Farmacotherapie van neuropathische pijn door letsel van afferente zenuwvezels

W.E.J. Weber
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:813-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Desafferentatiepijn, een vorm van neuropathische pijn, wordt veroorzaakt door beschadiging van somatosensibele afferente zenuwvezels in het perifere of centrale zenuwstelsel.

- De pijn is vaak niet goed te behandelen met niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen. Op grond van het onderliggende mechanisme wordt pijn behandeld met antidepressiva (voor min of meer continue pijn) of anti-epileptica (voor paroxismale pijn).

- Van antidepressiva zijn tricyclische antidepressiva het best onderzocht en het meest voorgeschreven. De werkzaamheid van nieuwe middelen, zoals de selectieve serotonineheropnameremmer paroxetine alsmede venlafaxine, is nog niet goed aangetoond.

- Van anti-epileptica zijn carbamazepine en fenytoïne het meest voorgeschreven. Nieuwe middelen die meer pijnreductie geven dan placebo, zijn oxcarbazepine, gabapentine en lamotrigine.

- Andere effectieve middelen bij desafferentatiepijn zijn: gamma-aminoboterzuuragonisten (baclofen), opiaten (morfinepreparaten met gereguleerde afgifte; fentanylpleister), de N-methyl-D-aspartaatreceptorantagonist amantadine, transdermaal toegediende clonidine en lokaal geappliceerde lidocaïne.

Neuropathische pijn wordt veroorzaakt door een laesie of disfunctie van het zenuwstelsel. Op basis van onderliggende mechanismen kan men neuropathische pijn onderverdelen in nociceptieve zenuwpijn en desafferentatiepijn.1 2

Nociceptieve zenuwpijn wordt veroorzaakt door een ontstekingsproces van een perifere zenuw, dat de Nn. nervorum activeert in het bindweefsel dat de zenuw omgeeft. Een bekend voorbeeld van nociceptieve zenuwpijn is het acuut lumbosacraal radiculair syndroom. Nociceptieve zenuwpijn kan in het algemeen adequaat behandeld worden met de klassieke analgetica niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's) en opiaten.3

Desafferentatiepijn wordt veroorzaakt door een (oud) letsel van afferente zenuwvezels in het perifere of centrale zenuwstelsel. Pijnlijke polyneuropathie of centraal pijnsyndroom na herseninfarct zijn hiervan voorbeelden. Omdat desafferentatiepijn minder gevoelig is voor analgetica wordt deze behandeld met andere middelen, zoals antidepressiva en anti-epileptica. Voor neuroablatieve ingrepen (definitieve zenuwonderbrekingen met radiofrequente stroom of neurotoxische middelen zoals fenol) is geen rol meer weggelegd.4-6 Wel worden er behandelingen als transcutane elektrische zenuwstimulatie en ruggenmergstimulatie toegepast, hoewel het klinische effect nog niet met gecontroleerde onderzoeken is aangetoond.7-9

Kennis van de (nieuwe) mogelijkheden om neuropathische pijn te behandelen is belangrijk, omdat blijkt dat onbekendheid hiermee een van de belangrijkste oorzaken is van onderbehandeling van pijn bij kanker.10 Neuropathische pijn bij kanker kan velerlei vormen hebben, variërend van druk door een epidurale metastase tot pijnlijke polyneuropathie ten gevolge van cytostaticagebruik. Sinds het laatste overzicht van middelen ter bestrijding van neuropathische pijn in dit tijdschrift,1 zijn er op dit gebied diverse nieuwe ontwikkelingen geweest. In dit artikel zal ik ingaan op de ontwikkelingen betreffende desafferentatiepijn.

