De kwantitatieve betekenis van de alternatieve geneeswijzen in de jaren tachtig; een rapport van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid

Opinie
P.E. Voorhoeve
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:904-6
Download PDF

artikel

Na lezing van het rapport van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid over ‘De kwantitatieve betekenis van de alternatieve geneeswijzen in de jaren tachtig’1 vraagt uw commentator zich af in hoeverre hij wel tot oordelen is bevoegd. Hij heeft nauwelijks ervaring met het lezen van sociologische studies en acht zich niet gekwalificeerd deze op hun technische merites te beoordelen, met name niet op de eigen wijze van berekening van de auteur over de omvang van het aantal patiëntencontacten en de kosten in vergelijking met de gegevens van anderen.2-4 Hem rest slechts het gebodene en de daaruit getrokken conclusies als zodanig te aanvaarden. Naar aanleiding daarvan valt er dan wel een en ander op te merken.

Sinds het congres van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst in 1975 over de Geneeskunde en haar randgebieden en het Rapport Muntendam van de Commissie Alternatieve Geneeswijzen in 1981,2 zijn de alternatieve behandelwijzen in de medische wereld respectabel geworden. Bovendien dringt ‘de politiek’ aan op vormen van erkenning en wil de overheid graag weten wat zij van een en ander heeft te verwachten en hoe zij daarmee kan omgaan. Dat heeft o.a. geleid tot het instellen van de Commissie Alternatieve Geneeswijzen in de Nationale Raad die het hier te bespreken onderzoek heeft geëntameerd, en tot een adviesaanvraag bij de Gezondheidsraad. Van de Commissie Alternatieve Behandelwijzen in die Raad valt, in goed overleg met de Artsenfederatie voor Alternatieve Additieve Geneeswijzen, naar wordt gehoopt nog dit jaar een advies te verwachten over protocollen voor effectiviteitsonderzoek van een aantal van deze behandelwijzen. Voor de geneeskunde is niet zozeer van belang hoe vaak een bepaalde therapie wordt beoefend, als wel of zij volgens toetsbare criteria werkzaam is. Daarover laat het rapport van de Raad zich in het geheel niet uit, maar dat was ook niet de taak van de onderzoekster.

In 1985‘86 werd in opdracht van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid door Maassen van den Brink en Vorst een inventariserend onderzoek uitgevoerd onder 35 beroepsorganisaties voor alternatieve behandelwijzen in Nederland.5 ’Doel van dit onderzoek is aanvulling en actualisering van de gegevens genoemd in het Rapport Muntendam (1981). Daarbij ligt het accent op het verkrijgen van een aantal basisgegevens, zoals aard en aantal hulpverleners, aantal hulpzoekenden, kwaliteitskenmerken van behandelingen, e.d. De verkregen resultaten zullen leiden tot advisering inzake te nemen beleidsbeslissingen of aanbevelingen voor verder onderzoek.‘ Het thans voorliggende rapport uit 1987 werkt die gegevens verder uit.

Hoofdstuk 2 hierin is gewijd aan de ‘Betekenis van de alternatieve geneeswijzen’, en enigszins verrassend stelt de auteur dat: ‘De vraag naar de betekenis van de alternatieve geneeswijzen lijkt beantwoord, er doen zich andere brandende kwesties voor: . . .’ Hier lijkt zich dezelfde begripsverwarring voor te doen waaraan destijds het Rapport Muntendam laboreerde, namelijk de sprong van het stellen van een opvatting naar de positieve beantwoording van de vraag naar de geldigheid ervan, en dan verder gaand of het een vaststaande zaak betreft. Dat is toen al in een kritiek op het rapport een petitio principii genoemd, kortweg een cirkelredenering.6 Als nu ‘betekenis’ maatschappelijk is bedoeld als kwantitatief gegeven dat een aantal patiënten en behandelaars gebruik maakt van alternatieve methoden, kan daaraan geen verder waardeoordeel worden ontleend, zoals de term betekenis wel suggereert.

Het rapport hanteert de gebruikelijke indeling in zes hoofdstromingen: acupunctuur, antroposofische geneeskunde, homeopathie, manuele geneeswijzen, natuurgeneeswijze en paranormale geneeswijzen. De overblijvende behandelvormen die worden toegepast door ‘een groot aantal’ leden van beroepsorganisaties die in het inventariserend onderzoek zijn opgenomen, worden onder die zes hoofdstromingen gerubriceerd. Op deze wijze is slechts een relatief kleine fout ontstaan doordat celtherapie, gebedsgenezing, enzymtherapie, medische astrologie en neuraaltherapie niet in het onderzoek zijn opgenomen. Helaas wordt niet gespecificeerd wat onder ‘een groot aantal’ wordt verstaan.

Er wordt aandacht geschonken aan de verschillen, dan wel tegenstellingen tussen regulier en alternatief. Een belangrijke conclusie is dan: ‘dat men niet aan de indruk ontkomt dat de regulier opgeleide ’alternatieve‘ beroepsbeoefenaar meer overeenkomsten vertoont met collega's in de reguliere gezondheidszorg dan met collega's in de alternatieve gezondheidszorg’. De hierbij toegepaste criteria berusten o.a. op toegang tot kanalen van overleg en informatiebronnen in de reguliere geneeskunde, lidmaatschappen van reguliere beroepsverenigingen, erkenning van overheidswege van de betrokken genees- of behandelwijze en van de vergoeding door ziektekostenverzekeraars. Het is interessant te vernemen dat 15 van de 35 beroepsorganisaties voor alternatieve behandelwijzen voornamelijk zijn samengesteld uit artsen, psychologen, fysiotherapeuten, verpleegkundigen, e.d., dat zijn dus regulier opgeleide behandelaars. Veel belangwekkender is echter dat er van de 4120 georganiseerde alternatieve individuele beroepsbeoefenaars 2629 regulier zijn opgeleid. Onder hen bevinden zich 819 artsen. Volgens zeer onbetrouwbare schattingen (dixit de auteur) zouden er ook nog circa 5000 ongeorganiseerde alternatieve behandelaars zijn over wie veel minder bekend is. Dergelijke cijfers zijn niet uniek voor Nederland. Uit een Franse enquête in 1986 is bijvoorbeeld gebleken dat 75 van de artsen daar wel eens zijn toevlucht neemt tot een alternatieve behandeling, en dat 8 van hen meent daarmee in vrijwel alle gevallen te kunnen volstaan.

De Nederlandse data lijken geruststellend, maar als men, zoals steller dezes en n'en déplaise de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG), meent dat een artsdiploma de minimale voorwaarde is voor het zelfstandig beoefenen van diagnostiek en behandeling zijn ze toch wel verontrustend. De vraag of het insteken van een acupunctuurnaald een voorbehouden handeling moet zijn, is daarbij van ondergeschikt belang.

Bij de gegevens over opleiding, scholing en bijscholing blijkt er bij veel informanten onduidelijkheid te hebben bestaan over het verschil tussen beroepsopleiding, cursussen en zelfstudie. Opvallend is dat vragen met betrekking tot deze thema's een relatief hoog percentage non-response hebben behaald. Hoewel de auteur concludeert dat de geselecteerde informanten voldoen aan de criteria ‘op de hoogte van de inhoud van het beroep en kennis van de beroepsorganisatie’, maant zij ook tot voorzichtigheid bij de interpretatie van de resultaten. Op een buitenstaander maakt een en ander de indruk dat de gegevens door de informanten wellicht iets gunstiger zijn voorgesteld dan strookt met de feiten.

De hoofdstukken 3 en 4 gaan over ‘Invulling van de vragenlijsten’ en ‘Enkele onderzoeksresultaten nader bezien’. Hoofdstuk 5 bespreekt de ‘Omvang van de geneeswijzen’. Uit 4 en 5 citeer ik enkele cijfers. Volgens het inventariserende onderzoek consulteerden in 1986 400.000 patiënten een alternatieve arts, en 300.000 een fysiotherapeut(e) die de manuele geneeswijze of antroposofische fysiotherapie toepast. Zo gezien zou meer dan de helft van het totale aantal contacten binnen de zes hoofdstromingen plaatsvinden binnen de reguliere gezondheidszorg. Er wordt ook gesteld dat in dat jaar ruim 1 miljoen patiënten een alternatieve beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd. Van de patiënten ging 23 naar een alternatieve arts. Van de alternatieve beroepsbeoefenaars was 15 deel arts. Die zijn deels inbegrepen in, en worden vergeleken met 50,5 miljoen contacten met huisartsen. Helaas wordt geen opgave gedaan van het aantal contacten met reguliere specialisten, zodat een juiste indruk van de omvang van de alternatieve contacten in de totale gezondheidszorg achterwege blijft. Het is mij tot mijn spijt niet gelukt deze enigszins verschillende cijfers in het rapport met elkaar in overeenstemming te brengen.

De tarieven van de alternatieve artsen varieerden van ƒ 100 tot ƒ 150 per uur, in een periode waarin het landelijke huisartsentarief ƒ 23,70 per kwartier bedroeg. De totale kosten van alternatieve hulp worden geschat op maximaal 570 miljoen gulden, waarvan 370 miljoen voor consulten aan alternatieve artsen en fysiotherapeuten. In totaal gaat er echter zo'n 34,5 miljard gulden om in de gezondheidszorg, waarvan ongeveer 20 miljard intramuraal. Het rapport concludeert dat het opvalt: ‘. .. dat er in de alternatieve gezondheidszorg meer beroepsbeoefenaren in vergelijking met het aantal patiënten beschikbaar zijn, het aantal contacten tussen patiënt en beroepsbeoefenaar groter is en de consulten aanmerkelijk duurder zijn dan in de reguliere gezondheidszorg’.

Het rapport verschaft een aantal nuttige gegevens, al hoop ik wel dat bij een volgende rapportage het dubbelzinnige woord ‘betekenis’ zal worden vermeden als het gaat om de presentatie van kwantitatieve gegevens. Een groot aantal klemmende vragen blijft echter onbeantwoord. In de eerste plaats wat de betekenis is van alternatieve behandelwijzen in het therapeutisch arsenaal, c.q. hoe effectief zij zijn!

De auteur wil in haar rapport geen consequenties verbinden aan: ‘. .. de kwaliteit van en kennis omtrent de uitoefening van de alternatieve geneeswijze door beroepsbeoefenaren met of zonder reguliere opleiding’. Dit wekt de indruk dat zij meent dat bij de uitoefening van een alternatieve behandelwijze enige reguliere kennis van bouw en functie van het menselijk organisme van generlei waarde is. Dat pleit voor haar onafhankelijkheid ten opzichte van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid, die voorstander is van een zekere gemeenschappelijke basisopleiding voor alle alternatieve behandelaars.

Het is echter te hopen dat de overheid op grond van de kwantitatieve gegevens uit dit rapport geen beleidsbeslissingen gaat nemen over bijvoorbeeld de opleiding. Ik ben er een voorstander van dat wetgeving wordt aangepast aan gewijzigde maatschappelijke inzichten inzake bijvoorbeeld abortus en euthanasie. Het valt ook toe te juichen dat onze wetgever de vrijheid van onderwijs erkent, maar niettemin basiseisen stelt aan de opleiding van al het onderwijzende personeel. Voor de keuzevrijheid van de mondige patiënt c.q. cliënt voor zijn favoriete behandelmethode is volgens velen een dergelijke kwaliteitsgarantie van de beroepsuitoefening niet nodig. Maar hoe kan een overheid naast een reguliere basisopleiding, waarover nog moet worden beslist (mijns inziens het artsdiploma!), nog andere gefundeerde eisen stellen aan de opleiding van alternatieve behandelaars als naar methodologisch gangbare normen (nog) niet is vastgesteld of de theoretische, mensbeschouwelijke uitgangspunten van een bepaalde alternatieve behandelwijze objectiveerbaar en toetsbaar zijn te maken, en als daarover binnen een bepaalde stroming vaak grotere interne controversen bestaan?

Het wordt de hoogste tijd dat er onderzoek wordt gedaan naar de kwalitatieve, in plaats van naar de kwantitatieve betekenis van de alternatieve behandelwijzen in de jaren tachtig of negentig!

Literatuur
  1. Maassen van den Brink H. De kwantitatieve betekenis van dealternatieve geneeswijzen in de jaren tachtig. Zoetermeer: Nationale Raadvoor de Volksgezondheid, 1987.

  2. Commissie Alternatieve Geneeswijzen. Rapport AlternatieveGeneeswijzen in Nederland. Den Haag: Staatsuitgeverij, 1981.

  3. Dijk PA van. Geneeswijzen in Nederland; Compendium vooralternatieve geneeswijzen. 6e ed. Deventer: Ankh-Hermes, 1984.

  4. Dijk PA van, Aakster CW. Literatuuronderzoek alternatievegeneeswijzen. Leidschendam: Ministerie van Volksgezondheid enMilieuhygiëne, 1980.

  5. Maassen van den Brink H, Vorst HCM. Beroepsorganisatiesalternatieve geneeswijzen; een inventariserend onderzoek. Zoetermeer:Nationale Raad voor de Volksgezonheid, 1986.

  6. Commentaar van de werkgroep ter voorbereiding van deKNMG-reactie op het rapport van de Commissie Alternatieve Geneeswijzen inNederland. Medisch Contact 1982; 37: 1672-80.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, Laboratorium voor Neurofysiologie, Meibergdreef 15, 1105 AZ Amsterdam.

Prof.dr.P.E.Voorhoeve, neurofysioloog.

Gerelateerde artikelen

Reacties