Dyscalculie en dyslexie gevaar voor de farmacotherapie

Aalt Bast
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:B611

artikel

Als voorzitter van de examencommissie word ik geregeld geconfronteerd met de vraag of er voor studenten die een verklaring van dyslexie kunnen overleggen, toetsduurverlenging kan worden toegestaan. Over het algemeen geven we 30 minuten extra tijd. De maatschappij vindt immers dat er geen belemmeringen mogen zijn voor iemand met een functiebeperking die wil studeren.

Andere studenten ervaren problemen met het lezen van grote stukken tekst op het computerscherm en verzoeken of het schriftelijk computertentamen kan worden vervangen door een mondeling, of vragen of het tentamen kan worden voorgelezen. Dat laatste is relatief eenvoudig, zo wordt gesteld, er zijn immers softwareprogramma’s die dat kunnen. Wij worden dan wat terughoudender: ga nu eerst maar eens een regulier schriftelijk tentamen afleggen. Als dat twee keer niet lukt, zien we wel verder. Studenten die problemen hebben met de automatisering van rekenen (dyscalculie) vragen toestemming om bij alle tentamens een rekenmachine te mogen gebruiken. Wat zou u als praktiserend arts adviseren: toetsen aanpassen of niet?

Bij de inrichting van het medisch curriculum worden 7 competenties onderscheiden: medisch expert, communicator, teamspeler, manager, gezondheidspromotor, wetenschapper, professional. Met het maken van een persoonlijk portfolio kan de student aangeven welke competenties hij heeft verworven. De student zou zelfs kunnen stellen dat er sterke competenties zijn die de zwakkere kunnen compenseren. Of moet het zo zijn dat alle 7 rollen goed vervuld worden? Ik vind dat laatste: dus geen compensatie van te zwakke rollen, een dokter moet ze alle 7 beheersen. Dat betekent ook dat sommige handicaps die het behalen van bepaalde competenties niet mogelijk maken, een struikelblok vormen. Met het ontbreken van adequate leervaardigheden vanwege dyscalculie of dyslexie kunnen de competenties wetenschapper en professional niet gehaald worden, en is dus afronding van de opleiding niet mogelijk.

Ik kan mij overigens voorstellen dat de bachelorfase van de geneeskundestudie ruime voorzieningen kent ten aanzien van fysieke toegankelijkheid van de onderwijsvoorzieningen, aanpassingen van het curriculum en van toetsvormen en duidelijke informatievoorzieningen over de mogelijkheden voor studenten met een functiebeperking, zoals verwoord in het rapport Onbelemmerd studeren van het ministerie van OCW (www.onderwijsinspectie.nl). De bachelorfase geneeskunde geeft toegang tot allerlei masterstudies en moet dus breed toegankelijk zijn. Voordat de masterfase begint zou echter een strenge keuring moeten plaatsvinden om de geschiktheid voor het beroep van arts te waarborgen. Als iemand politieagent, piloot of brandweerman wil worden, wordt hij/zij medisch gekeurd. Om arts te worden gebeurt dat niet. Het artsenberoep is echter veeleisend en vraagt verschillende vaardigheden en voldoende beheersing van alle vereiste competenties.

Ondanks de uniciteit van iedere student moet het zo zijn dat de opleiding een zekere uniformiteit kent. Een tekst moet met redelijke snelheid kunnen worden doorgrond, een tentamen wordt dus niet voorgelezen: later is er ook niemand die een patiëntenstatus voorleest. Medicatiefouten door verwisseling tussen Fraxodi® en Fraxiparine® liggen op de loer. Een wekelijkse dosering van methotrexaat die dagelijks gegeven wordt leidt tot sterfgevallen. Ernstige dyscalculie of dyslexie zou iemand moeten uitsluiten van de masterstudie. Er staat nogal wat op het spel, namelijk de patiënt. Mijn examencommissie wijst vergaande verzoeken om toetsing aan te passen dan ook af.

Gerelateerde artikelen

Reacties

Jan C.
Molenaar

Ik heb een collega  -hij is inmiddels gepensioneerd- die geen kans zag om ingeschreven worden bij een van de Amerikaanse medical schools. Teneinde raad besloten zijn ouders dat hij maar loodgieter moest worden. Maar hij was een buitengewoon goed worstelaar en bij Brown University was hieraan behoefte voor de interuniversitaire tournooien. Zo werd hij toch nog student aan deze universiteit. Hier werd ontdekt dat hij dyslectisch was. Er werd rekening meegehouden tijdens het vervolg van zijn studie; hij werd arts, chirurg en uiteindelijk een van de meest succesvolle, wetenschappelijk zeer productieve  en gecompassioneerde  kinderchirurgen van zijn tijd.

In plaats van dyslectische jonge mensen uit te sluiten van de artsenstudie, zoals de heer Bast adviseert, zou het beter zijn om de begeleiding voor dyslectische studenten bij de studie geneeskunde te intensiveren, goede toekomstperspectieven voor hen te creëren waarbij de veilige beoefening van de geneeskunde ook door hen mogelijk wordt. Er staat nogal wat op het spel: namelijk de toekomst van vaak hoogbegaafde jonge mensen, die dokter willen worden.

 

Jan Molenaar, emeritus hoogleraar/gaststaflid EUR/Erasmus MC