Eerste beoordeling en behandeling van kleine brandwonden: 10 tips

Klinische praktijk
Gro L. Vlaspolder
A.F.P.M. (Jos) Vloemans
Roelf S. Breederveld
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;161:D591
Abstract
Download PDF

In een serie artikelen in de rubriek Stand van zaken worden de huidige kennis en recente inzichten over een onderwerp samengevat in enkele praktische tips. Meer achtergrondinformatie over deze tips is te vinden op www.ntvg.nl/D591.

Samenvatting

De eerste opvang van een patiënt met brandwonden is een uitdaging voor iedere dokter. De eerste stap is adequaat koelen van een brandwond. Daarna is een zorgvuldige anamnese en een goede eerste beoordeling van essentieel belang voor de behandeling. De brandwond dient regelmatig te worden geïnspecteerd, om de wondgenezing te volgen en een eventuele infectie tijdig te herkennen. Wanneer de wond na 2 weken nog niet is genezen, kan hypertrofische littekenvorming optreden en dient een operatieve behandeling te worden overwogen. Voor overleg over de behandeling van de brandwond, bij infectie van de wond of de overweging over te gaan tot operatie en voor het overplaatsen van een patiënt naar een brandwondencentrum kan altijd contact worden opgenomen met de brandwondencentra in Beverwijk, Rotterdam en Groningen.

De eerste opvang van een patiënt met brandwonden is een uitdaging voor iedere dokter. Na adequate koeling van de brandwond zijn een zorgvuldige anamnese en een goede eerste beoordeling van essentieel belang. In de volgende 10 tips komen de belangrijkste aspecten van de eerste beoordeling en behandeling van kleine brandwonden aan bod.

Tip 1: WATER! De rest komt later…

Het koelen van de brandwond met lauw, stromend water zo kort mogelijk na de verbranding is de gouden standaard van de eerste hulp bij brandwonden. Koel de brandwond gedurende 10 minuten, binnen 3 uur na de verbranding. Verdieping van de brandwond in de eerste 48 uur kan worden tegengegaan door te koelen. Bovendien zorgt dit voor vermindering van de pijn.

Tip 2: Chemische letsels: zo snel mogelijk overvloedig spoelen

Chemische stoffen veroorzaken progressieve weefselbeschadiging totdat de inwerking wordt gestopt door verwijdering, het aanbrengen van een neutraliserende stof of verdunning met water. De hulpverlener moet in de eerste plaats zorgen dat hij of zij zelf niet met de chemische stof in aanraking komt en dat de stof zich niet in de omgeving verspreidt.

De kleding van de patiënt moet worden uitgedaan en debris op de wond wordt verwijderd door te deppen, poetsen of borstelen. De wond dient langdurig (45-60 minuten) te worden gespoeld met ruim stromend water om het chemische middel zo veel mogelijk te verwijderen en te verdunnen. Alle slachtoffers met chemisch letsel komen in aanmerking voor verwijzing naar een brandwondencentrum.

Tip 3: Neem een zorgvuldige en volledige anamnese af

De volgende 5 vragen geven een indruk van de te verwachten diepte van de brandwond:

(a) Waardoor ontstond de brandwond (hete vloeistof, vlam of steekvlam, contact met een heet voorwerp, elektriciteit of door chemicaliën)? (b) Hoe heet was de bron van de verbranding? (c) Hoe groot was de hoeveelheid agens? (d) Hoelang duurde de verbranding? (e) Welke maatregelen heeft u genomen (heeft u gekoeld of gespoeld en zo ja, hoe lang)?

Tip 4: Schat het oppervlak en de diepte van de brandwond

Om te weten hoeveel vochtverlies te verwachten is en de noodzaak van vloeistofresuscitatie in te schatten, is het van belang de grootte van de verbranding te berekenen. Deze grootte wordt uitgedrukt als het percentage van het lichaamsoppervlak van de patiënt dat is verbrand (TVLO). In de berekening van het TVLO worden alléén de tweedegraads- en derdegraadsbrandwonden meegenomen.

De eerste beoordeling van het TVLO kan op verschillende manieren. Figuur 1a illustreert de zogenoemde ‘regel van negen’. De omvang van kleinere brandwonden – minder dan 10% van het lichaamsoppervlak – kan geschat worden met de palmaire zijde van de hand van de patiënt; de volledige hand met vijf gesloten vingers komt overeen met ongeveer 1% van het lichaamsoppervlak (figuur 1b). Het klinisch onderzoek van brandwonden bestaat uit inspectie en palpatie. Let op de aanwezigheid van blaren, het wondaspect, de soepelheid van de huid, capillaire ‘refill’ en pijnbeleving. Brandwonden worden ingedeeld naar diepte in eerste-, tweede- en derdegraadsverbrandingen volgens het classificatiesysteem in tabel 1.

Tip 5: Bij circulaire brandwonden nooit direct escharotomie

Bij diepe circulaire of bijna-circulaire brandwonden van de hals of de romp en van de extremiteiten kunnen de thoraxexcursies en circulatie belemmerd worden, onder meer door krimp van de huid. In de extremiteiten kan zelfs ischemie en necrose ontstaan. Het lijkt dan logisch om de eschar – dat is de verbrande en gecoaguleerde huid – te incideren. Consulteer een brandwondencentrum wanneer uw patiënt een circulaire brandwond heeft en u vermoedt dat een escharotomie geïndiceerd is.

Tip 6: Denk bij kinderen met brandwonden aan kindermishandeling

Verdenking op kindermishandeling kan gerechtvaardigd zijn als er relatief veel tijd verstreken is tussen het ontstaan van de brandwond en consultatie van de arts, als het verhaal over de oorzaak van de brandwond niet consistent is of als het letsel niet overeenkomt met het verhaal. Besteed ook aandacht aan het patroon van de brandwond. Brandwonden door hete vloeistoffen vertonen doorgaans een spatvormig patroon, terwijl niet-accidentele verbrandingen door onderdompeling vaak sok- of handschoenvormig zijn.

Tip 7: Stem de behandeling af op de diepte van de brandwond

Een brandwond is dynamisch. Gedurende de eerste 48 uur kan de wond dieper worden. De verdieping is afhankelijk van de toegepaste behandelingen. Perifere circulatiestoornissen, uitdroging van de wond, infectie en mechanische beschadiging door een onjuiste verbandtechniek kunnen verdieping bevorderen. Behandeling van een diepe brandwond met een antibacteriële zalf of crème gecombineerd met een niet-verklevend verband is een veilige keuze.

Tip 8: Overweeg operatie bij niet-genezende brandwonden

Een oppervlakkige tweedegraadsbrandwond geneest binnen 10-14 dagen; hierbij treedt meestal geen littekenvorming op. Wanneer een brandwond bij kinderen na 2 weken en bij volwassenen na 3 weken nog niet is genezen, moet een operatieve behandeling worden overwogen. Een huidtransplantatie leidt onder meer tot een betere kwaliteit van het litteken.

Tip 9: Bestrijd infectie van brandwonden

Ook wanneer de juiste lokale therapie is toegepast kan een wondinfectie optreden. Een wondinfectie met Staphylococcus aureus komt het meest voor. Behandeling bestaat uit het verwijderen van verbandmiddelen en wijziging van het lokale therapeuticum. Dagelijkse behandeling met een lokaal therapeuticum zoals fusidinezuur, mupirocine of nitrofural is meestal voldoende om de infectie te bestrijden en de wondgenezing weer op gang te brengen.

Tip 10: Bel bij twijfel het brandwondencentrum

Voor vragen over brandwonden kan men altijd laagdrempelig telefonisch of per e-mail overleggen met een van de drie brandwondencentra in Nederland (tabel 2). De indicaties voor verwijzing naar een brandwondencentrum zijn weergegeven in tabel 3. Ook patiënten die niet voldoen aan de verwijzingscriteria kunnen toch worden gezien en eventueel opgenomen door het Brandwondencentrum.

Conclusie

Koelen of spoelen van respectievelijk de brandwond of het chemisch letsel is de eerste stap van behandeling. Als de anamnese goed is uitgevraagd en de oppervlakte en diepte van de wond zijn beoordeeld, bedenk dan of u deze brandwond zelf kunt behandelen. Houdt bij kinderen de mogelijkheid van kindermishandeling in gedachten. Als de brandwond ondanks behandeling niet geneest of wanneer een infectie optreedt, kan met een brandwondencentrum worden overlegd over eventuele verwijzing van de patiënt naar het centrum.

Achtergrond

De eerste opvang van een patiënt met brandwonden is een uitdaging voor iedere dokter. Denk maar aan de indrukwekkende aanblik van de brandwonden, het discomfort van de patiënt en soms de paniek van naasten. Na adequaat koelen van de brandwond zijn een zorgvuldige anamnese en een goede eerste beoordeling essentieel voor de behandeling. In deze 10 tips komen de belangrijkste aspecten van de eerste beoordeling en behandeling van kleine brandwonden aan bod.

Tip 1: WATER! De rest komt later…

Het koelen van de brandwond met lauw, stromend water zo kort mogelijk na de verbranding is de gouden standaard in de eerste hulp bij brandwonden. Koel de brandwond 10 minuten, mits dit andere interventies niet in de weg staat en in ieder geval binnen 3 uur nadat de brandwond is ontstaan.1,2 Verdieping van de brandwond in de eerste 48 uur kan worden tegengegaan door te koelen.3 Koeling zorgt bovendien voor een vermindering van de pijnsensatie.2

Voorkom onderkoeling bij de patiënt tijdens het koelen en let op de omgevingstemperatuur. Gebruik in geen geval ijs of ijswater; dit leidt tot verdieping van de brandwond. Koelingsdoeken zijn een effectieve manier om een brandwond direct te koelen op de plaats van het ongeval. Let erop dat de koelingsdoeken niet langer dan 10 tot 20 minuten worden aangebracht, gezien het risico op onderkoeling van de patiënt.1 Koelingsdoeken dienen nooit te worden ingezet voor langdurig transport – bijvoorbeeld van de locatie van eerste opvang naar een brandwondencentrum – of als wondbehandeling.4

Tip 2: Chemische letsels: zo snel mogelijk overvloedig spoelen

Chemische stoffen veroorzaken progressieve weefselbeschadiging totdat de inwerking wordt gestopt door mechanische verwijdering, het aanbrengen van een neutraliserende stof, of door verdunning met water. De persoonlijke veiligheid van de hulpverlener en die van de omgeving heeft hierbij de hoogste prioriteit. Draag daarom altijd handschoenen en schat in of verdere beschermingsmaatregelen moeten worden genomen, zoals beschermende kleding of beademingsapparatuur.

Kleding van de patiënt dient te worden verwijderd en eventueel debris op de wond moet worden verwijderd door te deppen met doeken, poetsen of borstelen. De wond dient langdurig (45-60 minuten) te worden gespoeld met ruim stromend water om het chemische middel zo veel mogelijk te verwijderen en te verdunnen.

Vraag altijd goed na welke maatregelen al zijn genomen.1 Het is van belang zo snel mogelijk vast te stellen met welke chemische stof de patiënt in aanraking is geweest. Als niet duidelijk is hoe er gehandeld moet worden, dient contact te worden opgenomen met het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, dat dag en nacht bereikbaar is (telefoonnummer: 030-274 8888).1 Alle slachtoffers met chemisch letsel komen in aanmerking voor verwijzing naar een brandwondencentrum.

Tip 3: Neem een zorgvuldige en volledige anamnese af

De volgende 5 vragen geven een indruk van de te verwachten diepte van de brandwond:

  • Waardoor ontstond de brandwond? Was het door hete vloeistof, een vlam of steekvlam, contact met een heet voorwerp, elektriciteit of door chemicaliën?
  • Hoe heet was de bron van de verbranding? Een beker thee kan bijvoorbeeld net zijn gezet, of al enige tijd op tafel hebben gestaan. Frituurvet is net na het bakken 180°C, maar een vetspat uit een braadpan is al enigszins afgekoeld voordat deze op de huid komt.
  • Hoe groot was de hoeveelheid agens die de brandwond heeft veroorzaakt? Bij verbranding door een kopje thee ontstaat een minder diepe brandwond dan bij verbranding door een volle pot thee.
  • Hoelang duurde de verbranding? De contactduur bij een steekvlam verbranding is zeer kort. Bij een vlamverbranding kan deze veel langer zijn, bijvoorbeeld als een patiënt in een brandend huis heeft gelegen.
  • Welke maatregelen heeft u genomen? Heeft u gekoeld of gespoeld en zo ja, hoe lang?1,4 Als de patiënt de wond niet adequaat heeft gekoeld – of gespoeld, in het geval van een chemisch letsel – dient dit alsnog te gebeuren, zoals uiteengezet in tip 1 en 2.

Tip 4: Schat het oppervlak en de diepte van de brandwond

Het is belangrijk om goed in te schatten hoeveel lichaamsoppervlak in totaal verbrand is. Dit is met name van belang om een indruk te krijgen van het te verwachten vochtverlies en de noodzaak van vloeistofresuscitatie.4,5 De grootte van de verbranding wordt uitgedrukt als het percentage van het lichaamsoppervlak van de patiënt dat is verbrand (TVLO). Ook is de ernst van de verbranding een van de verwijzingscriteria.1 In de berekening van het TVLO worden alleen de tweedegraads- (oppervlakkig en diep) en derdegraadsbrandwonden meegenomen. De eerstegraadsverbranding – alleen erytheem – telt dus niet mee in het totale lichaamsoppervlak dat verbrand is.

De eerste beoordeling van het TVLO kan volgens verschillende manieren. De ‘regel van negen’ verdeelt het lichaamsoppervlak in delen van 9%, of een veelvoud hiervan (zie figuur 1). Let erop dat bij kinderen de oppervlakteverhoudingen verschillen. De omvang van kleinere brandwonden – minder dan 10% van het lichaamsoppervlak – kan geschat worden met de palmaire zijde van de hand van de patiënt; de volledige hand met vijf gesloten vingers komt overeen met ongeveer 1% van het lichaamsoppervlak.1,4,5

Nadat het verbrande lichaamsoppervlak is geschat, wordt de diepte van de brandwonden beoordeeld. Het klinisch onderzoek van brandwonden bestaat uit inspectie en palpatie.4 Let op de aanwezigheid van blaren, het wondaspect, de soepelheid, capillaire refill en pijnbeleving. In tabel 1 staat hoe dit wordt getest en beoordeeld. De brandwond wordt geclassificeerd naar toenemende diepte: eerstegraadsverbranding of epidermale verbranding, de tweedegraads- of dermale brandwond en de derdegraads- of subdermale brandwond; de vierdegraadsverbranding is een zeer diepe verbranding waarbij ook dieper gelegen weefsels zoals spieren en botten zijn aangedaan.1,4

Tip 5: Bij circulaire brandwonden nooit direct escharotomie

Bij diepe circulaire of bijna-circulaire brandwonden van de hals of de romp en van de extremiteiten, kunnen door krimp van de verbrande huid en door oedeemvorming de thoraxexcursies en circulatie belemmerd worden. Bij patiënten met omvangrijke verbrandingen wordt oedeemvorming bovendien bevorderd door de vochtresuscitatie. Bij diepe verbrandingen van de romp uit dit zich in een oppervlakkige, snelle ademhaling en bij beademde patiënten leidt de belemmering tot hoge beademingsdrukken.

Omdat de eschar (dat is de verbrande en gecoaguleerde huid) niet rekbaar is kan bij een circulaire diepe brandwond door een verhoogde druk in de extremiteiten ischemie en necrose ontstaan. Een incisie in de eschar (escharotomie) zorgt ervoor dat de subcutaan gelegen structuren worden gedecomprimeerd. De ontwikkeling van oedeem distaal van de verbranding, afwezigheid van perifere pulsaties of verminderde tot afwezige dopplersignalen bij echografie kunnen een indicatie voor escharotomie zijn.

Consulteer een brandwondencentrum wanneer u denkt te maken te hebben met een patiënt met circulaire brandwonden en u vermoedt dat een escharotomie geïndiceerd is.6

Tip 6: Denk bij kinderen met brandwonden aan kindermishandeling

Met name bij kinderen met brandwonden moet worden gedacht aan niet-accidenteel letsel. Verdenking op kindermishandeling kan gerechtvaardigd zijn als er relatief veel tijd verstreken is tussen het moment van verbranding en de presentatie bij de arts, als het verhaal over de oorzaak van de brandwond niet consistent is of als het letsel niet overeenkomt met het verhaal.

Besteed aandacht aan het patroon van de brandwond. Brandwonden door hete vloeistoffen, die bij kinderen veel voorkomen, vertonen doorgaans een spatvormig patroon. Niet-accidentele verbrandingen daarentegen zijn vaak sok- of handschoenvormig, wat een teken is van onderdompeling in een hete vloeistof. Let verder op tekenen van ander letsel, bijvoorbeeld hematomen.1

Bij verdenking op kindermishandeling dient te worden gehandeld volgens het lokale protocol ‘Kindermishandeling en huiselijk geweld’. Overweeg om kinderen te verwijzen naar een brandwondencentrum, gezien de multidisciplinaire aanpak in deze centra en de ervaring die zij hebben met deze complexe problematiek.

Tip 7: Stem de behandeling af op de diepte van de brandwond

Een brandwond is dynamisch. Gedurende de eerste 48 uur kan de wond verdiepen van oppervlakkig tot diep tweedegraads of van diep tweedegraads tot derdegraads.3,7 Perifere circulatiestoornissen, uitdroging van de wond, infectie en mechanische beschadiging door een onjuiste verbandtechniek kunnen verdieping bevorderen.

Bij de behandeling na de eerste opvang van de patiënt en de dieptebeoordeling moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de wond dieper wordt. Speciale aandacht dient te worden besteed aan de blaarvorming. De aanwezigheid van blaren betekent dat er sprake is van een tweedegraadsbrandwond. Blaren kunnen ook voorkomen bij de initiële presentatie van diepere brandwonden, maar vaak zijn deze groot en ruptureren ze snel.

Wanneer de anamnese een oppervlakkige verbranding doet vermoeden en slechts kleine blaren aanwezig zijn die niet groter zijn dan 1% van het lichaamsoppervlak, mag het blaardek, na punctie, op de wond worden aangelegd en kan de wond worden verbonden. Bij grotere blaren dient echter een blaar-débridement plaats te vinden, onder meer om de diepte van de brandwond beter te kunnen schatten. Bij het débridement wordt met een vochtig, schoon gaas alle losse huid en necrotisch materiaal van de wond verwijderd. Overleg bij twijfel altijd met een brandwondencentrum.

De behandeling van een diepe brandwond met een antibacteriële zalf of crème gecombineerd met een niet-verklevend verband is een veilige keuze.8 Zorg ervoor dat u de zalf of crème aanbrengt op de gedebrideerde wond; het aanbrengen van een zalf of crème op de blaar is niet zinvol. Tabel 4 geeft een overzicht van verbandmiddelen en zalven die gebruikt kunnen worden.

Als een verklevend membraanachtig verbandmiddel, zoals hydrofiberverband of een zilverfoamverband wordt gekozen, moet de behandelaar zeker zijn dat het niet om een diepe brandwond gaat; bij diepe tweedegraadsverbrandingen mag hydrofiberverband alleen gebruikt worden als de brandwond minder dan 5% van het lichaamsoppervlak van de patiënt beslaat. Herbeoordeling van de wond na 48 uur is niet zinvol omdat dan de voordelen van de membraneuze afdekking verloren gaan.

Tip 8: Overweeg operatie bij niet-genezende brandwonden

Een oppervlakkige tweedegraadsbrandwond geneest binnen 10-14 dagen; hierbij treedt meestal geen littekenvorming op.2 Wanneer een brandwond niet binnen 2 weken geneest, en het dus gaat om een diepe tweedegraads- of zelfs derdegraadsbrandwond, gaat dit meestal gepaard met littekenvorming.2,9

Bij een brandwond in functioneel gebied (gelaat, handen, genitalia, gewrichten) of een brandwond bij een kind wordt gestreefd naar genezing binnen 2 weken.9 Bij brandwonden in niet-functionele gebieden kan bij volwassenen de conservatieve behandeling tot 3 weken worden voortgezet. Als een brandwond na deze tijd nog niet is genezen moet een operatieve behandeling worden overwogen, omdat het risico op hypertrofische littekens anders groter wordt.10 Het bedekken van de brandwond met een huidtransplantaat verkort de behandelduur en leidt tot een betere kwaliteit van het litteken.11 Bij patiënten met een derdegraadsbrandwond wordt gestreefd naar huidtransplantatie in een vroeg stadium.

Een optimaal behandelresultaat wordt bereikt door wondbehandeling toe te passen die wondinfectie, uitdroging en mechanische beschadiging voorkómt en door tijdig een wondexcisie en huidtransplantatie uit te voeren.4

Tip 9: Bestrijd infectie van brandwonden

Een belangrijk deel van de natuurlijke barrière van de huid gaat verloren bij een brandwond. Er ontstaat een goede voedingsbodem voor micro-organismen. Alle brandwonden kunnen gekoloniseerd raken met bacteriën en ook wanneer de juiste lokale therapie is toegepast kan een wondinfectie optreden. Een wondinfectie leidt tot een gestoorde wondgenezing en in sommige gevallen tot een algemeen ziek-zijn van de patiënt.

De belangrijkste micro-organismen die infecties van brandwonden veroorzaken zijn Streptococcus pyogenes, Staphylococcus aureus en Pseudomonas aeruginosa.8,12 Een wondinfectie met Staphylococcus aureus komt het vaakst voor. Kolonisatie door Pseudomonas kan optreden bij lang bestaande brandwonden.12 Bij een wond die minder dan 2 weken oud is, is meestal een stafylokok of een streptokok de veroorzaker.

Vroege herkenning van een wondinfectie is van groot belang. De belangrijkste symptomen zijn die van een lokale ontsteking: rubor, calor, dolor. Bedenk dat het niet om een manifeste infectie hoeft te gaan; bij brandwonden is vaker sprake van een laaggradige infectie die wordt gekenmerkt door een niet-vorderende genezing.

De behandeling bestaat uit het verwijderen van eventueel aangebrachte membraanvormige verbandmiddelen of een foamverband en wijziging van het lokale therapeuticum. Dagelijkse behandeling met een lokaal therapeuticum zoals fusidinezuur, mupirocine of nitrofural is meestal voldoende om de infectie te bestrijden en de wondgenezing weer op gang te brengen.13

Tip 10: Bel bij twijfel het brandwondencentrum

Voor vragen over de beoordeling en behandeling van brandwonden kan altijd laagdrempelig telefonisch of per e-mail worden overlegd met een van de drie brandwondencentra in Nederland (zie tabel 2). Zorg bij overleg dat de anamnese volledig is uitgevraagd en de diepte en uitgebreidheid van de brandwond is beoordeeld. Maak ook digitale foto’s van de brandwond; dit kan het overleg met een brandwondencentrum vergemakkelijken.

Ook kan gebruik worden gemaakt van het overplaatsingsformulier; dit formulier is te downloaden van de website van de Brandwondenstichting (www.brandwondenstichting.nl; figuur 2). De indicaties voor verwijzing naar een brandwondencentrum zijn weergegeven in tabel 3. Deze criteria zijn echter niet zwart-wit. Overleg is altijd mogelijk en ook patiënten die niet geheel voldoen aan de verwijzingscriteria kunnen toch worden gezien en eventueel opgenomen door het brandwondencentrum.14

Conclusie

Koelen of spoelen van respectievelijk de brandwond of het chemisch letsel is de eerste stap van behandeling wanneer een patiënt met dergelijk letsel bij u komt. Als de anamnese goed is uitgevraagd en de oppervlakte en diepte van de wond zijn beoordeeld, bedenk dan of u deze brandwond zelf kunt behandelen. Houd bij kinderen de mogelijkheid van kindermishandeling in gedachten. Als de brandwond ondanks behandeling niet geneest of wanneer een infectie optreedt, kan met een brandwondencentrum worden overlegd over eventuele verwijzing van de patiënt naar het centrum.

Literatuur
  1. Richtlijn ‘Eerste opvang van brandwond patiënten in de acute fase (1ste 24 uur ) van verbranding en verwijzing naar een brandwondencentrum’. Beverwijk: Nederlandse Brandwondenstichting; 2014.

  2. Cleland H. Thermal burns – assessment and acute management in the practice setting. Aust Fam Physician. 2012;41:372-5. Medline

  3. Wright EH, Harris AL, Furniss D. Cooling of burns: mechanisms and models. Burns. 2015;41:882-9. Medline

  4. EMSB Emergency Management of Severe Burns course manual. Beverwijk: De Nederlandse Brandwondenstichting; 2013.

  5. Baartmans MG1, van Baar ME, Boxma H, Dokter J, Tibboel D, Nieuwenhuis MK. Accuracy of burn size assessment prior to arrival in Dutch Burn centers and its consequences in children: A nationwide evaluation. Injury. 2012;43:1451-6. Medline

  6. Orgill DP, Piccolo N. Escharotomy and decompressive therapies in burns. J Burn Care Res. 2009;30:759-68. Medline

  7. Watts AM, Tyler MP, Perry ME, Roberts AH, McGrouther DA. Burn depth and its histological measurement. Burns. 2001;27:154-60. Medline

  8. Leaper DJ, Silver dressings: their role in wound management. Int Wound J. 2006;3:282-94. Medline

  9. Kishikova L, Smith MD, Cubison TC. Evidence based management for paediatric burn: new approaches and improved scar outcomes. Burns. 2014;40:1530-7. Medline

  10. van der Wal MB, Vloemans JF, Tuinebreijer WE, et al. Outcome after burns: An observational study on burn scar maturation and predictors for severe scarring. Wound Repair Regen. 2012;20:676-87. Medline

  11. Chan QE, Harvey JG, Graf NS, Godfrey C, Holland AJ. The correlation between time to skin grafting and hypertrophic scarring following an acute contact burn in a porcine model. J Burn Care Res. 2012;33:e43-8. Medline

  12. Church D, Elsayed S, Reid O, Winston B, Lindsay R. Burn wound infections. Clin Microbiol Rev. 2006;19: 403-43. Medline

  13. Sevgi M, Toklu A, Vecchio D, Hamblin MR. Topical antimicrobials for burn infections - an update. Recent Pat Antiinfect Drug Discov. 2013;8:161-97. Medline

  14. www.brandwondenstichting.nl/professionals/verwijzingscriteria, geraadpleegd op 7 december 2016.

  15. Vloemans AFPM, Soesman AM, Kreis RW, Middelkoop E. A newly developed hydrofibre dressing in the treatment of partial-thickness burns. Burns. 2001;27:167-73. Medline

  16. Caruso DM, Foster KN, Blome-Eberwein SA, et al. Randomized Clinical Study of Hydrofiber Dressing With Silver or Silver Sulfadiazine in the Management of Partial-Thickness Burns. J Burn Care Res. 2006;27:298-309. Medline

Auteursinformatie

Brandwondencentrum Rode Kruis Ziekenhuis, afd. Heelkunde en Brandwondengeneeskunde, Beverwijk.

Contact drs. G.L. Vlaspolder (glvlaspolder@gmail.com)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Gro L. Vlaspolder ICMJE-formulier
A.F.P.M. (Jos) Vloemans ICMJE-formulier
Roelf S. Breederveld ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Praktische tips

Gerelateerde artikelen

Reacties

Menno
Bakker

Het in het artikel genoemde nitrofural is uit de handel in Nederland.

Het gebruik van mupirocine zou beperkt moeten blijven tot bestrijding van MRSA en kan worden ingezet als lokale behandeling indien sprake is van resistentie tegen fusidinezuur.

Menno Bakker, apotheker

Gerrit
van Rijn

Ik mis een verdere uitwerking bij wonden ontstaan door stoffen die etsend zijn omdat de aanpak van zuren en hydroxides verschillen en ook tussen zuren zelfs verschillen bestaan zoals fluorwaterstofzuur een andere aanpak vereist dan bijv. zwavelzuur of zoutzuur.