Diagnostiek in de huisartsenpraktijk

Prognose moet leidend zijn
Commentaar
10-01-2019
Ramon P.G. Ottenheijm en Geert-Jan Dinant

Huisartsen in Nederland krijgen steeds meer diagnostische mogelijkheden. In diverse regio’s in Nederland kunnen huisartsen bijvoorbeeld een MRI aanvragen van de nek, rug en knie. De diagnostische waarde van deze onderzoeken voor het aantonen dan wel uitsluiten van afwijkingen is hoog. Er is echter discussie over de plaats van deze onderzoeken in het diagnostisch traject. Vaak is er geen of onvoldoende bewijs voor het nut van de diagnostische onderzoeken die de huisarts aangevraagd heeft.

In de NHG-standaard ‘Traumatische knieproblemen’ wordt het aanvragen van een MRI niet aanbevolen.1 Wij zijn van menig dat aanvullende diagnostiek alleen moet worden ingezet als dit gevolgen heeft voor de behandeling en leidt tot een betere prognose van de klachten, waarbij ook de kosten meegewogen worden. Dit laatste is onontkoombaar in het huidige tijdsgewricht van zinnige en zuinige diagnostiek. Wij onderbouwen deze visie aan de hand van een adequaat uitgevoerd kosteneffectiviteitsonderzoek in de Nederlandse huisartsenpraktijk.

MRI bij traumatische kniepijn

In een gerandomiseerde klinische trial (RCT) die ook elders in dit tijdschrift wordt besproken, werd de kosteneffectiviteit onderzocht van MRI’s die door de huisarts waren aangevraagd bij patiënten met traumatische kniepijn.2,3 Er werden 356 patiënten in de leeftijd van 18-45 jaar gelijk verdeeld over twee onderzoeksgroepen. Een groep patiënten bij wie binnen twee weken na het trauma een MRI werd aangevraagd werd vergeleken met een groep die de standaardbehandeling ontving; bij aanhoudende klachten werd geen ...

Om deze pagina weer te geven moet u ingelogd zijn.

Heeft u nog geen abonnement?

Sluit een abonnement af

Heeft u al een abonnement?

Registreren

Log in als abonnee

Inloggegevens kwijt?