De epidemiologische transitie in Nederland

Onderzoek
J.P. Mackenbach
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:132-8
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Nagaan welke verschillen er zijn tussen het Nederlandse sterftepatroon naar geslacht, leeftijd en doodsoorzaak in 1875-1879 en in 1970, en welke de bijdrage is van afzonderlijke doodsoorzaken aan de daling van de sterfte (de epidemiologische transitie) tussen deze twee tijdstippen.

Methoden

Sterftecijfers naar leeftijd, geslacht en doodsoorzaak voor 1875-1879 werden ontleend aan één van de eerste publikaties over deze gegevens na de totstandkoming van een landelijke doodsoorzaakstatistiek. De indeling naar doodsoorzaak werd aangepast aan de in 1970 gebruikte. De sterftecijfers van 1875-1879 en 1970 werden ten behoeve van de onderlinge vergelijking direct gestandaardiseerd naar de bevolking van 1930.

Resultaten

In 1970 lagen de sterftecijfers op een derde (mannen) tot een kwart (vrouwen) van het niveau in 1875-1879. Jongeren hebben van de sterftedaling veel meer geprofiteerd dan ouderen. Van een aantal diagnosehoofdgroepen is het aandeel in de sterfte sterk afgenomen. In bijzondere mate geldt dit voor infectieziekten (van 38-39 naar 4-5) en mentale aandoeningen en ziekten van het zenuwstelsel (van 9-11 naar 2-3). Daartegenover staat een toename van het aandeel van kanker (van 2-3 naar 25-26), hart- en vaatziekten (van 7-8 naar 42), en ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel (van 1-3 naar 7-9). Van de totale sterftedaling tussen 1875-1879 en 1970 komt 45-47 op rekening van een aantal als zodanig benoemde infectieziekten. Luchtweginfecties, met name longtuberculose en pneumonie, acute bronchitis en influenza, vormen daarbinnen de belangrijkste subgroep.

Conclusie

De Nederlandse epidemiologische transitie lijkt sterk op die welke zich in de andere westerse landen waarvoor een beschrijving beschikbaar is, heeft voltrokken. Vermoedelijk hebben bij de daling van de sterfte aan infectieziekten zowel de toegenomen welvaart en hygiënische maatregelen als verbeteringen in de gezondheidszorg een rol gespeeld.

Inleiding

Inleiding

Sinds het midden van de negentiende eeuw heeft in Nederland, evenals in veel andere westerse landen, een enorme toename plaatsgevonden van de gemiddelde levensverwachting bij de geboorte.12 De figuur brengt deze toename duidelijk in beeld. De oudste berekeningen van de levensverwachting in Nederland, volgens moderne methoden en voor de gehele bevolking, hebben betrekking op de periode 1840-1851. De gemiddelde levensverwachting bij de geboorte bedroeg toen 36,1 jaar voor mannen, en 38,5 jaar voor vrouwen. De gegevens voor het jaar 1989 wezen op een levensverwachting van 73,7 jaar voor mannen en 79,7 jaar voor vrouwen.3 In ruim 140 jaar, dus in slechts 4-5 generaties, is de levensverwachting meer dan verdubbeld.

De daling van de sterftecijfers die aan deze toename van de levensduur ten grondslag ligt, is samen met de later volgende daling van de geboortencijfers het onderwerp van de theorie van de ‘demografische transitie’.4-6 Deze theorie verklaart de bevolkingsgroei die zich wereldwijd heeft voorgedaan uit een in vele landen waargenomen volgorde van ontwikkelingen: vanuit een situatie van evenwicht tussen geboorten- en sterftecijfers op een hoog niveau dalen eerst de sterfte- en pas later de geboortencijfers, om uiteindelijk een nieuwe evenwichtssituatie op een lager niveau te bereiken. Naar analogie van de demografische transitie wordt ook wel gesproken van een ‘epidemiologische transitie’.7-10 Deze notie werd rond 1970 geïntroduceerd, en kan worden gezien als een verdere uitwerking van het onderdeel ‘sterfte’ in de demografische transitie. De epidemiologische-transitie-theorie onderscheidt drie fasen in de ontwikkeling van sterfte: het tijdperk van epidemieën en hongersnood (‘pestilence and famine’); het tijdperk van afnemende pandemieën (‘receding pandemics’), en het tijdperk van degeneratieve en door de mens veroorzaakte aandoeningen (‘degenerative and man-made diseases’). In het eerste tijdperk, dat voor Europa en de Verenigde Staten tot diep in de negentiende eeuw geduurd heeft, is de sterfte hoog en wordt gedomineerd door infectieziekten. In het tweede tijdperk raken infectieziekten op hun retour, om plaats te maken voor ziekten zoals kanker, hart- en vaatziekten en ongevalsletsels.

In dit artikel wordt beschreven hoe deze epidemiologische transitie er in Nederland heeft uitgezien. Tot op heden ontbrak een dergelijke beschrijving, doordat Nederlandse sterftegegevens naar doodsoorzaak uit de tweede helft van de negentiende eeuw niet voor analyse toegankelijk waren gemaakt. In dit artikel staat de vraag centraal welke veranderingen er gedurende deze transitie in het sterftepatroon zijn opgetreden. Hiertoe wordt het sterftepatroon naar leeftijd en doodsoorzaak vóór de transitie vergeleken met dat erna. In het verlengde daarvan wordt tevens nagegaan welke doodsoorzaken de grootste bijdrage aan de daling van de totale sterfte gedurende deze periode geleverd hebben. Een uitvoeriger beschrijving en beschouwing zijn in een recente publikatie te vinden.11

De periode die door deze analysen wordt bestreken, loopt van 1875 tot 1970. Het begintijdstip is bij 1875 gelegd omdat enerzijds de totale sterfte rond dat jaar duidelijk begint te dalen, en anderzijds vanaf dat jaar een doorlopende reeks sterftecijfers naar doodsoorzaak beschikbaar is. Het eindtijdstip is in 1970 gelegd omdat er reden is te veronderstellen dat rond die tijd een nieuwe epidemiologische transitie is begonnen, waarin hart- en vaatziekten en ongevallen als doodsoorzaak weer op hun retour raken.11-13

Materiaal en methoden

Vanaf 1866 beschikken wij in Nederland over een landelijke statistiek van doodsoorzaken. De Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst van 1865 verplichtte artsen tot het afgeven van een verklaring van overlijden die ook de doodsoorzaak moest vermelden. De statistische verwerking wordt opgedragen aan het bij dezelfde wet ingestelde Geneeskundig Staatstoezicht.14 In 1866 begint de publikatie van gegevens over overledenen naar doodsoorzaak in de jaarverslagen van het Staatstoezicht.15 In 1869 begint het departement van Binnenlandsche Zaken met een tweede statistiek van doodsoorzaken, gebaseerd op hetzelfde materiaal maar met een andere indeling. In 1875 worden beide indelingen vervangen door één nieuwe, gemeenschappelijke indeling in 34 doodsoorzaken.16 Als startpunt voor de analyse is hier dan ook gekozen voor gegevens over de jaren 1875-1879.17

De doodsoorzaakclassificatie van 1875-1879 is slechts gedeeltelijk vergelijkbaar met de in 1970 gehanteerde indeling volgens de 8e revisie van de Internationale Classificatie van Ziekten.18 Toch kon in de indeling van 1875-1879 een aantal diagnosehoofdgroepen en afzonderlijke doodsoorzaken zoals die ook in 1970 nog werden onderscheiden, worden herkend. Hierbij werd mede gebruik gemaakt van enkele eerdere publikaties over deze gegevens, waarin uitvoerig op de betekenis van de in 1875-1879 onderscheiden rubrieken is ingegaan.1619 De resultaten van deze eerste en belangrijkste stap in de reconstructie van het doodsoorzakenpatroon in 1875-1879 zijn weergegeven in tabel 1. Een aantal rubrieken uit 1875-1879 moest in eerste instantie worden ingedeeld bij een restcategorie ‘overig’, omdat het moeilijk was de nosologische inhoud van deze rubrieken exact vast te stellen. Toch is uit de omschrijvingen in een aantal gevallen wel in grote lijnen duidelijk om wat voor soort ziekten het gaat. In de eerste plaats laat zich een aantal overige infectieziekten herkennen (‘syphilis’, ‘absces’, ‘aanhoudende koorts’), en in de tweede plaats is uit beschrijvingen van tijdgenoten en de leeftijdsverdeling van de overledenen duidelijk dat de rubriek ‘lichaamszwakte’ voor een deel moet worden geïnterpreteerd als – in termen van recente revisies van de Internationale Classificatie van Ziekten – ‘perinataal ontstane aandoeningen’. Op grond van de sterfteverhoudingen in 1903 – het eerste jaar waarover sterftecijfers volgens de Internationale Classificatie van Ziekten zijn ingedeeld – werden daarom uit deze groep ‘overig’ nog aandelen in de sterfte van 1875-1879 gereconstrueerd voor de rubrieken ‘overige infectieziekten’ en ‘perinataal ontstane afwijkingen’. Ruim 20 van de sterfte in 1875-1879 kon al met al niet naar (voor ons herkenbare) doodsoorzaak worden ingedeeld. Dit gedeelte werd blijvend in een categorie ‘overig’ ingedeeld. Uit de afzonderlijke doodsoorzaken konden ook de belangrijkste diagnosehoofdgroepen worden samengesteld. Hierbij moesten echter de hoofdgroepen ‘mentale stoornissen’ en ‘ziekten van het zenuwstelsel’ worden samengevoegd. ‘Pneumonieacute bronchitis influenza’ werd in afwijking van wat op dit moment in de Internationale Classificatie van Ziekten gebruikelijk is, bij de diagnosehoofdgroep ‘infectieziekten’ ingedeeld.

Behalve naar doodsoorzaak werd bij het karakteriseren van het sterftepatroon in 1875-1879 en in 1970 ook een onderscheid gemaakt naar leeftijd. Vanwege gebrek aan detaillering van de oudste gegevens werd daarbij een indeling aangehouden in slechts 6 leeftijdsgroepen: 0, 1-19, 20-49, 50-64, 65-79 jaar en 80 jaar en ouder. Vóór 1918, dus ook in 1875-1879, werd in de statistiek van de sterfte geen onderscheid gemaakt tussen doodgeborenen, en levendgeborenen die reeds vóór de geboorteaangifte waren overleden. Te zamen vormden deze 2 groepen de ‘levenloos aangegevenen’, die niet in de sterfte onder nuljarigen zijn meegerekend.1420 Dit leidt tot een onderschatting van de sterfte onder nuljarigen in 1875-1879, waarmee bij de interpretatie rekening moet worden gehouden.

Bij vergelijking van sterftepatronen voor verschillende jaren dient rekening te worden gehouden met veranderingen in leeftijdsopbouw van de bevolking. Hiertoe werden de sterftecijfers voor de jaren 1875-1879 en 1970 direct gestandaardiseerd naar de leeftijdsopbouw van de Nederlandse mannelijke en vrouwelijke bevolking van een tussenliggend jaar, namelijk 1930.21

Met behulp van deze gestandaardiseerde sterftecijfers kan in principe op een eenvoudige manier worden berekend welke de bijdrage van afzonderlijke doodsoorzaken aan de totale sterftedaling was. Het verschil tussen de gestandaardiseerde sterftecijfers voor een bepaalde doodsoorzaak in 1875-1879 en 1970 wordt hiertoe gedeeld door het verschil tussen de gestandaardiseerde cijfers voor de totale sterfte. Hierbij doet zich echter het probleem voor dat voor sommige diagnosehoofdgroepen (met name ‘kanker’, ‘hart- en vaatziekten’, en ‘ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel’) de sterfte is gestegen. Hieraan zouden dan negatieve percentages moeten worden toegekend. Om dit soort ongewenste uitkomsten te vermijden, werden diagnosehoofdgroepen waarvoor de sterfte steeg uit de berekeningen weggelaten, en werd steeds gepercenteerd op de som van alle voor diagnosehoofdgroepen specifieke sterftedalingen. In de praktijk zijn de verschillen tussen de hier gevolgde en de eerder aangeduide eenvoudiger procedure overigens gering. Voor mannen daalde het gestandaardiseerde sterftecijfer voor de totale sterfte namelijk met 15,1 overledenen per 1000 persoonjaren, en de som van alle voor diagnosehoofdgroep specifieke sterftedalingen met 17,6 overledenen per 1000 persoonjaren, voor vrouwen waren de getallen respectievelijk 15,8 en 16,7.

Resultaten

Gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdsopbouw van de bevolking lagen de sterftecijfers in 1970 op een derde (mannen) tot een kwart (vrouwen) van het niveau in 1875-1879 (tabel 2). De enorme daling die hieruit spreekt, heeft zich echter niet in alle leeftijdsgroepen in gelijke mate voorgedaan. Zo daalde onder de nuljarigen het sterftecijfer voor beide geslachten met 94. Dit is nog een onderschatting van de werkelijke daling, omdat in de gegevens over sterfte onder nuljarigen in 1875-1879 de levendgeborenen die voor de geboorteaangifte waren overleden, ontbreken, terwijl zij wel in de sterfte onder nuljarigen in 1970 werden meegerekend. De sterfte in de leeftijdsgroep 80 jaar en ouder daalde echter met ‘slechts’ 20 voor mannen en met 32 voor vrouwen.

Doordat de sterftedaling in het algemeen in de jongere leeftijdsgroepen het meest uitgesproken was, is de verdeling van sterfgevallen over leeftijdsgroepen zeer sterk veranderd. Om deze verandering in kaart te brengen, kan niet worden volstaan met een eenvoudige vergelijking van de verdeling van overledenen naar leeftijd in 1875-1879 en in 1970. De leeftijdsverdeling van de bevolking waaruit de sterfgevallen voortkomen, is immers ook sterk gewijzigd. Ook na correctie voor deze veranderingen in leeftijdsopbouw is echter het aandeel van de sterfte onder jongeren in de totale sterfte sterk verminderd, en dat van de sterfte onder ouderen sterk toegenomen (zie tabel 2).

Hoewel de ontwikkelingen bij mannen en vrouwen in grote lijnen identiek waren, valt toch op dat het vrouwelijk deel van de bevolking wat meer profijt heeft gehad van de epidemiologische transitie. Weliswaar was ook in 1875-1879 de sterfte onder vrouwen al iets lager dan die onder mannen, maar in 1970 waren de verschillen groter geworden: de sterftecijfers onder vrouwen zijn sterker gedaald dan die onder mannen (zie tabel 2).

Infectieziekten vormden in 1875-1879 de belangrijkste doodsoorzaak (tabel 3). Bijna 40 van de totale sterfte kwam toen op rekening van een aantal met name bekende infectieziekten. Bij nadere detaillering blijkt dat longtuberculose en een niet verder te onderscheiden groep acute ziekten van de ademhalingsorganen (pneumonie, acute bronchitis, influenza) de twee belangrijkste doodsoorzaken uit deze groep waren, en elk circa 10 van de totale sterfte in 1875-1879 veroorzaakten. Een eveneens niet verder te onderscheiden groep ‘diarrheeziekten’ (cholera, buiktyfus, dysenterie en dergelijke) kwam op de derde plaats.

De in omvang tweede hoofdgroep van doodsoorzaken werd in 1875-1879 gevormd door mentale aandoeningenziekten van het zenuwstelsel. Op het eerste gezicht is dit wellicht verrassend, maar bij nadere detaillering blijkt dat de rubriek ‘stuipen’ de helft van het aantal overledenen in deze hoofdgroep veroorzaakt. Waarschijnlijk gaat het hierbij vooral om ook nu nog bij kinderen waargenomen koortsstuipen, en moeten wij ons bij deze rubriek in feite koortsende ziekten, dus infectieziekten, voorstellen. Iets dergelijks geldt vermoedelijk in mindere mate ook bij een aantal andere hoofdgroepen, zoals (chronische) ziekten van de ademhalingsorganen en ziekten van de spijsverteringsorganen.

Voor veel hoofdgroepen geldt dat de sterftecijfers tussen 1875-1879 en 1970 zijn gedaald. De enige uitzonderingen zijn ‘kanker’ en ‘hart- en vaatziekten’, waarvoor de sterfte zowel bij mannen als bij vrouwen is toegenomen, en ‘ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel’, waarvoor de sterfte alleen bij vrouwen is toegenomen. De meest uitgesproken sterftedaling zien wij bij de infectieziekten (97 bij beide geslachten) en bij de mentale aandoeningen en de ziekten van het zenuwstelsel (94 bij beide geslachten).

Ten gevolge van deze gedifferentieerde ontwikkelingen is de verdeling van de sterfte over diagnosehoofdgroepen radicaal veranderd. In 1970 waren hart- en vaatziekten veruit de belangrijkste doodsoorzaak, op enige afstand gevolgd door kanker. Ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel kwamen op de derde plaats.

Er was een zeer sterke afname van de sterfte door ‘overige’ doodsoorzaken, en een daarmee overeenkomende afname van het aandeel van deze groep in de totale sterfte (zie tabel 3). Omdat deze groep voor 1875-1879 bestaat uit niet goed thuis te brengen nosologische categorieën, creëert de verandering van het aandeel in de totale sterfte van deze groep een bepaalde mate van onzekerheid over de werkelijke veranderingen in het sterftepatroon. Het is denkbaar dat in deze groep vooral infectieziekten verscholen zitten, waardoor de afname van het aandeel van de infectieziekten in feite wordt onderschat. Het is ook denkbaar dat onder deze mantel hart- en vaatziekten of kanker schuilgaan, waardoor de toename van het aandeel van deze groepen wordt overschat.

Ook voor de gegevens uit tabel 2 geldt dat de ontwikkelingen bij mannen en vrouwen erg op elkaar lijken. Een belangrijk verschil is dat de toename van de sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten bij vrouwen veel minder uitgesproken is dan bij mannen. Dit voordeel overschaduwt de iets ongunstiger ontwikkeling van de sterfte aan ongevallen en opzettelijk toegebracht letsel onder vrouwen volledig, en veroorzaakt in belangrijke mate de toename van de sterfteverschillen tussen mannen en vrouwen.

Van de totale sterftedaling tussen 1875-1879 en 1970 kwam bijna de helft uit de diagnosehoofdgroep ‘infectieziekten’ (tabel 4). Luchtweginfecties vormden daarbinnen de belangrijkste categorie: longtuberculose alleen droegen 13-14 bij aan de daling, de groep pneumonieacute bronchitisinfluenza 10-12, kinderziekten zoals roodvonk, mazelen, kinkhoest en difterie samen in totaal 5. De qua belang voor de sterftedaling tweede subgroep binnen de infectieziekten waren diarreeziekten (zoals buiktyfus, dysenterie, cholera en gastro-enteritis door andere micro-organismen). Deze droegen 10-11 bij aan de daling. De rubriek ‘overige infectieziekten’, die 5-6 aan de totale sterftedaling bijdroeg, werd gedomineerd door overige vormen van tuberculose, op enige afstand gevolgd door syfilis.

Beschouwing

De epidemiologische transitie is reeds voor meerdere landen beschreven: Engeland,22-24 de Verenigde Staten,9 Italië.25 In grote lijnen lijkt het Nederlandse sterftepatroon in 1875-1879 uit onze analyse op dat van andere zich industrialiserende landen in dezelfde periode. Omdat die gelijkenis ook voor 1970 opgaat, is de conclusie dat er grote overeenkomsten zijn tussen de epidemiologische transitie in Nederland en die in andere westerse landen.22-25

Wanneer de sterftepatronen van 1875-1879 en 1970 met elkaar vergeleken worden, zien wij ook in Nederland spectaculaire verschillen. De verschillen zijn zo groot dat men moeite heeft zich de omvang ervan voor te stellen. Een pasgeborene had in 1875-1879 nog een kans van 1 op 5 om voor de eerste verjaardag te overlijden, en in 1970 nog slechts een kans van iets meer dan 1 op 100. Het sterftecijfer voor de afzonderlijke doodsoorzaak longtuberculose lag in 1875-1879 bijna op het niveau van dat van de diagnosehoofdgroep hart- en vaatziekten in 1970. Evenzo was het sterftecijfer voor ‘diarrheeziekten’ in 1875-1879 hoger dan dat voor kanker in 1970.

De toename van het aandeel van hart- en vaatziekten en kanker in de totale sterfte is een gevolg van twee verschillende ontwikkelingen: de afname van de sterfte aan andere doodsoorzaken, en een toename van het sterftecijfer van deze twee diagnosehoofdgroepen zelf. Bij deze laatste ontwikkeling kan de vraag gesteld worden in hoeverre het hier gaat om een reëel verschijnsel of om een effect van veranderde diagnostische inzichten en mogelijkheden. De toename van de sterfte aan kanker, die al in het laatste kwart van de negentiende eeuw duidelijk zichtbaar was, werd door tijdgenoten als gedeeltelijk schijn (met name toegeschreven aan betere herkenning) en gedeeltelijk werkelijkheid geïnterpreteerd.26 Voor de toename van hart- en vaatziekten (in feite gaat het vooral om een toename van de sterfte aan ischemische hartziekte na 1930) geldt iets dergelijks.27 De omvang van de rubriek ‘overig’ in het sterftepatroon van 1875-1879 laat in elk geval ruimte voor de mogelijkheid van aanzienlijke vertekening. Vóór een (ten minste gedeeltelijk) reële toename van de sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten pleit dat deze wereldwijd in ‘westerse’ en ‘verwesterde’ populaties is en nog wordt waargenomen,2829 en dat aannemelijke verklaringen beschikbaar zijn, zoals in het geval van bepaalde vormen van kanker de opkomst van het sigarettenroken.30

Hoe het ook zij, belangrijker dan de vraag of de toename van deze als ‘degeneratieve ziekten’ aangeduide aandoeningen reëel is of niet, is de veel moeilijker aan te vechten constatering dat de sterfte aan infectieziekten vrijwel uit het sterftepatroon is verdwenen. Weliswaar zullen bepaalde chronische aandoeningen in het verleden ten onrechte als ‘chronische infecties’ (zoals tuberculose) zijn geregistreerd, toch zal gezien de omvang van de daling van de sterfte aan infectieziekten niemand eraan twijfelen dat deze grotendeels reëel is. Hoogst waarschijnlijk is het aandeel van de infectieziekten in de daling van de totale sterfte eerder groter dan de berekende 45-47 (zie tabel 4), dan kleiner. Van een aantal andere in tabel 4 onderscheiden rubrieken kan immers met enige zekerheid worden aangenomen dat het hierbij in feite eveneens om (gevolgen van) infectieziekten gaat, ook al blijkt dat niet uit de gangbare ziekteclassificaties. De rubriek ‘stuipen’ is daarvan, zoals al genoemd, een voorbeeld. Bij kraamvrouwenkoorts, in tabel 4 ingedeeld in de rubriek ‘ziekten van zwangerschapbevallingkraambed’, gaat het ook om een infectieziekte. Ten slotte is aannemelijk dat een deel van de daling van de sterfte aan de chronische aandoeningen die in de hoofdgroepen ‘ziekten van de ademhalingsorganen’ en ‘ziekten van de spijsverteringsorganen’ zijn ingedeeld, in feite eveneens op een afname van luchtweg- en darminfecties berust. In totaal komt de bijdrage van infectieziekten aan de totale daling daarmee al gauw op 55-60.

Voor de achtergronden van de daling van de sterfte aan infectieziekten kan worden verwezen naar het werk van McKeown, dat de gangbare opvattingen over dit onderwerp in belangrijke mate heeft bepaald.2324 Uit zijn analysen van de Engelse sterfte-ontwikkeling sinds het midden van de negentiende eeuw, die, zoals gezegd, in grote lijnen met de Nederlandse overeenkomt, concludeerde hij dat een verhoging van de welvaart, meer in het bijzonder een verbetering van de voedingstoestand, waarschijnlijk de overheersende factor is geweest in de sterftedaling.

Hoewel McKeowns analysen nog steeds als zeer gezaghebbend gelden, is uit de rond zijn werk ontstane discussie tevens duidelijk geworden dat in zijn betoog enkele belangrijke nuanceringen kunnen worden aangebracht. Vermoedelijk hebben zowel hygiënische maatregelen,3132 als verbeteringen in de gezondheidszorg,3133 een minder ondergeschikte rol gespeeld dan McKeown ons wilde doen geloven. De beste conclusie is vermoedelijk dat juist de gelukkige combinatie van meerdere gunstige, elkaar versterkende omstandigheden voor het succesverhaal van onze toegenomen levensverwachting heeft gezorgd.11

Literatuur
  1. Centraal Bureau voor de Statistiek. Sterftetafels voorNederland, afgeleid uit waarnemingen over de periode 1931-1940.'s-Gravenhage: Rijksuitgeverij, 1942.

  2. Centraal Bureau voor de Statistiek. Negentig jarenstatistiek in tijdreeksen. 's-Gravenhage: SDU, 1989.

  3. Centraal Bureau voor de Statistiek. Overlevingstafels,1989 en 1985-1989. Mndstat Bevolk (CBS) 1990; 9: 48-51.

  4. Beaver SE. Demographic transition theory reinterpreted.Lexington, MA: Lexington Books, 1975.

  5. Caldwell JC. Toward a restatement of demographictransition theory. Pop Dev Rev 1967; 23: 321-66.

  6. Teitelbaum MS. Relevance of demographic transition theoryfor developing countries. Science 1976; 188: 420-5.

  7. Omran AR. The epidemiologic transition; a theory of theepidemiology of population change. Milbank Mem Fund Q 1971; 49:509-38.

  8. Omran AR. A century of epidemiologic transition in theUnited States. Prev Med 1977; 6: 30-51.

  9. Omran AR. Epidemiologic transition in the U.S.; the healthfactor in population change. Popul Bull 1977; 32: 3-42.

  10. Omran AR. The epidemiologic transition theory; apreliminary update. J Trop Pediatr 1983; 29: 305-16.

  11. Mackenbach JP. De veren van Icarus; over de achtergrondenvan twee eeuwen epidemiologische transities in Nederland. Utrecht: Bunge,1992.

  12. Olshansky SJ, Ault AB. The fourth stage of epidemiologictransition: the age of delayed degenerative diseases. Milbank Q 1986; 64:355-91.

  13. Rogers RG, Hackenberg R. Extending epidemiologictransition theory: a new stage. Soc Biol 1987; 34: 234-43.

  14. Neurdenburg MG. Doodsoorzaak en statistiek. Amsterdam:Paris, 1929. Proefschrift Leiden.

  15. Dijk JP van. Doodsoorzakenclassificaties 1750-1950.Groningen: Instituut voor Sociaal-Medische Wetenschap, 1981.

  16. Hofstee EW. De demografische ontwikkeling van Nederlandin de eerste helft van de negentiende eeuw. Deventer: Van Loghum Slaterus,1979.

  17. Departement van Binnenlandsche Zaken. Vijfjarig overzichtvan de sterfte naar den leeftijd en de oorzaken van de dood in elke gemeentevan Nederland gedurende 1875-1880. In: Statistische Bescheiden van hetKoninkrijk der Nederlanden. 's-Gravenhage: Van Weelden en Mingelen,1882.

  18. Centraal Bureau voor de Statistiek. Overledenen naarleeftijd, geslacht en doodsoorzaak 1970. Serie A1.

  19. Evers JCG. Bijdrage tot de bevolkingsleer van Nederland.'s-Gravenhage: Belinfante, 1882.

  20. Haas-Posthuma JH de. Perinatale sterfte in Nederland.Assen: Van Gorcum, 1962.

  21. Centraal Bureau voor de Statistiek. Bevolking vanNederland naar geslacht, leeftijd en burgerlijke staat 1830-1969.'s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1970.

  22. Mercer AJ. Disease, mortality and population intransition. Leicester: Leicester University Press, 1990.

  23. McKeown ThF. The modern rise of population. London:Arnold, 1976.

  24. McKeown ThF. The role of medicine: dream, mirage, ornemesis. London: Nuffield Provincial Hospitals Trust, 1976.

  25. Caselli G. Health transition and cause-specificmortality. In: Schofield R, Reher D, Bideau A, red. The decline of mortalityin Europe. Oxford: Clarendon Press, 1991.

  26. Deelman HT. Kankersterfte naast tuberculosesterfte inNederland, gedurende de laatste 30 jaren.Ned TijdschrGeneeskd 1917; 61: 1303-17.

  27. Havlik RJ, Feinleib M. Proceedings of the conference onthe decline in coronary heart disease mortality. NIH Publication nr 79-1610.Washington DC: US Department of Health, Education and Welfare,1979.

  28. Trowell HC, Burkitt DP. Western diseases – theiremergence and prevention. London: Arnold, 1981.

  29. Kunitz SJ. Public policy and mortality among indigenouspopulations of Northern America and Australasia. Pop Dev Rev 1990; 16:647-72.

  30. Peto R, Lopez A, Boreham J, Thun M, Heath C. Mortalityfrom tobacco in developed countries: indirect estimation from national vitalstatistics. Lancet 1992; 339: 1268-78.

  31. Szreter S. The importance of social intervention inBritain's mortality decline c. 1850-1914. J Soc Hist Med 1988; 1:1-37.

  32. Woods R, Woodward J. Urban disease and mortality innineteenth century England. London: Batsford Academic and Educational,1984.

  33. Mackenbach JP, Looman CWN. Secular trends in infectiousdisease mortality in the Netherlands: quantitative estimates of changescoinciding with the introduction of antibiotics. Int J Epidemiol 1988; 17:618-24.

Auteursinformatie

Erasmus Universiteit, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Postbus 1738, 3000 DR Rotterdam.

Prof.dr.J.P.Mackenbach, sociaal-geneeskundige.

Gerelateerde artikelen

Reacties