De gelukkige dokter

Onderzoek
Christel M.P. van Dongen
Yolanda van der Graaf
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5847
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Onderzoeken waar dokters en medisch studenten gelukkig van worden.

Opzet

Descriptief vragenlijstonderzoek.

Methode

Voor dit onderzoek vulden artsen en medisch studenten in de zomer van 2012 een onlinevragenlijst in. Zij kregen vragen voorgelegd waarin naar algemene kernmerken en naar geluk werd gevraagd. Wij vroegen geluk te definiëren en het mooiste geluksmoment te omschrijven. Met behulp van simpele statistiek werden de resultaten beschreven.

Resultaten

401 artsen, assistenten en medisch studenten deden mee aan het onderzoek. 41% van de respondenten was man en 59% vrouw. De gemiddelde leeftijd bedroeg 40 jaar. Studenten, huisartsen, anesthesiologen en internisten waren het best vertegenwoordigd. Gemiddeld gaven de deelnemers hun ‘geluk’ een 7,6. De jongeren (< 30 jaar) waren iets minder gelukkig (7,4) dan 48-plussers (7,8). Dit verklaart ook de relatief lage score van studenten (7,1). Huisartsen waren het gelukkigst met een gemiddelde score van 7,9, op de voet gevolgd door de ‘overige dokters’ met een gemiddelde van 7,8 en medisch specialisten (7,6). Binnen de specialismen, hoewel door de kleine aantallen hier enige voorzichtigheid op zijn plaats is, zijn de dokters werkzaam in de ‘kleine specialismen’ het gelukkigst, gevolgd door internisten en ondersteunende specialismen. Psychiaters en snijdende collegae zijn onder aan de lijst terug te vinden. De determinanten ‘liefde en relatie’ en ‘gezin en familie’ dragen het meest bij aan een gelukkig gevoel.

Conclusie

Ouderen zijn gelukkiger dan jongeren en huisartsen zijn doorgaans gelukkiger dan medisch specialisten. De determinanten ‘liefde en relatie’ en ‘gezin en familie’ zijn het belangrijkst voor het geluk van artsen.

Inleiding

Geluk, wat is dat nou precies? Als onderwerp in tal van spreekwoorden, voer voor dichters en songwriters, de drijfveer van (eindejaars)loterijen en goksteden én natuurlijk gewoon je eigen gevoel: geluk is overal om ons heen. Een definitie geven van ‘geluk’ is niet gemakkelijk. Hoe langer je erover nadenkt, hoe moeilijker het wordt. Niet vreemd dus, dat geluk sinds enkele decennia een echte wetenschap is.

Maar geluk meten, hoe doe je dat? Zowel het kortstondige gelukgevoel als geluk over langere tijd kent geen maat. De hersenen van een heel gelukkig persoon zullen er op een scan waarschijnlijk niet anders uitzien dan van een iets minder gelukkig iemand. Geluk is een gevoel dat door de neurowetenschappen niet of nog niet precies in kaart kan worden gebracht. Gewoonweg vragen naar geluk is de enige manier – en dus de gouden standaard – om erachter te komen hoe gelukkig iemand is. Een cijfer geven aan een abstracte beleving om het zo tastbaarder te maken is ook bij bijvoorbeeld het inventariseren van kwaliteit van leven en het scoren van pijn effectief gebleken. Maar dan nog is de 7 die de één geeft aan zijn geluk niet te vergelijken met de 7 die de ander aan zijn geluk geeft.

