Diagnostiek van ischemische hartaandoeningen met behulp van kernspinresonantie-technieken

Klinische praktijk
A. de Roos
E.E. van der Wall
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:902-7
Download PDF

Zie ook de artikelen op bl. 891 en 896.

Inleiding

Kernspinresonantie-tomografie of ‘magnetic resonance imaging’ (MRI) verschaft bij patiënten met een ischemische hartaandoening klinisch waardevolle informatie, die niet of minder goed met andere beeldvormende methoden te verkrijgen is. Op MRI-afbeeldingen van het hart kunnen wandbewegingsstoornissen van de linker ventrikel in verschillende anatomische afbeeldingsvlakken worden geanalyseerd. Tegelijkertijd verkrijgt men informatie over de weefselsamenstelling van het myocard.1-3 De perfusie van het myocard kan worden gemeten door gebruik te maken van snelle MRI-opnamen in combinatie met intraveneuze toediening van een paramagnetisch MRI-contrastmiddel.2 Bij MRI verschaft één onderzoekstechniek dus informatie over zowel functie als perfusie van het myocard, hetgeen inzicht biedt in de vitaliteit van het aangetaste myocard bij ischemische hartaandoeningen.3

Op dit moment worden technieken ontwikkeld voor angiografische afbeeldingen van de grote coronaire arteriën met MRI (figuur 1) en om metabole informatie te verzamelen over de energiehuishouding van de hartspier met behulp van kernspinresonantie-spectroscopie (MRS) met fosfor-31.45

Indien al deze aspecten van myocardischemie in één onderzoek kunnen worden gemeten (functie, perfusie, coronaire arteriën en energiehuishouding), levert MRI een compleet beeld van de toestand van het myocard, dat niet met een andere niet-invasieve onderzoekstechniek op vergelijkbare wijze is te verkrijgen. Waarschijnlijk zal MRI daarmee een aantal andere onderzoeken overbodig maken en een beter inzicht geven in de toestand van het myocard bij patiënten met een ischemische hartaandoening, waardoor prognose en behandeling beter kunnen worden bepaald.

In dit overzichtsartikel worden de resultaten samengevat van recente onderzoeken naar de waarde van MRI bij patiënten met ischemische hartaandoeningen. Deze onderzoeken vonden voor een deel plaats in het kader van een landelijk samenwerkingsverband onder auspiciën van het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland. Enkele jaren geleden werd de stand van zaken van MRI en MRS voor cardiologische toepassingen in dit tijdschrift belicht.67

Aantonen van een acute myocardinfarct met mri

De oorzaak van een acuut myocardinfarct is meestal trombose van een epicardiale coronaire arterie. Indien de bloedtoevoer niet binnen 20-40 min wordt hersteld, zal weefselversterf optreden. Het gebied van necrose zal zich uitbreiden in de loop van enkele uren na de acute afsluiting van de arterie, indien geen reperfusie van het vat wordt bewerkstelligd in deze periode. Toediening van thrombolytica in deze vroege fase heeft tot doel de reperfusie te bevorderen, waardoor de uiteindelijke infarctgrootte beperkt wordt. Infarcering van het myocard leidt na enkele uren tot de vorming van oedeem in het interstitium van het aangedane weefsel (maximaal na ongeveer 3 dagen) en veranderingen in de weefselsamenstelling, waardoor de kernspinrelaxatietijden (T1 en T2) toenemen, hetgeen ter plaatse een verhoogde signaalintensiteit op de MRI-opnamen veroorzaakt.8 Geleidelijk treedt ingroei van granulatieweefsel op als onderdeel van het genezingsproces.

Een samenspel van een groot aantal factoren beïnvloedt de relaxatietijden in ischemisch hartspierweefsel: oedeem, het weefselcompartiment waarin het oedeem zich bevindt, ingroei van granulatieweefsel, ophoping van lipiden in de ischemische zone, de aard van de lipiden, macromoleculen, de temperatuur en de elektrolytensamenstelling van het weefsel.9 Deze verandering in signaalintensiteit kan gebruikt worden om het infarct vast te stellen, de grootte ervan te meten en het effect van bijvoorbeeld reperfusietherapie te evalueren.1011

De sensitiviteit en de specificiteit van MRI-onderzoek voor de detectie van een acuut myocardinfarct in de eerste 24 h na het ontstaan zijn groot, respectievelijk 93 en 80.11 In een gerandomiseerd onderzoek werden 41 patiënten behandeld met i.v. streptokinasetoediening en 25 patiënten kregen een placebo. De omvang van het infarct gemeten op de MRI-opnamen was significant kleiner in de groep patiënten die behandeld waren met streptokinase dan in de placebogroep.10 De uitgebreidheid van de myocardschade op MRI gemeten blijkt eveneens goed te correleren met enzymatische metingen van de infarctgrootte.12

Belangrijke graadmeters, zoals de perfusie van het myocard en het risicogebied na een afsluiting van een coronaire arterie, kunnen alleen met MRI worden bestudeerd als men MRI-contrastmiddelen toepast om de doorstroming van de hartspier zichtbaar te maken.

Onderzoek van myocardischemie met behulp van mri-contrastmiddelen

De visualisatie van het myocardinfarct op MRI-beelden kan verbeterd worden door gebruik te maken van MRI-contrastmiddelen. Paramagnetische contrastmiddelen verschaffen aanvullende informatie ten aanzien van de perfusie van het myocard en bieden de mogelijkheid ischemie in de vroegste fase vast te stellen, voordat veranderingen in de relaxatietijden zijn opgetreden ten gevolge van de oedeemvorming.1314 Mangaan was één van de eerste contrastmiddelen die in experimenteel onderzoek gebruikt werden om de infarctzone beter zichtbaar te maken.15 Mangaan verkort de T1-relaxatietijd van het myocard zelf, waardoor de signaalintensiteit van het normale myocard toeneemt en het infarctgebied als een gebied met relatief lage signaalintensiteit zichtbaar is. Mangaan wordt actief door de hartcellen opgenomen en verdeelt zich afhankelijk van de myocarddoorstroming. Bij de mens is mangaan niet bruikbaar vanwege de toxiciteit. Een groot aantal contrastmiddelen wordt op dit moment onderzocht in dierexperimentele modellen.16

Voor gebruik bij de mens zijn tot nu toe alleen van gadolinium afgeleide contrastmiddelen beschikbaar. Gadolinium gekoppeld aan een chelaat is in farmacologische doseringen een zeer veilig MRI-contrastmiddel. Sinds 1986 is een aantal onderzoeken verschenen, waarbij gebruik werd gemaakt van gadolinium-diëthyleen-triamine-penta-acetaat (gadopentetinezuur) om een myocardinfarct bij patiënten in de acute of de chronische fase met MRI aan te tonen (figuur 2).

In één van de eerste onderzoeken waarbij MRI gecombineerd werd met gadopentetinezuur-toediening, bleek er een duidelijke aankleuring van het infarct in de acute en de subacute fase op te treden, maar niet in de chronische.17 De aankleuring in de vroege fase hangt waarschijnlijk samen met ingroei van granulatieweefsel in het infarct. MRI met gadopentetinezuur verbetert zowel de afgrenzing van het acute myocardinfarct op de MRI-beelden als de beeldkwaliteit.18-21 De aankleuring van het infarctgebied is optimaal in de eerste week na het ontstaan van het infarct, maar kan enkele weken blijven bestaan.22 MRI met gadopentetinezuur blijkt een betrouwbare techniek te zijn voor het bepalen van de omvang van het myocardinfarct.23 In klinische onderzoeken is aangetoond dat met deze techniek significante verschillen in de grootte van het myocardinfarct kunnen worden gemeten na het al dan niet optreden van reperfusie van de coronaire arterie (figuur 3). De omvang van het infarct is significant kleiner in de groep patiënten met succesvolle reperfusie (p 24