mechanisme van desafferentatiepijn

Desafferentatie wordt veroorzaakt door een beschadiging van somatosensibele afferente zenuwvezels. Na beschadiging van een primair afferente zenuw kunnen de regenererende vezels veranderde membraaneigenschappen vertonen, zoals toename van de Na+-kanalen met hyperexcitabiliteit en ectopische prikkelvorming.11 Er ontstaat een verhoogde gevoeligheid voor catecholaminen, door toename van ?-adrenoreceptoren en in sommige gevallen door abnormale synaptische verbindingen tussen het sympathische zenuwstelsel en senibele neuronen (‘sprouting’). Desinhibitie van lager gelegen neuronen door een afname van gamma-aminoboterzuur (GABA), een inhibitoire neurotransmitter, en van GABA-receptoren, speelt een rol bij het ontstaan van centrale pijn. Hier speelt ‘centrale sensibilisatie’ voor nociceptieve impulsen een rol. Dit fenomeen, waardoor de prikkelbaarheid van neuronen in het ruggenmerg toeneemt, draagt bij aan de therapieresistentie van neuropathische pijn. Het kan in de experimentele situatie worden tegengegaan door blokkering van de N-methyl-D-aspartaat(NMDA)-receptor.12 Op basis van deze waarnemingen wordt in de behandeling van neuropathische pijn gebruikgemaakt van Na+-kanaalblokkerende farmaca als antidepressiva, anti-epileptica, lokale-anaesthetica, GABA-concentratieverhogende farmaca als baclofen en gabapentine, en NMDA-receptorantagonisten als amantadine.

algemene farmacotherapeutische overwegingen

In principe is de farmacotherapie voor de verschillende pijnsyndromen door desafferentatie identiek. Wel is het zinvol om een onderscheid te maken tussen de continue en de paroxismale pijnsyndromen (zie verder). De twee voornaamste klassen van middelen tegen desafferentatiepijn zijn antidepressiva en anti-epileptica. Hoewel hiernaar nooit formeel onderzoek is gedaan, lijkt het gerechtvaardigd om de volgende tweedeling te maken. Bij een min of meer continue pijn (zoals men vaak ziet bij een centraal pijnsyndroom, bijvoorbeeld pijn in een lichaamshelft na een ischemisch infarct in de thalamus) begint men in het algemeen te behandelen met antidepressiva. Patiënten met een paroxismaal pijnsyndroom (trigeminusneuralgie is het klassieke voorbeeld) kan men beter behandelen met anti-epileptica.

Het is verstandig om vóór de aanvang van de behandeling een plan te formuleren met de volgorde van te proberen middelen. Een wetenschappelijk gefundeerd advies over een dergelijke volgorde is niet te geven. In een recente meta-analyse van trials met middelen tegen pijn ten gevolge van polyneuropathie werd geconcludeerd dat de tricyclische antidepressiva middelen van eerste keus zijn, gevolgd door gabapentine, tramadol, en carbamazepine.13 Een voorbeeld van een behandelingsstrategie kan men vinden op de website van het Pijnkenniscentrum (http://www.pijn.com/medici/index.htm). Er is geen strikte correlatie tussen serumspiegels en effect op de pijn. Enige praktische richtlijnen voor farmacotherapie van neuropathische pijn zijn geformuleerd in de tabel.

antidepressiva

Tricyclische antidepressiva

De tricyclische antidepressiva zijn de best onderzochte en meest voorgeschreven middelen voor desafferentatiepijn van uiteenlopende oorsprong. Gecontroleerde onderzoeken hebben de effectiviteit ervan aangetoond, waarbij het pijnverminderende effect onafhankelijk is van het antidepressieve effect. Van amitriptyline, nortriptyline en desipramine is aangetoond dat ze beter zijn dan placebo in het behandelen van pijn bij diabetische polyneuropathie en postherpetische neuralgie.11 14-20 In een systematische ‘review’ bleek dat men met deze farmaca bij gemiddeld 1 op de 3 patiënten een pijnreducerend effect van 50 bereikt.21 Tricyclische antidepressiva kunnen een effect hebben op het centrale pijnmodulerende systeem dat zich in de hersenstam bevindt, waar ze de activiteit van 5-hydroxytryptamine en noradrenaline beïnvloeden. Uit dierproeven blijkt ook dat ze een perifere werking kunnen hebben door remming van ectopische prikkelvorming.

