Incidentie van behandeling met trommelvliesbuisjes bij kinderen van 0-12 jaar in Nederland in 1990-1994

Onderzoek
J.A.M. Engel
L.J.C. Anteunis
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:902-5
Abstract

Samenvatting

Doel

Inventariseren van de incidentie van de behandeling met trommelvliesbuisjes bij kinderen van 0-12 jaar in Nederland in 1990-1994.

Opzet

Secundaire gegevensanalyse.

Methoden

Gegevens over het dubbelzijdig plaatsen van trommelvliesbuisjes in 1990-1994 in Nederland werden opgevraagd bij SIG Zorginformatie, waarbij gebruikgemaakt werd van het informatiesysteem van de Landelijke Medische Registratie. Demografische gegevens werden verkregen via het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Op basis daarvan werd een schatting gemaakt van de incidentie van de dubbelzijdige behandeling met trommelvliesbuisjes bij kinderen van 0-12 jaar.

Resultaten

Het aantal dubbelzijdige behandelingen met trommelvliesbuisjes nam toe van 39.923 in 1990 tot 51.615 in 1992, waarna het daalde tot 48.635 in 1994. De jaarlijkse incidentie van de ingreep bij kinderen van 0-12 jaar was gemiddeld 1,97 (uitersten: 0,12-5,08). De leeftijdspecifieke incidentie was het hoogst rond 2 jaar en 6 jaar. Vergeleken met het vóórkomen van otitis media met effusie zoals dit bekend is uit de literatuur, lijkt de behandeling met trommelvliesbuisjes relatief weinig plaats te vinden, vooral in de eerste levensjaren.

Auteursinformatie

Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Postbus 9015, 6500 GS Nijmegen.

J.A.M.Engel, keel-, neus- en oorarts.

Academisch Ziekenhuis, afd. Keel-, Neus- en Oorheelkunde, Maastricht.

Drs.L.J.C.Anteunis, klinisch fysicus-audioloog.

Contact J.A.M.Engel (jamengel@wxs.nl)

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Brielle, april 1999,

Met belangstelling lazen wij het artikel van Engel et al. (1999:902-5). Vanaf het 2e levensjaar krijgt jaarlijks een substantieel percentage (1-2&percnt;) van de Nederlandse kinderen trommelvliesbuisjes. Een piek van 4&percnt; wordt gezien rond de 5e verjaardag. Omstreeks het 8e levensjaar begint de incidentie te dalen, van 3&percnt; tot < 0,5&percnt; na de 10e verjaardag. Jaarlijks ziet de gemiddelde huisarts aldus bij 8 kinderen trommelvliesbuisjes geplaatst worden.

Externe factoren verklaren de verandering in incidentie van trommelvliesbuisjes, zowel die in de loop van de jaren als die gedurende de levensloop van het kind. Het verschijnen van de standaard ‘Otitis media met effusie bij kinderen’ van het Nederlands Huisartsen Genootschap in 1991 zou de stijging van het aantal buisjes in 1992 verklaren. De piek in incidentie vanaf het 2e levensjaar kan worden verklaard door screening op het consultatiebureau voor zuigelingen. De piek rond de 5e verjaardag wordt wellicht veroorzaakt door de preventieve zorg van schoolarts en -logopedist. Het verwijsbeleid van de huisarts staat onder druk.1

Engel et al. wijzen erop dat de discrepantie tussen de prevalentie van otitis media met effusie (OME) en het krijgen van trommelvliesbuisjes het grootst is bij de kinderen in de eerste levensjaren. Zij vragen zich af: krijgen de juiste kinderen wel de juiste behandeling? Moet de huisarts de jonge kinderen vaker voor buisjes verwijzen, en de oudere kinderen juist minder vaak of even vaak of misschien juist nog vaker?

In Nederland is nog geen uniform beleid ontwikkeld. Wat is bij de huidige stand van kennis het beleid van de KNO-arts voor het al dan niet plaatsen van buisjes bij OME? Hoe lang moet effusie van het middenoor bestaan alvorens tot de plaatsing van trommelvliesbuisjes wordt besloten? Wat is de invloed van leeftijd en andere klinische parameters op het besluit tot het plaatsen van buisjes? Hoe verdisconteert de KNO-arts de eerdergemaakte tympanogrammen?

Recent onderzoek naar het natuurlijk beloop van OME bij 0-3-jarigen in de huisartspraktijk liet zien dat halfjaarlijkse tympanometrie voldoende zou kunnen zijn om kinderen met ‘persisterende’ OME op te sporen.2

Thans - 30 jaar nadat de eerste trommelvliesbuisjes werden toegepast - wordt bij 50.000 kinderen per jaar in Nederland deze ingreep verricht, zonder dat wij voldoende geïnformeerd zijn over het effect. Deze tijdsspanne van 30 jaar doet de door Engel et al. voorspelde toekomst, waarin nieuwe richtlijnen op basis van beschikbare onderzoeken gegeven zullen worden, vooralsnog ver weg lijken.

Het lijkt daarom wenselijk en haalbaar dat op basis van de huidige gegevens een beleid wordt geformuleerd voor het gebruik van de tympanometer door de huisarts bij de opsporing van OME. Een geschikt onderwerp voor een landelijke transmurale afspraak tussen huisarts en KNO-arts?

B.P. Ponsioen
Literatuur
  1. Rovers MM, Wilt GJ van der, Zielhuis GA, Broek P van den, Kauffman-de Boer MA. Diagnostiek en behandeling na onvoldoende gehoortestuitslag. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1222.

  2. Hogan SC, Stratford KJ, Moore DR. Duration and recurrence of otitis media with effusion in children from birth to 3 years. BMJ 1997;314:350-3.

Molenhoek, mei 1999,

Wij danken collega Ponsioen voor zijn reactie. Hij schat dat de gemiddelde huisarts jaarlijks bij 8 kinderen trommelvliesbuisjes geplaatst ziet worden. Echter, de frequentie waarmee de huisarts kinderen ziet met recidiverende otitiden of OME is vele malen hoger. Dit leidt tot de vraag wanneer deze kinderen wel of niet doorverwezen moeten worden voor aanvullende diagnostiek en eventuele behandeling.

De door ons beschreven incidentiepieken van trommelvliesbuisjes rond 2 en 6 jaar en het geringe verschil tussen de prevalentie van OME en de behandeling met trommelvliesbuisjes vanaf 6 jaar illustreren waarschijnlijk het huidige beleid, dat wil zeggen dat een kind vaak pas doorverwezen en behandeld wordt indien gehoorverlies of andere aan middenoor gerelateerde klachten gesignaleerd zijn. Het tot uiting komen van deze klachten lijkt zeer individueel en door meerdere factoren bepaald te zijn.

Het feit dat OME met name in de eerste levensjaren vaak onopgemerkt blijft omdat er geen klachten zijn,12 betekent nog niet dat de aandoening onschuldig is. Eerder onderzoek 3-5 en eerste resultaten van eigen onderzoek laten zien dat zelfs op zeer jonge leeftijd chronische OME tot een vertraagde communicatieve ontwikkeling kan leiden. Het is echter nog niet duidelijk welke factoren (tijdstip, duur en frequentie van OME, mate van gehoorverlies, opleidingsgraad ouders et cetera) het risico op een vertraagde ontwikkeling en gedragsstoornissen vergroten. Resultaten van lopend onderzoek naar de effecten van behandeling met trommelvliesbuisjes in het 2e levensjaar worden volgend jaar verwacht en zullen hopelijk een bijdrage leveren aan de discussie over de zinvolheid van de behandeling.6

Bij een afwachtend beleid ondersteunen wij de opmerking van Ponsioen om een aanpak te formuleren waarin het gebruik van de tympanometer door de huisarts een plaats kan hebben. Echter, eerst dienen nog de toepasbaarheid van de gevonden testwaarden van de tympanometer in de gewone huisartsenpopulatie (met een lagere prevalentie), de problemen met de interpretatie van de uitslagen van de tympanometer bij minder getrainde huisartsen en de hoge aanschafkosten kritisch bekeken te worden.7 Overigens, een veel minder kostbare, maar zeker zo valide onderzoeksmethode vormt de pneumatoscopie,8 die ons inziens meer aandacht zou verdienen, niet alleen in de opleiding tot huisarts, maar ook in die tot kinderarts en jeugdarts.

J.A.M. Engel
Literatuur
  1. Anteunis LJC, Engel JAM, Hendriks JJT, Manni JJ. A longitudinal study of the validity of parental reporting in the detection of otitis media and related hearing impairment in infancy. Audiology 1999; 38:75-82.

  2. Engel JAM, Anteunis LJC, Volovics A, Hendriks JJT, Marres EHMA. Predictive value of parent-reported symptoms in the assessment of otitis media with effusion during infancy. Scand J Prim Health Care 1999 &lsqb;ter perse&rsqb;.

  3. Wallace IF, Gravel JS, McCarton CM, Stapells DR, Bernstein RS, Ruben RJ. Otitis media, auditory sensitivity, and language outcomes at one year. Laryngoscope 1988;98:64-70.

  4. Roberts JE, Burchinal MR, Collier AM, Ramey CT, Koch MA, Henderson FW. Otitis media in early childhood and cognitive, academic, and classroom performance of the school-aged child. Pediatrics 1989;83:477-85.

  5. Klein JO, Teele DW, Pelton SI. New concepts in otitis media. Adv Pediatr 1992;39:127-56.

  6. Rovers MM, Straatman H, Zielhuis GA, Wilt GJ van der, Broek P van den. Gebalanceerde randomisatie in het kader van een multi-center trial naar het effect van behandeling bij kinderen met OME. TSG 1997;3:44.

  7. Lisdonk EH van de. Otitis media with effusion in general practice &lsqb;boekbespreking&rsqb;. Huisarts Wet 1995;38:629-30.

  8. Cantekin EI, Bluestone CD, Fria TJ, Stool SE, Beery QC, Sabo DL. Identification of otitis media with effusion in children. Ann Otol Rhinol Laryngol Suppl 1980;89(3 Pt 2):190-5.