Toepassing van MRI-contrastmiddelen biedt ook de mogelijkheid om de vitaliteit van het myocard te bestuderen. Reversibel beschadigd, nog vitaal hartspierweefsel wordt gekenmerkt door het ontbreken van een versterkte aankleuring na toediening van MRI-contrastmiddelen, terwijl irreversibel beschadigd, necrotisch myocardweefsel juist een versterkte aankleuring laat zien.25 Met dynamische cine-MRI-opnamen kan de functie van het aangedane myocard worden vastgelegd. Na geslaagde reperfusie van de afgesloten coronairarterie kan er een tijdelijke verstoring van de regionale wandbeweging optreden terwijl het myocard nog vitaal is (zogenaamd ‘stunned’ myocardium). Door gebruik te maken van de analyse van de regionale wandbeweging en van de weefselsamenstelling kan met MRI onderscheid gemaakt worden tussen dysfunctioneel, nog vitaal myocard en dysfunctioneel, necrotisch myocard.3

Onderzoek van de perfusie van het myocard met mri

Myocardperfusie is een belangrijke graadmeter voor het bepalen van het gevolg van een vernauwing van een coronairarterie voor de myocardfunctie, omdat de ernst van de vernauwing geen direct verband houdt met de functionele gevolgen voor het myocard.26 De laatste tijd zijn zeer snelle MRI-opnametechnieken ontwikkeld, waarmee het mogelijk is een doorsnede van het hart te vervaardigen binnen één hartslag. Deze techniek is goed bruikbaar om de perfusie van het myocard te volgen na intraveneuze toediening van een MRI-contrastmiddel (figuur 4).22728 Het perfusiebeeld direct na toediening van gadopentetinezuur kan bijvoorbeeld een indicatie geven over het al dan niet optreden van reperfusie, afhankelijk van de mate van aankleuring.29 Voorts kan de verminderde perfusie distaal van vernauwde coronaire arteriën goed in beeld worden gebracht, evenals herstel van de verstoorde regionale perfusie na revascularisatie.28

Een probleem bij de kwantificatie van de perfusie van het myocard is dat een contrastmiddel vaak niet volledig geëxtraheerd wordt door het myocard, waardoor er geen lineair verband is tussen de hoeveelheid contrastmiddel en de weefselperfusie. Bovendien is er geen eenvoudige relatie tussen de signaalintensiteit in het myocard en de concentratie van gadopentetinezuur, omdat het zich op een variabele wijze verdeelt tussen het intracellulaire en het extracellulaire compartiment van het myocard.

Ondanks deze beperkingen biedt contrast-MRI goede mogelijkheden om de myocardperfusie in beeld te brengen. Nieuwe MRI-contrastmiddelen, die zich voornamelijk intravasculair verdelen, zullen nog betere informatie verschaffen over de perfusie.

Onderzoek van regionale wandbewegingsstoornissen van de linker ventrikel met behulp van mri

De regionale wandverdikking van de linker ventrikel tijdens systole is een belangrijke graadmeter bij ischemische hartaandoeningen. Een gestoorde functie van een segment van de linker ventrikelwand is een vroege uiting van regionale ischemie of infarcering. Dynamische cine-MRI is een geschikte techniek om de hartfunctie in meerdere fasen en in meerdere anatomische afbeeldingsvlakken te bestuderen. Het hart kan in bijvoorbeeld 10 korte-asdoorsneden van 1 cm dik vanaf de apex tot de basis worden afgebeeld, waarbij elke doorsnede in bijvoorbeeld 20 fasen van de hartslag wordt vastgelegd. Elke korte-asopname kan worden verdeeld in een aantal segmenten (figuur 5). Voor alle 10 doorsneden kan per segment zowel kwalitatief als kwantitatief de regionale functie geanalyseerd worden.

De waarde van visuele interpretatie van regionale wandbewegingsstoornissen van de linker ventrikel met gebruikmaking van cine-MR-opnamen is vergelijkbaar met die bij conventionele cine-angiografie.30 Cine-MRI is eveneens een betrouwbare methode om het acute myocardinfarct aan te tonen en de functionele gevolgen ervan te evalueren.31

Bij patiënten met vernauwingen van de coronairarteriën kunnen tijdens inspanning voorbijgaande wandbewegingsstoornissen van de linker ventrikel optreden. Het effect van inspanning kan tijdens MRI-onderzoek worden nagebootst door toediening van farmacologische middelen zoals dobutamine. MRI in combinatie met een dergelijke dobutamine-‘stress’ is een betrouwbare methode om voorbijgaande wandbewegingsstoornissen vast te stellen bij patiënten met vernauwingen van de coronairarteriën.32 Verdere verfijning van de analyse van wandbewegingen kan bereikt worden door gebruik te maken van markering van het myocard met behulp van MRI.33 Hierbij wordt gebruik gemaakt van een speciale MRI-techniek waarmee specifieke markeringspunten in het myocard zichtbaar worden gemaakt die in de tijd gevolgd kunnen worden. De markeringen in het myocard kunnen direct zichtbaar gemaakt worden op de MRI-beelden. De techniek is enigszins vergelijkbaar met het onder röntgendoorlichting observeren van een metalen markering die op het hart is aangebracht. Door de markering kunnen zowel rotatie- als translatiebewegingen van het hart in een bepaald segment of transmuraal worden gevolgd. Subtiele veranderingen in de functie van het subendocardiale myocard kunnen met MRI-markering in de vroegste fase van optredende ischemie worden ontdekt. De toepassing van markering van het myocard in combinatie met MRI-contrastmiddelen kan de diagnostiek van ischemische hartaandoeningen verder verfijnen. De gecombineerde analyse van MRI-perfusie en MRI-markering is bijvoorbeeld bruikbaar om onderscheid te maken tussen stunned myocardium en infarcering.34

Fosfor-31-spectroscopie van het hart

De functie van het hart is alleen mogelijk indien er voldoende energie in de vorm van adenosinetrifosfaat (ATP) beschikbaar is. Onder normale omstandigheden verbruikt het hart vooral vrije vetzuren om in de energiebehoefte te voorzien,35 en als alternatieve brandstof glucose. Vrije vetzuren en glucose worden omgezet in acetyl-co-enzym A, dat verder wordt verwerkt in de citroenzuurcyclus. Het uiteindelijk produkt is ATP, dat via oxidatieve fosforylering in de mitochondria wordt gevormd.

Fosfor-31 (31P)-spectroscopie is een niet-invasieve magnetische-resonantietechniek, waarmee het metabolisme van hoog-energetische fosfaten in gelokaliseerde gebieden van het myocard in beeld kan worden gebracht. Met behulp van een oppervlaktespoel geplaatst op de thoraxwand kan een 31P-spectrum worden gemaakt dat het metabolisme van de hartspier weergeeft (figuur 6).

Er blijkt een direct verband te bestaan tussen veranderingen in het metabolisme vastgesteld met 31P-spectroscopie en de functie van het hart, wat aangeeft dat metabolisme en functie direct aan elkaar gekoppeld zijn.36 De ratio tussen fosfocreatine (PCr) en ATP is bijvoorbeeld een veel gebruikte maat voor de energievoorziening van het hart. Deze ratio blijkt bij gezonde personen niet te variëren tijdens rust en inspanning, waaruit blijkt dat de energievoorziening onder normale omstandigheden goed wordt gereguleerd.37 Bij ernstige vernauwingen van de coronaire arteriën kan de energievoorziening wel tekortschieten tijdens fysieke inspanning, tot uitdrukking komend in veranderingen van de PCrATP-ratio.5 Deze veranderingen zijn van voorbijgaande aard en geven aan dat er een tijdelijke verstoring is van de balans tussen vraag en aanbod van zuurstof. Interessant is dat deze metabole veranderingen kunnen optreden voordat zich bij de patiënt andere manifestaties van myocardischemie ontwikkelen. Succesvolle revascularisatie van het myocard kan de metabole ontregeling opheffen.5 Uit eigen onderzoek is gebleken dat 31P-spectroscopie ook bij verschillende vormen van cardiomyopathie veranderingen in de energiehuishouding van de hartspier kan aantonen.38 Wellicht kan dit een bijdrage leveren aan de diagnostiek van dilaterende en hypertrofische vormen van cardiomyopathie.

Hoewel het cardiale spectroscopisch onderzoek zich heeft toegespitst op de bestudering van het metabolisme van hoog-energetische fosfaten, is het ook mogelijk andere biologisch belangrijke metabolieten zoals lipiden, aminozuren, ketonlichamen en lactaat met behulp van protonspectroscopie in kaart te brengen.35 Verder onderzoek dient de komende jaren uit te wijzen wat de klinische betekenis is van verschillende vormen van spectroscopie voor de diagnostiek van hartziekten.

Conclusie

De afgelopen tijd is sterke vooruitgang geboekt in de anatomische en functionele afbeelding van het hart met MRI en in het verkrijgen van metabole informatie ten aanzien van de hartspier met behulp van 31P-MRS bij patiënten met ischemische hartaandoeningen. Dit kan van groot nut zijn voor de behandeling en de prognose bij deze categorie patiënten. Deze technieken leveren eveneens nieuwe inzichten op betreffende de pathogenese van ischemische hartaandoeningen. Kernspinresonantie-technieken kunnen in één onderzoek een compleet beeld verschaffen van de coronaire vaten, de perfusie, de functie en het metabolisme van het hart. De komende jaren mag een verdere integratie verwacht worden van anatomische, functionele en metabole informatie die op deze wijze beschikbaar komt.

Literatuur
  1. Roos A de, Wall EE van der. Magnetic resonance imaging andspectroscopy of the heart. Curr Opin Cardiol 1991; 6: 946-52.

  2. Atkinson DJ, Burstein D, Edelman RR. First-pass cardiacperfusion: evaluation with ultrafast MR imaging. Radiology 1990; 174:757-62.

  3. Ryan T, Tarver RD, Duerk JL, Sawada SG, Hollenkamp NC.Distinguishing viable from infarcted myocardium after experimental ischemiaand reperfusion by using nuclear magnetic resonance imaging. J Am CollCardiol 1990; 15: 1355-64.

  4. Edelman RR, Manning WJ, Burstein D, Paulin S. Coronaryarteries: breath-hold MR angiography. Radiology 1991; 181: 641-3.

  5. Weiss RG, Bottomley PA, Hardy CJ, Gerstenblith G. Regionalmyocardial metabolism of high-energy phosphates during isometric exercise inpatients with coronary artery disease. N Engl J Med 1990; 323:1593-600.

  6. Roos A de, Doornbos J, Guit GL, Krauss XH, Rohmer J,Voorthuisen AE van. Diagnostiek van cardiovasculaire aandoeningen metkernspinresonantie-tomografie. NedTijdschr Geneeskd 1987; 131: 1569-73.

  7. Echteld CJA van, Meijler FL. Nucleaire magnetischeresonantie-spectroscopie in de geneeskunde: biochemie van het intacteweefsel. Ned Tijdschr Geneeskd1986; 130: 1595-602.

  8. Johnston DL, Homma S, Liu P, et al. Serial changes innuclear magnetic resonance relaxation times after myocardial infarction inthe rabbit: relationship to water content, severity of ischemia, andhistopathology over a six-month period. Magn Reson Med 1988; 8:363-79.