Overige antidepressiva

De antidepressiva van de nieuwe generatie, de selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI's) zijn een aanwinst voor de psychiatrie, onder andere doordat ze minder bijwerkingen hebben dan de tricyclische antidepressiva.22 Vanzelfsprekend zijn deze middelen ook onderzocht op hun werkzaamheid tegen neuropathische pijn. De resultaten zijn minder overtuigend dan die welke worden bereikt met de tricyclische antidepressiva. Zo blijkt de ‘prototypische’ SSRI, fluoxetine, in een trial niet werkzaam tegen pijnlijke diabetische polyneuropathie, behalve wanneer er ook een depressie aanwezig is.23 Over paroxetine zijn 2 gecontroleerde onderzoeken bekend, waarin het middel een gering effect had op pijn ten gevolge van een polyneuropathie.24 25

Venlafaxine is een nieuw antidepressivum dat theoretisch een voordeel heeft boven de tricyclische antidepressiva omdat het remming van de heropname van serotonine en noradrenaline combineert met geringe beinvloeding van andere neurotransmittersystemen. Het zou dus even werkzaam moeten zijn als de tricyclische antidepressiva met een minimum aan bijwerkingen. Enige casuïstische mededelingen lijken dit te bevestigen.26 Gerandomiseerd onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd zal uitwijzen in hoeverre dit veelbelovende middel werkzaam is.

anti-epileptica

Anti-epileptica zijn naast de genoemde tricyclische antidepressiva de meest gebruikte middelen ter verlichting van desafferentatiepijn. In het algemeen worden ze als eerste middel voorgeschreven bij de paroxismale desafferentatiepijnsyndromen. De voornaamste twee zijn carbamazepine en fenytoïne. Er is aangetoond dat ze beter zijn dan placebo als middel ter behandeling van pijnlijke handen en voeten bij diabetische polyneuropathie.27 Men neemt aan dat anti-epileptica afwijkende ectopische prikkelvorming en neuronale hyperexcitabiliteit remmen en zo desafferentatiepijn verminderen. Qua werkzaamheid lijkt er geen wezenlijk verschil te zijn met de tricyclische antidepressiva. In de genoemde meta-analyse bleek dat het ‘number needed to treat’, dat wil zeggen het aantal patiënten dat men moet behandelen om bij 1 patiënt een acceptabel positief effect te verkrijgen, bij beide groepen middelen ongeveer 3-4 is.21 Hoewel er nog relatief weinig onderzoek naar verricht is, lijkt oxcarbazepine in de praktijk een goed alternatief voor carbamazepine. De indruk bestaat dat het even effectief is met beduidend minder bijwerkingen.28

Een recente aanwinst is het anticonvulsivum gabapentine. Het is bewezen dat dit middel beter is dan placebo voor de behandeling van de vaak hevige dermatoomgebonden pijn bij postherpetische neuralgie en de pijnlijke handen en voeten als gevolg van diabetische polyneuropathie.29-31 De werkzaamheid is vergelijkbaar met die van carbamazepine en fenytoïne. Omdat het bijwerkingenprofiel van gabapentine gunstiger lijkt, moet het middel als een aanwinst beschouwd worden voor de behandeling van desafferentatiepijn. De dosering begint met 300 mg per dag en kan worden verhoogd tot 3600 mg per dag. Effectieve doseringen zijn meestal 2000-3600 mg per dag.

Lamotrigine werd onlangs effectief bevonden bij de behandeling van centrale pijn na een herseninfarct.32 In een dosering van 200 mg per dag gaf het een gemiddelde pijnreductie van 30. Nadeel van het middel is de huiduitslag in het begin van de behandeling. Deze kan men uitsluitend voorkomen door de dosis zeer langzaam op te bouwen (gedurende 4 weken).

gaba-agonisten

Baclofen, een GABAB-receptoragonist, inhibeert het vrijkomen van exciterende neurotransmitters en remt zo waarschijnlijk transmissie van nociceptieve impulsen in het centrale zenuwstelsel. De effectiviteit van baclofen is overtuigend aangetoond bij de ernstige aangezichtspijn die wordt veroorzaakt door trigeminusneuralgie.29-31 33 Het middel wordt veel gebruikt voor de behandeling van de paroxismale desafferentatiepijnsyndromen, als alternatief voor carbamazepine. De aanvangsdosis is 5 mg per dag.

opiaten

Hoewel hun effect op desafferentatiepijn in het verleden betwijfeld werd, kunnen opiaten hierop wel degelijk invloed hebben.34-39 In de praktijk zijn de morfinepreparaten met gereguleerde afgifte en de fentanylpleister het bruikbaarst. Vanwege het nog altijd controversiële karakter van chronisch opiaatgebruik bij pijn van niet-maligne oorsprong worden opiaten in een behandelingsstrategie als laatste middel ingezet (http://www.pijn.com/medici/index.htm).40

overige middelen

Clonidine is een agonist van perifere ?2-adrenerge receptoren met ook een mogelijk effect op pijnmodulerende systemen die noradrenaline als voornaamste neurotransmitter gebruiken. Het middel is beschikbaar in verschillende toedieningsvormen: oraal, transdermaal en intrathecaal. Alleen over transdermaal toegediende clonidine zijn gecontroleerde onderzoeken verschenen die een pijnverminderend effect aantonen.6 De meeste ervaring met het middel is opgedaan in kortdurende onderzoeken, dus in hoeverre het middel geïndiceerd is als langetermijnfarmacotherapie is nog onbekend.

Lokale anaesthetica worden reeds lang gebruikt om, behalve ritmestoornissen, ook neuropathische pijn te behandelen,41 42 waarschijnlijk omdat deze natriumkanaalantagonisten abnormale impulsen in beschadigde zenuwen remmen. Intraveneuze lidocaïne en orale mexiletine (geregistreerd als anti-arrhythmicum) zijn bestudeerd in gecontroleerde trials en bleken effectief bij de behandeling van pijnlijke diabetische polyneuropathie. Intraveneuze lidocaïne kan een aanzienlijk pijnverminderend effect hebben, maar is in de praktijk niet bruikbaar vanwege de manier van toedienen en omdat het effect maar zeer kort aanhoudt.41 43 44 Hoewel de effectiviteit van het orale analogon mexiletine bewezen is bij pijnlijke diabetische polyneuropathie,6 45-47 valt het effect in de praktijk tegen. Beide middelen zijn gecontraïndiceerd bij hartpatiënten. Voorschrijven geschiedt bij voorkeur in overleg met de cardioloog.

De NMDA-receptor is één van de receptoren voor de exciterende neurotransmitter glutamaat. NMDA-receptorantagonisten zijn door hun veronderstelde remming van centrale sensitisatie geschikt voor behandeling en preventie van neuropathische pijn.12 In de anesthesiologie wordt de NMDA-receptorantagonist ketamine gebruikt als anaestheticum bij operaties. Vanwege de toedieningswijze (intraveneus of subcutaan) en de bijwerkingen is het middel niet geschikt voor de behandeling van chronische pijn. Een andere NMDA-receptorantagonist, amantadine, werd oorspronkelijk ontwikkeld als virostaticum en bleek later ook werkzaam bij de behandeling van de ziekte van Parkinson. Er is over dit middel één gecontroleerd onderzoek gepubliceerd, waaruit bleek dat het effectief is bij de behandeling van neuropathische pijn bij patiënten met kanker. De dosering van amantadine is 100 mg 1-2 maal per dag.48

De twee bekendste middelen voor topische applicatie zijn capsaïcine en lidocaïne-prilocaïnecrème. Capsaïcine is een extract van chilipepers en bindt aan de zogenaamde vanilloïdreceptor van het C-vezelsysteem.49 Theoretisch zouden aldus nociceptieve impulsen via dit systeem geremd worden. Er is een aantal gecontroleerde onderzoeken gedaan, waarin de werkzaamheid niet is bewezen.50 Kiest men een juiste placebo (namelijk een stof die ook een brandend gevoel geeft), dan blijkt capsaïcine niet beter te zijn dan placebo in een gecontroleerd onderzoek.51

Lidocaïne-prilocaïnecrème is vanwege zijn relatief korte werkingsduur minder geschikt voor de behandeling van chronische pijn. Veelbelovend lijkt een nieuwe topische lidocaïne-gel te zijn. Dit middel is in een aantal gecontroleerde trials onderzocht en is effectief bij de behandeling van postherpetische neuralgie.52 Systemische serumspiegels bij gebruik van deze gel of pleister blijven laag, zodat het middel ook gebruikt kan worden bij patiënten met cardiale ritmestoornissen. Mogelijk is het ook van waarde voor de behandeling van pijn bij polyneuropathieën.

conclusie

Kennis van de farmacotherapie van neuropathische pijn is belangrijk, omdat deze vorm van pijn, vooral bij de patiënt met kanker, vaak onderbehandeld wordt. Hoewel niet iedere patiënt met neuropathische pijn bevredigend behandeld kan worden, zijn er de laatste jaren diverse nieuwe middelen ontwikkeld die de behandelingsmogelijkheden vergroot hebben.

Literatuur
  1. Dellemijn PLI, Vecht ChJ. Neuropathische pijn; oorzaken enbehandeling. Ned Tijdschr Geneeskd1992;136:819-22.

  2. Vecht ChJ, Alting van Geusau RB. Oorzaken van pijnuitgaande van het zenuwstelsel. NedTijdschr Geneeskd 1990;134:59-63.

  3. Vecht ChJ, Alting van Geusau RB. Medicamenteuzebehandeling van pijn uitgaande van het perifere zenuwstelsel.Ned Tijdschr Geneeskd1990;134:63-8.

  4. Boas RA. Sympathetic nerve blocks: in search of a role.Reg Anesth Pain Med 1998;23:292-305.

  5. Dellemijn PLI, Jong PC de, Vecht ChJ. Meer pijn doorpijnbehandeling. Ned TijdschrGeneeskd 1993;137:1539-42.

  6. Kingery WS. A critical review of controlled clinicaltrials for peripheral neuropathic pain and complex regional pain syndromes.Pain 1997;73:123-39.

  7. McQuay HJ, Moore RA. Spinal cord stimulators for backpain. In: McQuay HJ, Moore RA, editors. An evidence-based resource for painrelief. Oxford: Oxford University Press; 1998. p. 219.

  8. McQuay HJ, Moore RA. TENS in chronic pain. In: McQuay HJ,Moore RA, editors. An evidence-based resource for pain relief. Oxford: OxfordUniversity Press; 1998. p. 207-11.

  9. Gezondheidsraad. De effectiviteit van fysische therapie:elektrotherapie, lasertherapie, ultrageluidbehandeling. Rapportnr 1999/20.Den Haag: Gezondheidsraad; 1999.

  10. Sjøgren P, Banning AM, Jensen NH, Jensen M, KleeM, Vainio A. Management of cancer pain in Denmark: a nationwide questionnairesurvey. Pain 1996;64:519-25.

  11. Woolf CJ, Mannion RJ. Neuropathic pain: aetiology,symptoms, mechanisms, and management. Lancet 1999;353:1959-64.

  12. Koning HM. De NMDA-receptor en de klinische toepassingen.Ned Tijdschr Pijn Pijnbestr 1999;19:4-6.

  13. Sindrup SH, Jensen TS. Pharmacologic treatment of pain inpolyneuropathy. Neurology 2000;55:915-20.

  14. Eija K, Tiina T, Pertti NJ. Amitriptyline effectivelyrelieves neuropathic pain following treatment of breast cancer. Pain1996;64:293-302.

  15. Galer BS. Neuropathic pain of peripheral origin: advancesin pharmacologic treatment. Neurology 1995;45(12 Suppl 9):S17-25; discussionS35-6.

  16. Harwood DD, Hanumanthu S, Stoudemire A. Pathophysiologyand management of phantom limb pain. Gen Hosp Psychiatry1992;14:107-18.

  17. Koltzenburg M. Painful neuropathies. Curr Opin Neurol1998;11:515-21.

  18. Max MB, Kishore-Kumar R, Schafer SC, Meister B, GracelyRH, Smoller B, et al. Efficacy of desipramine in painful diabetic neuropathy:a placebo-controlled trial. Pain 1991;45:3-9;discussion 1-2.

  19. Max MB. Treatment of post-herpetic neuralgia:antidepressants. Ann Neurol 1994;35 Suppl:S50-3.

  20. Watson CPN, Vernich L, Chipman M, Reed K. Nortriptylineversus amitriptyline in postherpetic neuralgia: a randomized trial. Neurology1998;51:1166-71.

  21. McQuay HJ, Tramer M, Nye BA, Carroll D, Wiffen PJ, MooreRA. A systematic review of antidepressants in neuropathic pain. Pain1996;68:217-27.

  22. Waal MWM de, Stolk J, Marwijk HWJ van, Springer MP.Voorschrijven van antidepressiva in de huisartspraktijk.Ned Tijdschr Geneeskd1996;140:2131-4.

  23. Max MB, Lynch SA, Muir J, Shoaf SE, Smoller B, Dubner R.Effects of desipramine, amitriptyline, and fluoxetine on pain in diabeticneuropathy. N Engl J Med 1992;326:1250-6.

  24. Sindrup SH, Gram LF, Brosen K, Eshoj O, Mogensen EF. Theselective serotonin reuptake inhibitor paroxetine is effective in thetreatment of diabetic neuropathy symptoms. Pain 1990;42:135-44.

  25. Sindrup SH, Grodum E, Gram LF, Beck-Nielsen H.Concentration-response relationship in paroxetine treatment of diabeticneuropathy symptoms: a patient-blinded dose-escalation study. Ther Drug Monit1991;13:408-14.

  26. Taylor K, Rowbotham MC. Venlafaxine hydrochloride andchronic pain. West J Med 1996;165:147-8.

  27. McQuay HJ, Carroll D, Jadad AR, Wiffen P, Moore RA.Anticonvulsant drugs for management of pain: a systematic review. BMJ1995;311:1047-52.

  28. Zakrzewska JM, Patsalos PN. Drugs used in the managementof trigeminal neuralgia. Oral Surg Oral Med Oral Pathol1992;74:439-50.

  29. Rowbotham M, Harden N, Stacey B, Bernstein P,Magnus-Miller L. Gabapentin for the treatment of postherpetic neuralgia: arandomized controlled trial. JAMA 1998;280:1837-42.

  30. Morello CM, Leckband SG, Stoner CP, Moorhouse DF,Sahagian GA. Randomized double-blind study comparing the efficacy ofgabapentin with amitriptyline on diabetic peripheral neuropathy pain. ArchIntern Med 1999;159:1931-7.

  31. Gorson KC, Schott C, Herman R, Ropper AH, Rand WM.Gabapentin in the treatment of painful diabetic neuropathy: a placebocontrolled, double blind, crossover trial letter. J NeurolNeurosurg Psychiatry 1999;66:251-2.

  32. Vestergaard K, Andersen G, Gottrup H, Kristensen BT,Jensen TS. Lamotrigine for central poststroke pain: a randomized controlledtrial. Neurology 2001;56:184-90.

  33. Backonja M, Beydoun A, Edwards KR, Schwartz SL, FonsecaV, Hes M, et al. Gabapentin for the symptomatic treatment of painfulneuropathy in patients with diabetes mellitus: a randomized controlled trial.JAMA 1998;280:1831-6.

  34. Dellemijn PL, Vanneste JA. Randomised double-blindactive-placebo-controlled crossover trial of intravenous fentanyl inneuropathic pain. Lancet 1997;349:753-8.

  35. Dellemijn PL, Duijn H van, Vanneste JA. Prolongedtreatment with transdermal fentanyl in neuropathic pain. J Pain SymptomManage 1998;16:220-9.

  36. Dellemijn PL. Are opioids effective in relievingneuropathic pain? Pain 1999;80:453-62.

  37. Graven S, Vet HCW de, Kleef M van, Weber WEJ. Opiaten alsbehandeling voor chronische benigne pijnsyndromen: een meta-analyse van deliteratuur. Ned Tijdschr Pijn Pijnbestr 1998;18:20-4.

  38. McQuay HJ, Carroll D, Jadad AR, Glynn CJ, Jack T, MooreRA, et al. Dextromethorphan for the treatment of neuropathic pain: adouble-blind randomised controlled crossover trial with integral n-of-1design. Pain 1994;59:127-33.

  39. Sindrup SH, Andersen G, Madsen C, Smith T, Brosen K,Jensen TS. Tramadol relieves pain and allodynia in polyneuropathy: arandomised, double-blind, controlled trial. Pain 1999;83:85-90.

  40. Kalso E, McQuay HJ, Wiesenfeld-Hallin Z. Opioidsensitivity of chronic noncancer pain. Seattle: IASP; 1999.

  41. Attal N, Gaude V, Brasseur L, Dupuy M, Guirimand F,Parker F, et al. Intravenous lidocaine in central pain: a double-blind,placebo-controlled, psychophysical study. Neurology 2000;54:564-74.

  42. Max MB, Hagen NA. Do changes in brain sodium channelscause central pain? Neurology 2000;54:544-5.

  43. Rowbotham MC, Reisner-Keller LA, Fields HL. Bothintravenous lidocaine and morphine reduce the pain of postherpetic neuralgia.Neurology 1991;41:1024-8.

  44. Medrik-Goldberg T, Lifschitz D, Pud D, Adler R, EisenbergE. Intravenous lidocaine, amantadine, and placebo in the treatment ofsciatica: a double-blind, randomized, controlled study. Reg Anesth Pain Med1999;24:534-40.

  45. Chabal C, Jacobson L, Mariano A, Chaney E, Britell CW.The use of oral mexiletine for the treatment of pain after peripheral nerveinjury. Anesthesiology 1992;76:513-7.

  46. Jarvis B, Coukell AJ. Mexiletine. A review of itstherapeutic use in painful diabetic neuropathy. Drugs1998;56:691-707.

  47. Sindrup SH, Jensen TS. Efficacy of pharmacologicaltreatments of neuropathic pain: an update and effect related to mechanism ofdrug action. Pain 1999;83:389-400.

  48. Pud D, Eisenberg E, Spitzer A, Adler R, Fried G,Yarnitsky D. The NMDA receptor antagonist amantadine reduces surgicalneuropathic pain in cancer patients: a double blind, randomized, placebocontrolled trial. Pain 1998;75:349-54.

  49. Caterina MJ, Rosen TA, Tominaga M, Brake AJ, Julius D. Acapsaicin-receptor homologue with a high threshold for noxious heat. Nature1999;398:436-41.

  50. McQuay HJ, Moore RA. Topical capsaicin. In: McQuay HJ,Moore RA, editors. An evidence-based source for pain relief. Oxford: OxfordUniversity Press; 1998. p. 249-50.

  51. Low PA, Opfer-Gehrking TL, Dyck PJ, Litchy WJ,O'Brien PC. Double-blind, placebo-controlled study of the application ofcapsaicin cream in chronic distal painful polyneuropathy. Pain 1995;62:163-8.

  52. Rowbotham MC, Davies PS, Verkempinck C, Galer BS.Lidocaine patch: double-blind controlled study of a new treatment method forpost-herpetic neuralgia. Pain 1996;65:39-44.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, afd. Neurologie, Postbus 5800, 6202 AZ Maastricht.

Contact Dr.W.E.J.Weber, neuroloog (wweb@sneu.azm.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties