Artikel
Inleiding
In Nederland waren tot 31 december 1993 bij de hoofdinspectie van de Volksgezondheid 2912 patiënten met AIDS gemeld.1 Vanaf 1982, het begin van de epidemie in Nederland, bestaat de patiëntengroep met AIDS, evenals in de rest van Noordwest-Europa, voor het merendeel uit homo- en biseksuele mannen (77).2…
(Geen onderwerp)
Rotterdam, maart 1995,
Van der Ende et al. schetsen een beeld van de patiënten die in de jaren 1985-1993 vanwege een HIV-infectie door de internisten van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt zijn gezien (1995;188-92). Dat in de regio Rijnmond de laatste jaren een snellere diversificatie van de groep mensen met HIV/AIDS is opgetreden dan in de rest van Nederland, is een constatering die wij in het voorjaar van 1994 met de 25 in het AIDS-platform samenwerkende instanties hebben besproken. Pluriformiteit is dan ook een centraal thema in de Rotterdamse AIDS-preventie. Terwijl het artikel van Van der Ende et al. lijkt te suggereren dat een gedifferentieerde benadering van doelgroepen bij wijze van spreken nog ontdekt moet worden, is de werkelijkheid gelukkig anders. Zo is de GGD Rotterdam en omstreken al sinds het eind van de jaren tachtig betrokken bij de ontwikkeling van methoden en materialen voor diverse migrantengroepen in ons land. De GGD beschikt inmiddels over een team van 16 medewerkers met een niet-Nederlandse achtergrond die zijn opgeleid om in hun eigen taal (in totaal 7) volgens hun eigen culturele waarden AIDS-voorlichting te geven. De GGD hanteert het uitgangspunt om preventiestrategieën zoveel mogelijk met de doelgroep samen te ontwikkelen en de voorlichting door hen zelf uit te laten voren (‘peer group education’) ook als leidraad bij projecten ten behoeve van mannen met homoseksuele contacten, prostitué(e)s en jongeren. Drugsgebruikers kunnen al sinds lange tijd bij de drugshulpverlening terecht voor condooms, het omruilen van spuiten en informatie over veilig vrijen en veilig spuiten.
Van der Ende et al. presenteren een aantal interessante epidemiologische gegevens. Dit ondanks het feit dat zij niet konden beschikken over informatie betreffende de 50 HIV-positieve patiënten van de polikliniek Geslachtsziekten. Indien de groep waarover Van der Ende et al. rapporteren desondanks representatief is voor de situatie in de regio Rijnmond, willen wij toch enkele kanttekeningen maken bij hun conclusie als zouden de verschillen tussen Rotterdam en de rest van het land de afgelopen jaren zijn toegenomen. De verdeling naar risicogedrag van nieuwe patiënten met HIV in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt laat over de jaren 1991-1993 een vrij constant beeld zien: bijna de helft is (waarschijnlijk) geïnfecteerd via homoseksueel contact, een kwart via intraveneus drugsgebruik en een kwart via heteroseksueel contact. Vergelijkbare gegevens over de rest van Nederland ontbreken, doch de analyse van de gegevens van de tussen 1982 en 1994 aangemelde AIDS-patiënten door Houweling et al. biedt enig soelaas.1 Ten aanzien van de jaren 1991-1993 laat deze analyse zien dat homoseksuele contacten in steeds mindere mate de oorzaak zijn van HIV-transmissie (een afname van 74% in 1991 naar 66% in 1993) en dat het aandeel van de transmissiecategorieën ‘heteroseksuele contacten’ en ‘intraveneus drugsgebruik’ verder toeneemt (respectievelijk van 10% naar 16% en van 10% naar 13%).
De conclusie dat de wijze waarop de HIV-epidemie zich in Rotterdam ontwikkelt enigszins vooruitloopt op de landelijke ontwikkelingen en dat de verschillen tussen deze stad en de rest van Nederland met de tijd zullen afnemen, lijkt derhalve meer voor de hand te liggen. Dat laat onverlet dat het nieuwe, veelkleurige gezicht van de HIV-epidemie in ons land dringend een adequaat antwoord van zorgverleners en beleidmakers behoeft.
Houweling H, Heisterkamp SH, Wijngaarden JK van, Wiessing LG, Coutinho RA, Jager JC. Analyse van de AIDS-epidemie in Nederland, 1982-1993. [LITREF JAARGANG="1994" PAGINA="1954-9"]Ned Tijdschr Geneeskd 1994;138:1954-9.[/LITREF]
(Geen onderwerp)
Rotterdam, maart 1995,
Wij hebben geen behoefte gehad om tekortkomingen in de huidige opvang van HIV-seropositieven aan te wijzen. Het was ons erom te doen erop te wijzen dat de verschuivingen in Rotterdam een gedifferentieerde aanpak vereisen. De in ons artikel aangetoonde verschillen tussen Rotterdam-Dijkzigt en de rest van Nederland worden extra ondersteund door nieuwe cijfers van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam over het jaar 1994 betreffende de indeling naar transmissiegroepen van 95 nieuwe HIV-seropositieven: slechts 33% werd waarschijnlijk geïnfecteerd via homo- of biseksueel contact, 24% via intraveneus drugsgebruik en 43% via heteroseksueel contact. Er waren 68 mannen en 27 vrouwen; het land van herkomst was in 44% van de gevallen niet Nederland. Onzes inziens is dit patroon redelijk uniek voor de regio Rijnmond in vergelijking met de rest van Nederland.