De mannen tegen de vrouwen
Open

Commentaar
07-10-2020
Pieter van Eijsden

Elders in dit tijdschrift laat Frank Wolters zien in welke mate gepromoveerde medisch specialisten betrokken blijven bij wetenschappelijk onderzoek. Als bijvangst kan hij ook iets zeggen over de carrièretrajecten van mannelijke en vrouwelijke specialisten. Hiervoor geldt het motto van dr. Warren Farrell: ‘When one sex wins, both sexes loose’.

We horen al jaren dat vrouwen, ondanks bewezen geschiktheid, niet doorstromen naar hogere posities door seksisme of subtielere vormen van institutionele tegenwerking. Het belangrijkste argument daarvoor zit in platte tellingen in de academische hiërarchie. Onder geneeskundestudenten zien we een oververtegenwoordiging van vrouwen, onder de hoogleraren zien we een oververtegenwoordiging van mannen (zie ook de infographic). De enige maatschappelijk geaccepteerde verklaring voor deze scheefgroei heb ik in de eerste zin gegeven. Partijen als het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren gebruiken deze verklaring om druk op bestuurders uit te oefenen om de scheve verhouding recht te trekken. Een uitvloeisel daarvan is bijvoorbeeld het Westerdijkjaar (2017) waarin 100 vrouwelijke hoogleraren zijn benoemd.

De gegevens van Wolters bieden de mogelijkheid om te onderzoeken hoe mannen en vrouwen zich academisch ontwikkelen na een promotietraject.1 De essentie heb ik nog even samengevat in een figuur. We zien daar een steekproef van 207 gepromoveerde mannen (blauw) en 162 gepromoveerde vrouwen (rood).

Figuur

Wetenschappelijke productiviteit van gepromoveerde mannelijke en vrouwelijke artsen

De productiviteit is weergegeven op de X-as, uitgedrukt in het aantal publicaties per persoon. Op de Y-as staan aantallen gepromoveerde vrouwen (rood, n = 162) en mannen (blauw, n = 207) afgezet tegen hun productiviteit. De gegevens voor deze grafiek zijn ontleend aan data die Frank Wolters heeft verzameld voor een artikel dat elders in dit tijdschrift staat.1

De overgrote meerderheid

Het eerste dat we moeten vaststellen is dat het merendeel van de gepromoveerde mannen en vrouwen vergelijkbaar gedrag laten zien. De meesten van hen worden namelijk nooit hoogleraar, directeur of kampioen. Deze mensen hebben gezinnen, vrienden, hobby´s en willen gewoon een goede dokter zijn. Als ze dan nog tijd over hebben, willen ze natuurlijk ook meewerken aan onderzoek, maar dat staat voor de meesten van hen niet op plaats 1, 2 of 3 in het leven. Deze mannen en vrouwen produceren een kleine hoeveelheid artikelen (zie de grote piek links in de figuur). Het lijkt me logisch dat deze mensen niet op weg zijn naar een hoogleraarschap.

Voor wie zijn de leerstoelen weggelegd?

Leerstoelen willen we reserveren voor mensen met uitzonderlijke talenten en inzet. Die eigenschappen zouden zich toch moeten uiten in een bovengemiddelde vorm van wetenschappelijke productie. Of het aantal artikelen de beste maat is voor wetenschappelijke productie is moeilijk te zeggen, maar iemand die zich wil onderscheiden van zijn of haar gelijken zal dat toch moeten laten zien aan de wereld; de meest voor de hand liggende methode daarvoor is een publicatie.

Mensen die bovengemiddeld veel publiceren hebben blijkbaar iets te melden dat wordt opgepikt door de wetenschappelijke gemeenschap. Bevordering tot hoogleraar is een manier om die boodschap verder te versterken, doordat het toegang biedt tot nieuwe platforms, subsidies en afdelingsgelden. Daarnaast is het wel chic om de persoon te belonen die deze uitzonderlijke productiviteit heeft laten zien. Laten we eens kijken naar de 28 mensen die in 10 jaar tijd meer dan 50 artikelen hebben gepubliceerd: 24 van hen zijn man en 4 vrouw. Uiteraard zijn er hogere of lagere afkappunten te kiezen dan 50 publicaties in 10 jaar, maar de conclusie verandert niet. Die luidt dat er naast allerlei vormen van seksisme toch ook andere redenen kunnen zijn waarom meer mannen dan vrouwen doorstromen naar hoogleraarposities.

Mijn hypothese is dat er mensen bestaan – en die zijn vrij zeldzaam – die alles opofferen om in één ding de beste te zijn, dat sommige van die mensen ook echt heel goed worden op hun gebied, en dat deze vreemde vogels meestal mannen zijn. Je ziet de meest extreme van die vogels terug in de staart van de grafiek. Er is bijvoorbeeld één persoon, een man, die in 10 jaar evenveel publiceerde als 127 van zijn ‘normale’ gepromoveerde collega’s bij elkaar (mannen én vrouwen).

De volgende vraag is: willen we dat deze vogels ook opklimmen in de academische hiërarchie? In een wereld waarin een hoogleraar alleen verantwoordelijkheid draagt voor de wetenschap op het terrein waar hij of zij een diepe passie voor heeft, lijkt me dat het antwoord ‘ja’ is. Het wordt een heel andere kwestie als we uit deze mensen iemand moeten selecteren die hoogleraar-afdelingshoofd met een zeer divers takenpakket moet worden. Het is ook niet zomaar logisch dat we om de man-vrouwverhouding recht te trekken bij dit soort functies moeten kiezen voor vrouwen, want daar wil ik dan wel een inhoudelijk argument bij zien dat betrekking heeft op de vraag waarom zij daar dan meer geschikt voor zijn dan mannen.

‘Fast responders’ en ‘slow responders’

De analyse van Wolters bestrijkt een periode van 10 jaar na de promotie. Een onuitgesproken aanname daarbij is dat er in die periode ook gescoord moet worden om serieus genomen te worden als potentiële toponderzoeker. Dat is in zekere zin legitiem en vertoont paralellen met de sportwereld, waar men zoekt naar ‘fast responders’. Dat zijn kinderen die heel snel reageren op een trainingsprikkel. De paradox is dat veel van deze groeibriljantjes de top niet halen. Ze leren niet omgaan met tegenslag of ontwikkelen zich te snel voor hun lichaam, waardoor ze blessures oplopen.

Hoewel het kristalhelder is dat de fast responders een kans verdienen op een topsportcarrière, kan een club echt het verschil maken door hoogpresterende ‘slow responders’ te identificeren. Dat zijn kinderen die enige mate van talent vertonen, maar zich onderscheiden door jaar na jaar te blijven groeien. Zo zou het ook in de academie moeten gaan. We identificeren nu vooral de fast responders onder de gepromoveerde artsen. De structuur van de wetenschappelijke financiering is nu zo dat je binnen vijf jaar na je promotie een gevestigd wetenschapper moet zijn. Gun mensen – vrouwen én mannen – die een zeer intensief specialisatie- en promotietraject achter de rug hebben ook de tijd om een gezin te stichten en daar echt voor aanwezig te zijn. Als ze na een paar jaar besluiten om hun academische carrière weer serieus op te pakken, moeten ze ook in kunnen stappen. Daarbij moeten we ons wel realiseren dat wetenschap een vak is waar je intensief aan moet werken om er echt goed in te worden. Dat kost dus onvermijdelijk veel tijd, maar enige ontspanning in de wetenschappelijke ratrace zou talent naar boven kunnen halen dat tot nu toe onbenut blijft.

Feminien en masculien

Mijn belangrijkste punt is dat het contraproductief is om de belangen van mannen en vrouwen tegenover elkaar te zetten. Er zijn mensen met een uitgesproken affiniteit voor bescherming van hetgeen ons is toevertrouwd: onze kinderen, onze ouderen, onze patiënten. Anderen hebben een uitgesproken affiniteit voor strijd met en verovering van wat ik het ‘onvertrouwde’ zou willen noemen. Die twee polen van het toevertrouwde en het onvertrouwde zijn complementair. Het eerste kun je feminien noemen, maar is niet voorbehouden aan vrouwen, het andere masculien, maar niet voorbehouden aan mannen.

Een van de redenen waarom we deze discussie over het gebrek aan doorstroom van vrouwen naar hoogleraarschappen überhaupt lijken te hebben is dat we de tweede groep – de masculiene veroveraars – meer waarde toekennen, terwijl juist de feminiene beschermers van wat ons is toevertrouwd een centrale rol spelen in de maatschappij en de zorg in het bijzonder. Dat gebrek aan waardering is misschien wel het echte probleem. Deze mensen, vrouwen én mannen, zijn de kern, terwijl de veroveraars heel ver weg van het bed werken in de uiterste periferie van de patiëntenzorg.

De boodschap

Via het onderwijs, campagnes en Westerdijkjaren krijgen vrouwen te horen dat ze niet alleen geschikt zijn voor traditionele mannenberoepen, maar dat het ook hun morele plicht is te kiezen voor dat soort carrières. De impliciete boodschap is dat feminiene interesses en banen niet goed genoeg zijn. Dat leidt tot het gevoel uit elkaar getrokken te worden tussen wie je bent en wie je zou moeten zijn.

Veel van mijn vrouwelijke, maar dus ook een deel van mijn mannelijke collega’s, lijken te lijden onder deze ideologie. Het is ook niet zozeer een strijd tussen mannen en vrouwen, maar een strijd tussen het masculiene en het feminiene dat we allemaal in ons hebben. Daarom vind ik de debatten waar vrouwenbelangen tegenover mannenbelangen worden gezet vermoeiend, contraproductief en nodeloos polariserend.