De prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten
Open

Onderzoek
22-04-1997
F.C. Verhulst, J. van der Ende, R.F. Ferdinand en M.C. Kasius

Doel.

De prevalentie vaststellen van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse 13-18-jarigen.

Opzet.

Descriptief.

Plaats.

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Sophia Kinderziekenhuis.

Methode.

In de periode april-juni 1993 werden oudersverzorgers van een aselecte steekproef van 2227 4-18-jarige kinderen uit de algemene bevolking geïnterviewd alsmede de kinderen zelf van 11 jaar en ouder. De ouders en de interviewers vulden de ‘Child behavior checklist’ (CBCL), de kinderen de ‘Youth self report’ (YSR) en de leerkracht die het kind het best kende de ‘Teacher's report form’ (TRF). Bij 200 kinderen van 13-18 jaar die hoger scoorden dan het 75e percentiel van een gecombineerde score en bij 112 die lager scoorden, werden klinische interviews afgenomen met behulp van de ouder- en kindversies van de ‘Diagnostic interview schedule for children’ (respectievelijk DISC-P en DISC-C) om de 6-maandsprevalentie DSM-III-R-diagnosen te verkrijgen. Na het interview scoorde de interviewer de ‘Children's global assessment scale’ (CGAS).

Resultaten.

De prevalentie van enige stoornis, gebaseerd op informatie van de ouders, was 21,8, en gebaseerd op informatie van de adolescent zelf 21,5. De overlapping tussen adolescenten bij wie op basis van het ouderinterview en van het kindinterview een stoornis werd vastgesteld, was zeer gering: 4 van de adolescenten had enige stoornis zowel op grond van de ouderinformatie als informatie van de adolescent zelf. Hoewel prevalenties van ruim 21 hoog lijken, hadden de meeste adolescenten met een DSM-III-R-diagnose weinig problemen met het dagelijks functioneren.

Conclusie.

Op basis van interviews van ouders en van adolescenten komt bij 21 van de 13-18-jarigen een of andere psychiatrische stoornis voor die doorgaans geen problemen oplevert voor het dagelijks functioneren.