline in COPD patients randomized to inhaled corticosteroids or placebo. Chest 2007;131:682-9 Medline. doi:10.1378/chest.06-1696

  17. Hattotuwa KL, Gizycki MJ, Ansari TW, Jeffery PK, Barnes NC. The effects of inhaled fluticasone on airway inflammation in chronic obstructive pulmonary disease: a double-blind, placebo-controlled biopsy study. Am J Respir Crit Care Med 2002;165:1592-6 Medline. doi:10.1164/rccm.2105025

  18. Gizycki MJ, Hattotuwa KL, Barnes N, Jeffery PK. Effects of fluticasone propionate on inflammatory cells in COPD: an ultrastructural examination of endobronchial biopsy tissue. Thorax 2002;57:799-803 Medline. doi:10.1136/thorax.57.9.799

  19. Bourbeau J, Christodoulopoulos P, Maltais F, Yamauchi Y, Olivenstein R, Hamid Q. Effect of salmeterol/fluticasone propionate on airway inflammation in COPD: a randomised controlled trial. Thorax 2007;62:938-43 Medline. doi:10.1136/thx.2006.071068

  20. Lapperre TS, Snoeck-Stroband JB, Gosman MM et al. Effect of fluticasone with and without salmeterol on pulmonary outcomes in chronic obstructive pulmonary disease: a randomized trial. Ann Intern Med 2009;151:517-27.

  21. Lapperre TS, Snoeck-Stroband JB, Gosman MM, et al. Dissociation of lung function and airway inflammation in chronic obstructive pulmonary disease. Am J Respir Crit Care Med 2004;170:499-504 Medline. doi:10.1164/rccm.200401-112OC

  22. Lapperre TS, Postma DS, Gosman MM, et al. Relation between duration of smoking cessation and bronchial inflammation in COPD. Thorax 2006;61:115-121 Medline. doi:10.1136/thx.2005.040519

  23. van der Molen T, Willemse BW, Schokker S, ten Hacken NH, Postma DS, Juniper EF. Development, validity and responsiveness of the Clinical COPD Questionnaire. Health Qual Life Outcomes 2003;1:13 Medline. doi:10.1186/1477-7525-1-13

  24. Kocks JW, Tuinenga MG, Uil SM, van den Berg JW, Stahl E, van der Molen T. Health status measurement in COPD: the minimal clinically important difference of the clinical COPD questionnaire. Respir Res 2006;7:62 Medline. doi:10.1186/1465-9921-7-62

  25. Verhoeven GT, Hegmans JP, Mulder PG, Bogaard JM, Hoogsteden HC, Prins JB. Effects of fluticasone propionate in COPD patients with bronchial hyperresponsiveness. Thorax 2002;57:694-700 Medline. doi:10.1136/thorax.57.8.694

  26. Ito K, Ito M, Elliott WM, et al. Decreased histone deacetylase activity in chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 2005;352:1967-76 Medline. doi:10.1056/NEJMoa041892

  27. Castellino F, Germain RN. Cooperation between CD4+ and CD8+ T cells: when, where, and how. Annu Rev Immunol 2006;24:519-40 Medline. doi:10.1146/annurev.immunol.23.021704.115825

  28. Sommerhoff CP. Mast cell tryptases and airway remodeling. Am J Respir Crit Care Med 2001;164:S52-S58 Medline.

  29. Gan WQ, Man SF, Sin DD. Effects of inhaled corticosteroids on sputum cell counts in stable chronic obstructive pulmonary disease: a systematic review and a meta-analysis. BMC Pulm Med 2005;5:3 Medline. doi:10.1186/1471-2466-5-3

  30. Postma DS, de Vries K, Koeter GH, Sluiter HJ. Independent influence of reversibility of air-flow obstruction and nonspecific hyperreactivity on the long-term course of lung function in chronic air-flow obstruction. Am Rev Respir Dis 1986;134:276-80 Medline.

  31. Battaglia S, Mauad T, van Schadewijk AM et al. Differential distribution of inflammatory cells in large and small airways in smokers. J Clin Pathol 2007;60:907-11.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden.

*Dit onderzoek werd eerder, in langere vorm, gepubliceerd in Ann Intern Med. 2009;151:517-27 met als titel ‘Effect of fluticasone with and without salmeterol on pulmonary outcomes in chronic obstructive pulmonary disease: a randomized trial’.

†Namens de ‘Groningen Leiden Universities Corticosteroids in Obstructive Lung Disease’(GLUCOLD)-onderzoeksgroep.

Afd. Medische Besliskunde: drs. J.B. Snoeck-Stroband, huisarts; dr. J.K. Sont, epidemioloog.

Afd. Longziekten: dr. T.S. Lapperre, arts in opleiding tot longarts; prof.dr. P.S. Hiemstra, immunoloog.

Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, afd. Neurologie, Nijmegen.

Dr. M.M.E. Gosman, arts in opleiding tot neuroloog.

Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen.

Afd. Epidemiologie: prof. dr. H. M. Boezen, epidemioloog.

Afd. Longziekten: dr. N.H.T. ten Hacken en prof.dr. D.S. Postma, longartsen.

Afd. Pathologie: prof. dr. W. Timens, patholoog.

Academisch Medisch Centrum, afd. Longziekten, Amsterdam.

Prof.dr. P.J. Sterk, arts-fysioloog.

Contact prof.dr. D.S. Postma (d.s.postma@long.umcg.nl)

Verantwoording

Financiële ondersteuning: dit onderzoek werd geïnitieerd door onderzoekers. De studie werd gefinancierd door NWO (subsidie 940-35-033), het Nederlands Astma Fonds (subsidie 3.4.93.96.3), GlaxoSmithKline Nederland, Universitair Medisch Centrum Groningen en Leids Universitair Medisch Centrum. De sponsoren hadden geen rol bij de opzet, uitvoering en analyse van het onderzoek of bij de beslissing om het manuscript in te dienen voor publicatie.
Belangenconflict: consultancies: dr. N.H.T. ten Hacken (Nycomed B.V., Chiesi Pharmaceuticals B.V., Boehringer Ingelheim, GlaxoSmithKline), prof.dr. D.S. Postma (Altana Pharma B.V., AstraZeneca, Boehringer Ingelheim, Chiesi Pharmaceuticals B.V., GlaxoSmithKline, Teva Pharmaceutical Industries Ltd.). Honoraria: prof.dr. P.J. Sterk (GlaxoSmithKline), prof.dr. D.S. Postma (AstraZeneca, Boehringer Ingelheim, Chiesi Pharmaceuticals B.V., GlaxoSmithKline, Nycomed B.V., Teva Pharmaceutical Industries Ltd., Top Institute Pharma). Ontvangen subsidies: dr. M.M.E. Gosman (Glaxo Wellcome B.V.), dr. N.H.T. ten Hacken (GlaxoSmithKline, AstraZeneca, Nycomed B.V., Novartis, Boehringer Ingelheim), prof dr. P.S. Hiemstra (GlaxoSmithKline), prof.dr. P.J. Sterk (GlaxoSmithKline, Innovative Medicines Initiative).
Verklaring omtrent reproduceerbaar onderzoek: het onderzoeksprotocol is beschikbaar op http://clinicaltrials.gov/ct2/show/NCT00158847. De statistische code is beschikbaar bij dr. Sont (j.k.sont@lumc.nl). De gegevensset is beschikbaar bij prof.dr. Sterk (p.j.sterk@amc.nl).
Aanvaard op 16 juni 2010

Gerelateerde artikelen

Reacties

Roeland
Geijer

Naar aanleiding van het onderzoek van Snoeck-Stroband et al. is in november 2009 een NHG-Standpunt geformuleerd. Hieronder volgt een ingekorte versie daarvan.
De bevinding over het effect van fluticason op de FEV1 in het GLUCOLD-onderzoek is opmerkelijk omdat in twee meta-analyses met zeer grote groepen patiënten op basis van deels dezelfde onderzoeken geen effect van ICS op de FEV1-daling werd waargenomen [Soriano 2007; Yang 2007].

Mogelijke verklaringen voor de afwijkende bevinding van het GLUCOLDonderzoek zijn:

  • Verschillen in de onderzochte populaties. De patiëntkenmerken in de meta-analyses waren echter niet wezenlijk verschillend met die van het GLUCOLD onderzoek.

  • Verschillen in middelen en doseringen. In het GLUCOLD onderzoek werd een hoge dagdosis ICS gebruikt (1000 microg fluticason). In de meta-analyse van Soriano werd deze dagdosis in twee onderzoeken gebruikt [Burge 2000, Calverley 2003) terwijl in de andere onderzoeken een matige dagdosis ICS werd voorgeschreven. De studie van Burge (gemiddelde FEV1 50 %) liet daarbij geen significant effect zien op de FEV1 daling, de studie van Calverley (gemiddelde FEV1 45 %) wel.

  • Vertekening door toeval. Uiteindelijk is de analyse van het GLUCOLD onderzoek gebaseerd op een vergelijking van 22 patiënten in de ICS groep en 20 in de placebogroep (d.w.z. minder dan 1 % van de aantallen patiënten in de meta-analyses). Bovendien betreft het verschil in FEV1-daling tussen de fluticasongroep en de placebogroep een secundaire uitkomstmaat hetgeen doorgaans niet als doorslaggevend wordt beschouwd.

  • Vertekening door  toeval is dan ook de meest waarschijnlijke verklaring voor de afwijkende bevinding uit het GLUCOLD onderzoek.

Conclusie. De bewijskracht van het GLUCOLD-onderzoek is onvoldoende om de controverse over het effect van ICS bij COPD definitief te beslechten. Er blijft grote behoefte aan een  medicament dat – uiteraard naast stoppen met roken - de versnelde daling van de FEV1 bij patiënten met COPD een halt toeroept. Vooralsnog is er geen aanleiding om de aanbeveling over het gebruik van ICS in de NHG-Standaard COPD aan te passen.

 

R.M.M. Geijer, I.J.M.Smeele, Wiersma Tj

 

Voor de volledige tekst van het NHG-standpunt en de literatuurlijst klik hier

Jiska
Snoeck-Stroband

Wij danken de collega’s voor hun reactie op ons onderzoek. Allereerst respecteren wij vanzelfsprekend het standpunt van het NHG. De volgende punten zouden wij graag toelichten: 1) is er een effect van inhalatiesteroïden op het beloop van COPD (interne validiteit Glucold-studie) en 2) moeten de NHG richtlijnen worden aangepast (externe validiteit).
Wat betreft het eerste punt wordt vertekening door toeval als de meest waarschijnlijke verklaring gegeven voor het gunstige effect van inhalatiecorticosteroïden. Toeval, de zogenoemde fout van de eerst orde (alpha), is theoretisch natuurlijk mogelijk en wordt weergegeven door de p-waarde. In onze studie was de p-waarde echter 0.009, en daarmee is de kans heel erg klein (0.9%) dat we een effect van inhalatiesteroïden op de afname van het FEV1 vinden, terwijl er in werkelijkheid geen effect is (de nulhypothese).
Voorts is de Glucold-studie een door de overheid en universiteiten opgezette studie, uitgevoerd in slechts twee centra die optimaal hun methoden op elkaar afstemden volgens een strikt protocol, en daarmee met een grote interne validiteit. De plausibiliteit van onze bevinding wordt versterkt door gunstige effecten op meerdere eindparameters (klinisch en inflammatoir) tegelijkertijd. Bovendien bleek dat stoppen met inhalatiecorticosteroïden gepaard ging met een terugval van de symptomen. Hiermee voldoen onze bevindingen aan de postulaten van Koch om aan te tonen dat een interventie werkzaam is, zijn ze zeer consistent en kunnen we ze niet afdoen als toevals­bevindingen.

Waarom lijken onze bevindingen in tegenspraak met sommige grote studies en meta-analyses? Naast verschillen in dosering van inhalatiecorticosteroïden kan dit ook komen doordat in Glucold alleen gegevens van therapietrouwe en steroid-naïve patiënten zijn meegenomen. Een mogelijke verklaring is ook dat onze populatie gerekruteerd uit de huisartsenpraktijken juist meer ‘des huisartsen’ was.

Moeten de NHG richtlijnen nu op de schop? Dat is natuurlijk aan de NHG. COPD is een heterogene ziekte, waarbij onze nieuwe resultaten niet extrapoleerbaar zijn naar de totale populatie. Onze studie laat echter wel zien dat er een subgroep blijkt te bestaan die baat heeft bij inhalatiecorticosteroïden. Dat is heel goed nieuws, en we hopen dat de NHG dit als een reële optie voor patiënten in de huisartsenpraktijk ziet. Verder onderzoek zal moeten aangeven welke klinische voorspellers deze subgroep kunnen identificeren. Dit laatste wordt momenteel door ons geanalyseerd. Kortom, we hopen dat deze nieuwe ‘evidence’ als optie wordt gezien voor wetenschappers en praktiserende huisartsen om zich samen in te zetten voor een nog betere zorg van COPD patiënten.

 

Jiska Snoeck-Stroband namens alle auteurs (zie artikel)