De 'historiciteit' van de geneeskunde: het vergeten hoofdstuk

Perspectief
J.K. van der Korst
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:2345-7

Onder de enigszins triomfantelijke aanhef ‘Clio in tel’, is onlangs een themanummer van het Tijdschrift voor Geschiedenis gewijd aan de ‘historiciteit’ van de wetenschappen.1 Ten aanzien van uiteenlopende vakgebieden wordt hierin rekenschap afgelegd van in hoeverre er een besef van tijdgebondenheid bestaat. Zeer vele wetenschappen, variërend van theologie tot linguïstiek, komen daarbij aan bod, maar helaas niet de geneeskunde.

In de inleiding tot deze uitgave komt de min of meer verrassende wending van de plaats van de geschiedenis ten opzichte van de andere wetenschappen aan de orde. Het is nog niet zo lang geleden dat de historici zich geroepen voelden om methoden te ontlenen aan andere wetenschappen om op deze wijze als het ware het wetenschappelijke karakter van hun vakgebied te redden. De geschiedschrijving was (en is) immers toch vooral gekenmerkt door het ‘verhalen’ van het ‘éénmalige’ en in de ‘echte’ wetenschappen pretendeerde men zich bezig te houden met…

Auteursinformatie

Jan van Breemen Instituut, wetenschappelijke divisie, Admiraal Helfrichstraat 2, 1056 AB Amsterdam.

Prof.dr.J.K.van der Korst, reumatoloog.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Amsterdam, november 1989,

In zijn bijdrage handelend over de invloed van ontwikkelingen in de wetenschapsfilosofie merkt Van der Korst op dat zowel de geschiedenis der geneeskunde, de filosofie der geneeskunde als de geneeskunde zelf hiervoor resistent zijn (1989;2345-7). Het onderscheid tussen geschiedenis en filosofie der geneeskunde is echter lang niet altijd mogelijk. Zo kan Kuhn zowel onder de wetenschapshistorici als onder de wetenschapsfilosofen worden geschaard. Zijn boek richt zich met name op de natuurwetenschap. Anderen, met name Foucault, hebben ook aan de ontwikkelingen in de medische wetenschap aandacht gegeven.12 In Nederland blijken dan met name de bijdragen van Van den Berg ‘een vergeten hoofdstuk’. In diverse publikaties werd de geschiedenis van de anatomie, de fysiologie en de psychiatrie beschreven als discontinu, te vergelijken met de paradigma's van Kuhn.3-6 Parabirsing analyseerde de visie van Van den Berg en heeft een vergelijking getrokken met Kuhn en Foucault.7 Geheel voorbijgegaan aan de geschiedenis en filosofie der geneeskunde in Nederland zijn de relativistische visies dus niet. Anders wordt het, indien gesproken wordt over de geneeskunde zelf. Net zomin als natuurwetenschappers het tot hun taak rekenen om wetenschappelijke revoluties te ontketenen, zo bedrijven ook artsen ‘normal science’. Omwentelingen zoals in de natuurwetenschappen heeft de geneeskunde ook gekend. Men denke aan de ‘uitvinding’ van de bloedsomloop en het ontstaan van het huidige anatomische inzicht.34 Deze omwentelingen in de geneeskunde verlopen langzaam. Veelal duurt het een generatie lang tot een nieuw revolutionair wetenschappelijk concept algemeen wordt aanvaard. De natuurwetenschappen en de geneeskunde zijn beide in dezelfde mate resistent voor veranderingen.

Met Van der Korst ben ik van mening dat de historie der geneeskunde een inspiratiebron voor een meer relativerende geneeskunde kan zijn. Ook het paradigma, van het bestaan van een objectieve en als zodanig te kennen werkelijkheid, kan dan ter discussie worden gesteld.

H.J. Voerman
Literatuur
  1. Foucault M. The birth of the clinic. New York: Vintage Books, 1975.

  2. Foucault M. Madness and civilization. New York: Vintage Books, 1973.

  3. Berg JH van den. Het menselijk lichaam. I. Het geopende lichaam. Nijkerk: Callenbach, 1959.

  4. Berg JH van den. Het menselijk lichaam. II. Het verlaten lichaam. Nijkerk: Callenbach, 1961.

  5. Berg JH van den. De reflex. Nijkerk: Callenbach, 1973.

  6. Berg JH van den. Zien, verstaan en verklaren van de visuele waarneming. Nijkerk: Callenbach, 1972.

  7. Parabirsing S. De metabletische methode. Meppel: Boom, 1974.