Immunologie in de medische praktijk. XIX. Etiologie en pathogenese van auto-immuunziekten

Klinische praktijk
R.R.P. de Vries
B.O. Roep
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:974-8
Abstract

Samenvatting

- Hoewel de laatste 50 jaar een enorme hoeveelheid kennis over etiologie en pathogenese van auto-immuunziekten is vergaard, zijn belangrijke vragen nog niet of onvoldoende beantwoord, hetgeen blijkt uit de zeer beperkte therapeutische toepassing van deze kennis.

- Autoreactieve B- en T-cellen zijn echter wel aantoonbaar bij gezonde individuen, maar onder normale omstandigheden leidt dit niet tot ziekte doordat bijvoorbeeld noodzakelijke co-factoren ontbreken, B-lymfocyten voor antilichaamproductie hulp nodig hebben van geschikte autoreactieve T-helpercellen, door de werking van T-suppressorcellen en door de anti-idiotypische antilichamen en T-celreceptoren die gericht kunnen zijn tegen de antigeenreceptoren van autoreactieve B- en T-cellen.

- Auto-immuunziekten worden wel ingedeeld in orgaanspecifieke (bijvoorbeeld ziekte van Graves) en gegeneraliseerde auto-immuunziekten (bijvoorbeeld lupus erythematodes disseminatus).

- Grofweg bestaan er twee hypothesen over de etiologie of het ontstaan van auto-immuunziekten. In de eerste hypothese is een specifiek antigeen de drijvende factor, in de tweede is een ontregeling van het immuunsysteem primair.

- Er zijn nog maar weinig nieuwe geneesmiddelen of behandelingen ontwikkeld op basis van de nieuwe inzichten in de pathogenese van auto-immuunziekten.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, afd. Immunohematologie en Bloedbank, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Prof.dr.R.R.P.de Vries, internist-immunoloog; dr.B.O.Roep, immunoloog.

Contact prof.dr.R.R.P.de Vries

Ook interessant

Reacties