Een berekening op basis van individueel gekoppelde landelijke data

Het levenslange risico op dementie

Onderzoek
Bart Klijs
Marianna Mitratza
Peter P.M. Harteloh
Eric P. Moll van Charante
Edo Richard
Markus M.J. Nielen
Anton E. Kunst
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2021;165:D5917

Inleiding

Dementie is een ingrijpende en veel voorkomende aandoening. Momenteel zijn er tussen de 254.000-270.000 personen met dementie in Nederland, maar naar verwachting is dit aantal in 2040 ruim verdubbeld. Dementie wordt gekenmerkt door een progressief verlies van cognitief functioneren en een toenemende afhankelijkheid op alle functieniveaus. Er is geen behandeling beschikbaar die het ziektebeloop beïnvloedt.

Ongeveer de helft van de mensen is enigszins tot zeer bezorgd om ooit dementie te krijgen. Een risicomaat die aansluit bij deze zorg en die tevens informatief is voor de planning van preventie en zorg is het levenslange risico op dementie, oftewel de kans om op enig moment in het leven dementie te ontwikkelen. Eerdere schattingen van het levenslange risico op dementie waren beperkt tot oudere groepen en zijn door selectiebias mogelijk niet representatief.

Het doel van deze studie is het kwantificeren van het levenslange risico op dementie vanaf de geboorte op basis van…

Auteursinformatie

Centraal Bureau voor de Statistiek, afd. Gezondheid en Zorg, Den Haag: dr. B. Klijs, epidemioloog en statistisch onderzoeker (tevens: Amsterdam UMC, afd. Public and Occupational Health); dr. PPM Harteloh, statistisch onderzoeker.Amsterdam UMC-Universiteit van Amsterdam, afd. Public and Occupational Health, Amsterdam: dr. M. Mitratza, arts-onderzoeker; prof.dr. E.P. Moll van Charante, huisarts en onderzoeker; prof.dr. A.E. Kunst, sociaal epidemioloog.Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL), Utrecht: dr. M.M.J. Nielen, epidemioloog.Amsterdam UMC-Universiteit van Amsterdam, afd. Neurologie, Amsterdam: prof.dr. E. Richard, neuroloog en onderzoeker.

Contact B. Klijs (b.klijs@cbs.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Bart Klijs ICMJE-formulier
Marianna Mitratza ICMJE-formulier
Peter P.M. Harteloh ICMJE-formulier
Eric P. Moll van Charante ICMJE-formulier
Edo Richard ICMJE-formulier
Markus M.J. Nielen ICMJE-formulier
Anton E. Kunst ICMJE-formulier
Dementie: neuzen tellen blijft een uitdaging

Gerelateerde artikelen

Reacties

Sander
Strik

Introductie: Bart Klijs en collegae lieten in een fraai kort onderzoeksverslag (D5917) van hun internationale publicatie in Int J Epidemiology (dec 2020) zien dat van alle Nederlanders die in 2017 overleden, 24% overleed met een dementiediagnose.Dat zou betekenen dat 1 op de 4 Nederlanders op enig moment in hun leven een dementie ontwikkelt. Dit zijn belangwekkende gegevens, waarbij meteen vermeld moet worden dat het overlijden met dementie en niet door dementie betreft. Tevens kan sprake zijn van zowel onder- als overregistratie en lijkt de prevalentie veel hoger dan waargenomen in de tweede lijn.

Methode: Wij gingen na bij welk percentage van de mensen die van 2017-2020 in het Radboudumc overleden een dementie was vastgesteld. Deze analyse voerde onze dataspecialist medische codering (SS) uit op alle patiëntgegevens in het electronisch patiëntendossier (EPIC) en we vulden dit aan met gegevens die de Medische Codering heeft van de overlijdensbrieven die steeds worden geschreven.

Resultaten: In totaal werd bij 5,2% van de 616 in 2017 overleden patiënten een dementie diagnose geregistreerd als bijkomende diagnose. In 2018, 209 en 2020 was dit respectievelijk 4,2%, 3,9% en 4,1%.

Discussie: Deze prevalenties zijn opmerkelijk veel lager dan de dementie-prevalentie die Klijs e.a. vonden. De populatie in het Radboudumc opgenomen en daar overleden is natuurlijk een sterke selectie. Het betreft immers patiënten bij wie een derdelijns diagnose- en/of behandeltraject waardevol werd geacht. Het zou kunnen dat juist de aanwezigheid van een dementie van lichte of gevorderde ernst terecht maakte dat een dergelijke verwijzing niet werd overwogen of wel overwogen, maar uiteindelijk niet gerealiseerd door de huisarts.
Het zou echter ook kunnen meespelen dat bij veel patiënten de cognitieve stoornissen of dementiediagnose niet vastgesteld zijn. Uit onze eigen ervaringen op de spoedeisende hulp is het zeer waarschijnlijk dat dit mede een rol speelt. Bij korte cognitieve screening op de SEH stellen we immers veelvuldig een vermoeden op een dementie voor het eerst vast. Mogelijke onderdiagnostiek van dementie werd bijvoorbeeld ook prospectief in een Engelse studie beschreven (1).


Conclusie: De getallen van Klijs e.a. ondersteunen samen met de door ons gevonden prevalentie het belang van case-finding van cognitieve stoornissen bij ziekenhuisopname van oudere patiënten. De dementie richtlijn beschrijft hoe dat efficënt kan. Deze case-finding kan bijdragen aan beter passende zorg. Zowel artsen als verpleegkundigen kunnen communicatie, weging van voor- en nadelen van diagnostiek en behandeling, besluitvorming en revalidatie beter vormgeven als ze inzicht hebben in deze cognitieve vermogens (2,3). Daarbij hoeft geen dementiediagnostiek in engere zin te worden uitgevoerd, maar volstaat screening op cognitie en het daarop gericht afspraken maken van begeleiding en behandeling.

Referenties:
1.Crowther GJ, Bennett MI, Holmes JD. How well are the diagnosis and symptoms of dementia recorded in older patients admitted to hospital? Age Ageing.2017;46:112-118.
2.Timmons S, O'Shea E, O'Neill D, Gallagher P, de Siún A, McArdle D, Gibbons P, Kennelly S. Acute hospital dementia care: results from a national audit. BMC Geriatr.2016;16:113.
3.Digby R, Lee S, Williams A. The experience of people with dementia and nurses in hospital: an integrative review.  J Clin Nurs.2017;26:1152-1171.

Sander Strik, dataspecialist medische codering, Radboudumc;

Roderick Kriekaart, Marcel Olde Rikkert, klinisch geriaters, Radboudumc