  9. Roos A de, Wall EE van der, Bruschke AVG, Voorthuisen AEvan. Magnetic resonance imaging in the diagnosis and evaluation of myocardialinfarction. Magn Reson Q 1991; 3: 191-207.

  10. Wisenberg G, Finnie KJ, Jablonsky G, Kostuk WJ, MarshallT. Nuclear magnetic resonance and radionuclide angiographic assessment ofacute myocardial infarction in a randomized trial of intravenousstreptokinase. Am J Cardiol 1988; 62: 1011-6.

  11. Johns JA, Leavitt MB, Newell JB, et al. Quantitation ofacute myocardial infarct size by nuclear magnetic resonance imaging. J AmColl Cardiol 1990; 15: 143-9.

  12. Krauss XH, Wall EE van der, Laarse A van der, et al.Magnetic resonance imaging of myocardial infarction: correlation withenzymatic, angiographic and radionuclide estimates. Am Heart J 1991; 122:1274-83.

  13. Peshock RM, Malloy CR, Buja LM, Nunnally RL, Parkey RW,Willerson JT. Magnetic resonance imaging of acute myocardial infarction:gadolinium diethylenetriaminepentaacetic acid as a marker of reperfusion.Circulation 1986; 74: 1434-40.

  14. Higgins CB. Nuclear magnetic resonance (NMR) imaging inischemic heart disease. (Editorial) J Am Coll Cardiol 1990; 15:150-1.

  15. Goldman MR, Brady TJ, Pykett IL, et al. Quantification ofexperimental myocardial infarction using nuclear magnetic resonance imagingand paramagnetic ion contrast enhancement in excised canine hearts.Circulation 1982; 66: 1012-6.

  16. Roos A de, Doornbos J, Matheijssen NAA, Dijkman PRM van,Wall EE van der. Assessment of myocardial infarction by magnetic resonanceimaging with the aid of contrast agents. In: Wall EE van der, Roos A de, eds.Magnetic resonance imaging in coronary artery disease. Dordrecht: Kluwer,1991: 163-90.

  17. Eichstaedt HW, Felix R, Dougherty FC, Langer M, Rutsch W,Schmutzler H. Magnetic resonance imaging in different stages of myocardialinfarction using the contrast agent gadolinium-DTPA. Clin Cardiol 1986; 9:527-35.

  18. Roos A de, Doornbos J, Wall EE van der, Voorthuisen AEvan. MR imaging of acute myocardial infarction: value of Gd-DTPA. Am JRoentgenol 1988; 150: 531-4.

  19. Roos A de, Rossum AC van, Wall EE van der, et al.Reperfused and nonreperfused myocardial infarction: diagnostic potential ofgadolinium-DTPA-enhanced MR imaging. Radiology 1989; 172: 717-20.

  20. Wall EE van der, Dijkman PRM van, Roos A de, et al.Diagnostic significance of gadolinium-DTPA-enhanced magnetic resonanceimaging in thrombolytic treatment for acute myocardial infarction: itspotential in assessing reperfusion. Br Heart J 1990; 63: 12-7.

  21. Matheijssen NAA, Roos A de, Wall EE van der, et al. Acutemyocardial infarction: comparison of T2-weighted andTI-weighted gadolinium-DTPA-enhanced MR imaging.Magn Reson Med 1991; 17: 460-9.

  22. Dijkman PRM van, Wall EE van der, Roos A de, et al.Acute, subacute and chronic myocardial infarction: quantitative analysis ofgadolinium-enhanced MR images. Radiology 1991; 180: 147-51.

  23. Dijkman PRM van. Sequential analysis of infarcted andnormal myocardium in pigs using in vivo gadolinium-DTPA enhanced MRI. Leiden,1991. Proefschrift.

  24. Roos A de, Matheijssen NAA, Doornbos J, Dijkman PRM van,Voorthuisen AE van, Wall EE van der. Myocardial infarct size afterreperfusion therapy: assessment by gadolinium-DTPA-enhanced MR imaging.Radiology 1990; 176: 517-21.

  25. Wolfe CL, Moseley ME, Wikstrom MG, et al. Assessment ofmyocardial salvage after ischemia and reperfusion using magnetic resonanceimaging and spectroscopy. Circulation 1989; 80: 969-82.

  26. Nissen SE, Gurley JC. Assessment of the functionalsignificance of coronary stenoses. Is digital angiography the answer?Circulation 1990; 81: 1431-5.

  27. Rugge FP van, Boreel JJ, Wall EE van der, et al. Cardiacfirst pass and myocardial perfusion in normal subjects assessed bygadolinium-DTPA-enhanced subsecond MR imaging. J Comput Assist Tomogr 1991;15: 959-65.

  28. Manning WJ, Atkinson DJ, Grossman W, Paulin S, EdelmanRR. First-pass nuclear magnetic resonance imaging studies usingGadolinium-DTPA in patients with coronary artery disease. J Am Coll Cardiol1991; 18: 959-65.

  29. Rossum AC van, Visser FC, Eenige MJ van, et al. Value ofgadolinium-diethylene-triamine-pentaacetic acid dynamics in magneticresonance imaging of acute myocardial infarction with occluded and reperfusedcoronary arteries after thrombolysis. Am J Cardiol 1990; 65:845-51.

  30. Lotan CS, Cranney GB, Bouchard A, Bittner V, Pohost GM.The value of cine nuclear magnetic resonance imaging for assessing regionalventricular function. J Am Coll Cardiol 1989; 14: 1721-9.

  31. Meese RB, Spritzer CE, Negro-Vilar R, Bashore T, HerfkensRJ. Detection, characterization and functional assessment of reperfusedQ-wave acute myocardial infarction by cine magnetic resonance imaging. Am JCardiol 1990; 66: 1-9.

  32. Pennell DJ, Underwood R. Stress magnetic resonanceimaging in coronary artery disease. In: Wall EE van der, Roos A de, eds.Magnetic resonance imaging in coronary artery disease. Dordrecht: Kluwer,1991: 217-39.

  33. Buchalter MB, Weiss JL, Rogers WJ, et al. Noninvasivequantification of left ventricular rotational deformation in normal humansusing magnetic resonance imaging myocardial tagging. Circulation 1990; 81:1236-44.

  34. Yeon SB, Reichek N, Tallant B, et al. Function andperfusion in myocardial infarction using magnetic resonance tagging andmagnetite contrast. (Abstract) J Am Coll Cardiol 1991; 17: 44A.

  35. Brown JJ, Mirowitz SA, Sandstrom JC, Perman WH. MRspectroscopy of the heart. AJR 1990; 155: 1-11.

  36. Schaefer S, Schwartz GG, Gober JR, Wong AK, Massie B,Weiner MW. Relationship between myocardial metabolites and contractileabnormalities during graded regional ischemia: 31P NMR studies of porcinemyocardium in vivo. J Clin Invest 1990; 85: 706-13.

  37. Conway MA, Bristow JD, Blackledge MJ, Rajagopalan B,Radda GK. Cardiac metabolism during exercise in healthy volunteers measuredby 31P magnetic resonance spectroscopy. Br Heart J 1991; 65: 25-30.

  38. Roos A de, Luyten PR, Mariën AJH, et al. Metaboliteratios in normal human myocardium and cardiomyopathy: quantification by 31-Pspectroscopy. J Am Coll Cardiol 1991; 17: 77A.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Afd. Cardiologie: dr.E.E.van der Wall, cardioloog (tevens: Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland, Utrecht).

Contact Afd. Radiodiagnostiek: dr.A.de Roos, radiodiagnost

Gerelateerde artikelen

Reacties