Volgens de ‘World database of happiness’ (1970-2010) zijn Costa Ricanen het gelukkigst. Zij geven hun geluk een 8,5 op een schaal van 0-10. Opvallend veel landen uit Zuid- en Centraal-Amerika scoren hoog. Wij Nederlanders geven ons geluk gemiddeld een 7,6 – een hoger cijfer dan onze directe buurlanden, maar lager dan de Scandinaviërs.1

Het Centraal Plan Bureau onderzoekt in Nederland welke factoren bijdragen aan geluk. Doorgaans zijn vrouwen iets gelukkiger dan mannen. Woonplaats blijkt van belang te zijn: inwoners van Drenthe scoren hoger dan Limburgers. Bij personen van 40-60 jaar dipt het geluk een beetje. Gezondheid is een belangrijke determinant van geluk; niet alleen chronische, maar vooral psychische ziekten hebben grote invloed. Een goede opleiding, het hebben van een baan waarbij het mogelijk is jezelf te ontplooien én inkomen zijn van belang voor geluk. Ook een sociaal leven en een stabiele relatie dragen hun steentje bij. Personen met kinderen zijn doorgaans niet gelukkiger dan mensen zonder kinderen, maar dit varieert met de leeftijdsfase waarin de kinderen zich bevinden.2,3

Welk cijfer geven artsen aan hun geluk? Het NHG toonde ooit aan dat Nederlandse huisartsen gelukkiger in hun werk zijn (gelukscore 8,2) dan hun buitenlandse collega’s (7,6). Vooral over het aantal werkuren, het salaris en de sociale status waren de Nederlandse huisartsen tevreden.4 Of deze determinanten gelden voor de hele medische beroepsgroep en ook buiten het werk onderzoeken wij in dit artikel. Onze onderzoeksvragen zijn: (a) Welke arts is het gelukkigst? (b) Wat bepaalt gelukkig zijn?

Methode

Voor dit onderzoek vulden artsen en medisch studenten in de zomer van 2012 een online-vragenlijst in. Via een oproep in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en op de website www.ntvg.nl werden lezers geattendeerd op het onderzoek. Via sociale media zoals Twitter en Facebook werd aandacht gevraagd voor het onderzoek. Om mensen te stimuleren deel te nemen aan het onderzoek verlootten we een cadeaukaart van de Bijenkorf onder de respondenten.

Vragenlijst

De respondenten kregen een online-vragenlijst met 22(deel)vragen voorgelegd. Naast geslacht, leeftijd en woonplaats, werd door middel van zowel meerkeuzevragen als open vragen gevraagd naar werk- en privézaken. Op werkgebied ging onze interesse uit naar het specialisme waarin de respondent werkzaam is, de ervaren werkdruk, indeling van de werktijd, woon-werkverkeer, de verstandhouding met collega’s en bazen. Op privégebied vroegen we naar de invulling van de vrije tijd, het hebben van kinderen, de burgerlijke status,vrienden en relaties. Natuurlijk vroegen wij ook het ‘geluk’ te scoren op een schaal van 0-10 en gaven de deelnemers in een open vraag antwoord op hun definitie van geluk. Tevens beschreven de respondenten hun mooiste geluksmoment. Als laatste onderdeel gaven de respondenten aan, wederom op een schaal van 1-10, welke determinanten het bepalendst zijn voor hun geluk. Naast frequenties berekenden wij de gemiddelden voor de verschillende groepen. Omdat de aantallen subspecialismen te klein waren creëerden wij groepen door subspecialismen te clusteren tot een moederspecialisme – zo horen maag-darm-leverartsen en cardiologen bij de internisten – of vergelijkbare specialismen samen te voegen, zoals radiologie en pathologie. Door een logistieke fout werd de gelukscore uitsluitend ingevuld door respondenten die aangaven wel eens verliefd te zijn geweest op een collega (40%). Met behulp van multipele imputatie (R-versie 2.0) imputeerden wij de overige gelukscores.

Resultaten

In de periode juli-september 2012 vulden 401 artsen, assistenten en medisch studenten de online-vragenlijst in. Van hen waren er 166 man (42%) en 235 vrouw (59%). De gemiddelde leeftijd van de studiepopulatie bedroeg 40 jaar (spreiding:17-79). Meer dan driekwart (79%) van de respondenten heeft een relatie en ongeveer de helft (51%) heeft kinderen. 16% (n=63) was student, 15% (n=62) gaf aan huisarts te zijn en 53% werkt als specialist (tabel 1).De meest voorkomende specialismen waren anesthesiologie (n=36%) en interne geneeskunde (n=34%). Niet éénplasticus of neurochirurg vulde de vragenlijst in.

Figuur 1

Gelukscore

Gemiddeld gaven de respondenten een 7,6 (schaal 0-10) aan hun geluk. De laagste score bedroeg een 2 en de hoogste een 10. Een 8 werd het vaakst (37%) gegeven. In figuur 1 is weergegeven dat mannen net iets gelukkiger zijn dan vrouwen (7,6 versus 7,5). Naarmate de leeftijd vordert neemt het gevoel van geluk toe. Zo geven medici jonger dan 30 jaar hun geluk een 7,4. 30-48-jarigen vinden hun geluk een 7,6 waard en 48-plussers zelfs een 7,8.

Figuur 2

Gelukkig wonen

Figuur 2 laat zien waar in Nederland de gelukkigste artsen wonen. Medici die woonachtig zijn in Midden-Nederland, Zuid-Holland en het noorden van het land zijn het gelukkigst en geven hun geluk een 7,8 (schaal 0-10). Artsen uit het oosten van Nederland en uit een deel van Noord-Holland scoren het laagst (7,1-7,2), gevolgd door inwoners van Noord-Brabant en Noord-Limburg (7,3).

Figuur 3

Gelukscore en specialisme

Huisartsen (7,9) zijn gelukkiger dan specialisten in het algemeen (7,6) en studenten (7,1). Onder de verschillende specialismen scoren artsen werkzaam in de kleine specialismen (dermatologie, oogheelkunde en keel-, neus- en oorheelkunde) het hoogst, namelijk 8,3 (figuur 3). De ondersteunende specialisten (radiologen, radiotherapeuten, pathologen, nucleair geneeskundigen en medisch microbiologen) volgen met 8,1. Internisten (internisten, reumatologen, longartsen, cardiologen en maag-, darm- en leverartsen), ouderengeneeskundigen, gynaecologen en bedrijfs- en verzekeringsartsen geven hun geluk 7,7-7,9. Onderaan de lijst vinden we de psychiaters en de snijdende specialisten (chirurgen, orthopeden, urologen, cardio-thoracaal chirurgen en seh-artsen) terug, met respectievelijk een score van 6,8 en 7,1.

Figuur 4

Gelukscore en invulling werktijd en woon-werkververkeer

Artsen die veel tijd (> 70%) aan patiëntencontact besteden zijn even gelukkig (7,6) als hun collega’s die dat minder doen. Medici die in verhouding een groter deel (> 20%) van hun werktijd besteden aan onderzoek zijn gelukkiger (7,6) dan degenen die hier minder tijd (< 20%) aan spenderen (7,0) (figuur 4). Hetzelfde geldt voor artsen die > 20% van de werktijd besteden aan onderwijsactiviteiten (7,7 versus 7,4) en managementfuncties (7,7 versus 7,5).

Figuur 5

Ook de vorm van woon-werkverkeer zorgt voor verschillen in geluksgevoel. Respondenten die actief naar het werk of studie reizen, zijn gelukkiger dan passieve reizigers. Actieve reizigers verschillen daarin onderling: lopers gaven een 8,1 en fietsers een 7,7 – waarbij we moeten opmerken dat maar een enkeling liep. Voor passieve reizigers (openbaar vervoer of automobilisten) bestaat er geen verschil onderling (beiden 7,4).

Determinanten voor geluk

De 5 determinanten die het bepalendst zijn voor het geluk van artsen zijn weergegeven in figuur 5. ‘Liefde en relatie’ draagt met een 8,5 (schaal 0-10) het meest bij aan het gelukgevoel. Nauwsamenhangend daarmee volgt op een 2e plek met gemiddeld een 8,4 ‘gezin en familie’. Een ‘goede gezondheid’ scoort een 8,2. Maar ook werkplezier is van belang met een 8,0. Na een klein gat volgt op plek 5 ‘vakantie en vrije tijd’ (7,3). Het inkomen draagt minder bij aan het geluk van artsen. ‘Materiële zaken’ is met een 5,4 een van de minst belangrijke bijdragen aan artsengeluk.

Figuur 6

Definities van geluk en mooiste geluksmoment

Wij vroegen onze respondenten naar hun definitie van geluk. Het vaakst genoemd werd: tevreden zijn met het leven, de mogelijkheid tot genieten, een positieve innerlijke balans en vrijheid en voorspoed. Als mooiste geluksmoment gaven velen aan: de geboorte van de kinderen, mooie vakantieherinneringen en het moment van inloten, afstuderen of promoveren. Deze definities en beschrijvingen van momenten zijn schematisch weergegeven in figuur 6 en 7.

Figuur 7
Figuur 8

Beschouwing

De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn dat huisartsen gelukkiger zijn dan studenten, specialisten en overige medici en dat de determinanten ‘liefde en relatie’ en ‘gezin en familie’ het grootste aandeel hebben in het geluk van artsen.

Binnen de specialismen zijn de oogartsen, dermatologen en keel-, neus- en oorartsen het gelukkigst. Deze resultaten komen echter voort uit kleine aantallen, waardoor er geen harde uitspraken over gedaan kunnen worden.

De gemiddelde gelukscore van artsen is een 7,6. Dit komt overeen met de gelukscore van de gemiddelde Nederlander (7,6) volgens de ‘World database of happiness’.1 Wij hadden de gelukscore bij artsen iets hoger verwacht, aangezien een goede opleiding en een hoog inkomen zorgen voor meer geluk. Onder medici bleken de mannen gelukkiger dan de vrouwen te zijn, dit in tegenstelling tot de gegevens van het CPB.2 Dat het geluk dipt op de leeftijd van 40-60 jaar konden wij niet aantonen; de gelukscores van artsen nemen alleen maar toe met het stijgen van de leeftijd. Dat in Drenthe de gelukkigste Nederlanders wonen konden wij bij onze respondenten óók niet aantonen. Volgens onze gegevens wonen in Drenthe juist de ongelukkigste artsen.

Zoals al vermeld zijn specialisten werkzaam in de kleine specialismen (oogartsen, dermatologen en neus-, keel- en oorartsen) het gelukkigst, maar ook de ondersteunende specialisten (radiologen, radiotherapeuten, nucleair geneeskundigen, medisch microbiologen en pathologen) zijn erg gelukkig. De resultaten zijn gestoeld op kleine absolute aantallen. Desalniettemin denken wij deze resultaten gedeeltelijk te kunnen verklaren door de (gunstige) werktijden en het vaak afwezig zijn van nacht- en weekenddiensten. Dit in tegenstelling tot de snijdende specialismen die wel vaak uit bed moeten en onregelmatige uren werken. Tegenstrijdig met deze hypothese is dat gynaecologen – die ook diensten draaien – juist wél gelukkiger zijn. Psychiaters scoren het laagst. Dit kan misschien komen doordat zij werkzaam zijn in dat vakgebied, maar het zou ook kunnen dat medisch studenten die al lager scoren op geluk uiteindelijk voor een toekomst in de psychiatrie kiezen. Dit lijkt waarschijnlijker maar dit dwarsdoorsnede onderzoek is niet geschikt om dergelijke causale verbanden op te sporen. Ook is het opvallend dat medisch studenten relatief laag scoren. Dit kan te maken hebben met de studielast, de ongunstige politieke keuzes omtrent studeren, maar vooral ook met de onzekerheden die de jongvolwassen levensfase met zich meebrengt. Uitvinden wie je bent en wat je wilt, keuzes maken voor je verdere leven en loopbaan en bovendien voldoen aan verwachtingen van vrienden, familie, docenten en de maatschappij zijn als oorzaken van deze onzekerheid aan te dragen.

Wij hadden verwacht dat een echte ‘patiëntendokter’ – een arts die het merendeel van zijn werktijd patiënten ziet – gelukkiger zou zijn dan een arts die minder tijd aan patiënten besteed en meer tijd steekt in nevenactiviteiten zoals onderwijs, onderzoek of managementtaken. Zij bleken echter even gelukkig. Dat medici die een groot deel van hun werktijd aan managementtaken besteden gelukkiger zijn dan artsen die dit minder of niet doen, hadden wij niet ingecalculeerd. Ook maakt meer tijd besteden aan onderzoek en onderwijs gelukkiger. Waarschijnlijk speelt selectie hier een belangrijke rol. Een andere verklaring is dat artsen vaak kiezen hoe ze hun tijd invullen en dat niet onderzoek, onderwijs of management zelf hen gelukkiger maakt maar dat juist de keuzevrijheid, de zelfstandigheid en de ontplooiingsmogelijkheden hiervoor zorgen. Gezien de toenemende files en treinvertragingen is het in de lijn der verwachting dat fietsen of lopen naar het werk bijdraagt aan een gelukkiger gevoel.

Dat ‘liefde’ en ‘relatie’ en ‘gezin en familie’ het belangrijkst zijn voor het geluk was te voorspellen. Dat inkomen en materiële zaken zo laag scoorden hadden wij niet verwacht. Misschien wilden de respondenten dit ‘vooroordeel’ juist ontkrachten door het tegendeel in te vullen. Deze studie kent enkele beperkingen. De resultaten en conclusies zijn gestoeld op 401 respondenten, van wie slechts 40% een cijfer aan het geluk heeft gegeven. Een groot deel heeft aangegeven anesthesiologie als vakgebied te hebben. Wij denken dat dit een overschatting is doordat anesthesiologie het eerste vakgebied is in de alfabetische lijst. Het is mogelijk dat er inclusiebias is opgetreden en dat de verschillende groepen medici niet representatief zijn voor de onderzochte vakgebieden. Hopende op een hoge respons hebben wij een Bijenkorfcadeaukaart verloot onder de respondenten. Hiermee poogden wij de respons te verhogen maar hebben we wellicht een andere vorm van selectie in de hand gewerkt. Door geringe respons is de betrouwbaarheid van de resultaten waarschijnlijk beperkt. Daarnaast is het mogelijk dat sociaal wenselijke antwoorden tot vertekening van de resultaten hebben geleid.

Leerpunten

  • Geluk is het best te meten door er een cijfer aan te geven.

  • Nederland behoort wereldwijd tot een van de gelukkigste naties.

  • Oudere medici zijn gelukkiger dan jongere medici.

  • Huisartsen zijn doorgaans gelukkiger dan medisch specialisten.

  • Van de specialisten zijn de dermatologen, oogartsen en keel-, neus- en oorartsen het gelukkigst.

  • De determinanten ‘liefde en relatie’ en ‘gezin en familie’ zijn het belangrijkst voor artsengeluk.

Literatuur
  1. Veenhoven R. Average happiness in 149 nations 2000-2009. World Database of Happiness. Rank report Average Happiness. link

  2. Gelauff G. Op zoek naar geluk. Den Haag: Centraal Planbureau; 2008.link

  3. Helliwell J, Layard R, Sachs J. World Happiness Report. New York: The Earth Institute, Columbia University; 2012. Link.

  4. Krukerink M, Dunselman H. De Gelukkige Huisarts. NHG-nieuws uit Huisarts en Wetenschap op http://nhg.artsennet.nl/kenniscentrum/; 2010link

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam.

Contact Drs. C.M.P. van Dongen (c.van-dongen@hotmail.com)

Verantwoording

Belangenconflict: Y. van der Graaf is adjunct-hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Onder de respondenten loofden wij een Bijenkorfcadeaukaart uit ter waarde van 350 euro. Deze werd gewonnen door Pieter Doesburg, anesthesioloog in het UMC Utrecht.
Aanvaard op 23 november 2012

Auteur Belangenverstrengeling
Christel M.P. van Dongen ICMJE-formulier
Yolanda van der Graaf ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties