'Gekke koe'.

Nieuws
J.B. Meijer van Putten
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2370-1
Download PDF

‘Gekke koe’. - De werkelijke gang van zaken rond de eerste ‘gekke koe’ in België blijkt nog merkwaardiger dan veel kranten al gemeld hebben (De Morgen, 12 november). Het komt erop neer dat het dier alleen maar werd opgespoord omdat het in het Luikse slachthuis werd afgekeurd. Het was te mager. De eigenaar, die zijn opbrengst in rook zag opgaan, besloot daarop een truc toe te passen: hij liet aan een inspecteur van het ministerie van Landbouw weten dat de bewuste koe eerder symptomen van een zenuwaandoening had vertoond. Boeren die koeien met een zenuwaandoening als hondsdolheid of gekkekoeienziekte melden, kunnen namelijk rekenen op een vergoeding van de overheid. Daarop werd de kop van het dier naar het Nationaal Instituut voor Diergeneeskundig Onderzoek gestuurd, waar men de hersenen onderzocht. Toen bleek dat het dier inderdaad aan boviene spongiforme encefalopathie (BSE) leed, hield de inspectie dit in eerste instantie om nog onduidelijke redenen geheim. Zo kon het gebeuren dat het karkas van de koe werd vermalen tot beendermeel, dat vervolgens tot Nederlands, Oostenrijks en Belgisch veevoer werd verwerkt.

Nu blijkt dat van de 650 in 1990 bij de Belgische overheid gemelde verdachte koeien 95 uit Wallonië afkomstig was en slechts 5 uit Vlaanderen. Dat komt doordat Vlaamse dierenartsen en boeren niet en Waalse wel op de hoogte waren van het feit dat zij financiële compensatie zouden ontvangen voor gemelde zieke dieren. Het is dus heel goed mogelijk – zeker na de bekendwording vorig jaar dat besmet Brits vleesmeel via Vlaanderen is geïmporteerd – dat er in België nog meer gekke koeien zijn geweest. De Morgen (14 november) meldt verder dat het vermoedelijk eerste in België gesignaliseerde geval van de nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (v-CJD) nooit zal worden bewezen, omdat laboranten van de Rijksuniversiteit Gent enkele maanden geleden weigerden een autopsie op de betrokken patiënt uit te voeren uit vrees voor besmetting.

Het aantal koeien met BSE in Groot-Brittannië neemt overigens af. Dat blijkt uit een brief aan Nature (1997;389:903) van het Wellcome Trust Centre for the Epidemiology of Infectious Disease met de nieuwste cijfers over de BSE-epidemie. De genomen maatregelen – het vernietigen van alle dieren boven de 30 maanden en een in maart 1997 begonnen selectieve schifting van alle kudden met een geschiedenis van BSE – lijken dus effectief. In 1996 zijn nog 7417 gevallen geregistreerd, wat min of meer overeenkomt met de voorspellingen. Rond 2001 zal de epidemie zijn uitgewoed (figuur 2).

Inmiddels zijn dit jaar in Groot-Brittannië 21 bewezen gevallen van de nieuwe variant van de ziekte gesignaleerd. (In 1995 waren er 3 sterfgevallen en in 1996 10.) Men veronderstelt dat deze aandoening het gevolg is van het eten van besmet vlees, vooral slachtafval. Voordat in 1989 de slachtafvalban in Groot-Brittannië geïntroduceerd werd, zijn er naar schatting 480.000 geïnfecteerde koeien in de voedselketen terechtgekomen. Aangezien de incubatieperiode van de door BSE veroorzaakte v-CJD onbekend is, kan men nog steeds geen betrouwbare voorspellingen doen over de toekomstige ontwikkeling van deze ziekte.

Gerelateerde artikelen

Reacties