Implicaties van de Barker-hypothese voor de medicus practicus

Klinische praktijk
J.M. Wit
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:2491-5
Abstract

Samenvatting

- De Barker-hypothese of de hypothese van de foetale oorsprong van ziekten op volwassen leeftijd is oorspronkelijk gebaseerd op epidemiologische verbanden tussen indicatoren van foetale ondervoeding en sterfte en ziekte op volwassen leeftijd.

- Het eerste verband dat werd gerapporteerd was dat tussen geboortegewicht en coronaire hartziekte. Soortgelijke verbanden werden gevonden tussen geboortegewicht en beroerte, hypertensie, diabetes mellitus type 2, insulineresistentie, serumlipidewaarden en vroege schaambeharing.

- In niet-geïndustrialiseerde landen lijken de beschreven verbanden nog sterker.

- Ofschoon de Barker-hypothese ook is bekritiseerd, lijken de aanwijzingen uit epidemiologisch en dierexperimenteel onderzoek voldoende om de hypothese verder te testen en om de mogelijke consequenties voor de arts te beschouwen.

- De eerste consequentie zou kunnen zijn dat bij het afnemen van de anamnese ook bij volwassenen informatie moet worden ingewonnen over de intra-uteriene groei. Om dit te vergemakkelijken, zou de communicatie hierover tussen obstetricus, consultatiebureau-arts, jeugdarts en kinderarts in de richting van huisarts en internist moeten worden verbeterd.

- Aan de volwassen patiënt kan worden gezegd dat een laag geboortegewicht, vooral als het geboortegewicht laag is voor de zwangerschapsduur, een potentiële risicofactor is voor de genoemde ziekten en een extra reden om niet te roken en overgewicht te vermijden.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, afd. Kindergeneeskunde, J6-S, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Prof.dr.J.M.Wit, kinderarts.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties