De betekenis van DNA-flow-cytometrie bij solide tumoren

Klinische praktijk
C.J. Rodenburg
C.J. Cornelisse
G.J. Fleuren
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:814-8
Download PDF

In toenemende mate verschijnen er publikaties over de prognostische waarde van bepalingen van het DNA-gehalte van tumoren.12 In dit artikel worden de biologische achtergrond en het principe van de bepalingsmethoden toegelicht en wordt het klinische belang ervan voor enkele veel voorkomende soorten tumoren besproken. Voor een meer gedetailleerd overzicht – ook met betrekking tot maligne bloedziekten – wordt verwezen naar het artikel van Coon et al.3

AneuploÏdie

Het DNA-gehalte van normale, niet delende cellen bij de mens is de som van het DNA-gehalte van 23 paar chromosomen in de celkern. Door nog grotendeels onbegrepen oorzaken neemt tijdens tumorontwikkeling de genetische instabiliteit van cellen toe, hetgeen zich onder meer uit in een toename of verlies van chromosomen. De tumorcellen zijn dan niet langer ‘diploïd’ maar ‘aneuploïd’ en ook het DNA-gehalte is veranderd. De omvang van de afwijkingen in ‘ploïdie’ kan sterk variëren. In sommige tumoren betreffen de numerieke veranderingen slechts een trisomie of een monosomie van één chromosoom; in andere is het totaal aantal chromosomen soms meer dan verdubbeld en varieert het aantal kopieën per chromosoom. Bovendien komen er vaak structurele chromosoomafwijkingen voor, zoals translocaties en deleties, die samen met de numerieke afwijkingen bijdragen aan de complexe karyotypes van solide tumoren.4 Het is niet ondenkbaar dat slechts een (zeer) beperkt deel van de vaak omvangrijke veranderingen in de chromosomen een causaal verband heeft met de tumorontwikkeling en dat de meeste afwijkingen ‘bijprodukten’ zijn van de toegenomen genetische instabiliteit. Verlies van chromosomen waarop genen gelegen zijn die tumorgroei kunnen onderdrukken (‘tumor-suppressor-genen’), zou een voorbeeld kunnen zijn van een specifiek biologisch effect van aneuploïdie.5

Proliferatieve activiteit

Het DNA-gehalte wordt niet alleen bepaald door het aantal chromosomen (ploïdiegraad), maar ook door de fase van de celcyclus waarin de tumorcellen zich bevinden. Tijdens de S-fase van de celcyclus, voorafgaand aan de celdeling, moet het DNA verdubbeld worden om beide dochtercellen ieder een kopie van de genetische informatie van de moedercel mee te kunnen geven. In homogene groepen cellen varieert het DNA-gehalte dus volgens een karakteristieke, bimodale frequentieverdeling van één- tot tweemaal de basiswaarde (DNA-index) van de cellen in de G0- en G1-fase van de celcyclus. De DNA-index van normale, diploïde cellen is 1,00. Voorbeelden van een normale en een afwijkende verdeling van het DNA-gehalte (DNA-histogram) worden gegeven in de figuren 1 en 2. Het percentage cellen met een DNA-gehalte in de S-fase (S-fase-fractie) blijkt heel redelijk verband te houden met bepalingen hiervan door middel van thymidine-labeling en vormt als zodanig een maat voor de proliferatieve activiteit van de tumor.6

Dna-cytometrie

Omdat chromosomenonderzoek van primaire solide tumoren technisch zeer moeilijk is, leent deze methode zich niet voor onderzoek naar het verband tussen aneuploïdie en prognose. Afwijkingen in het DNA-gehalte van tumorcellen kunnen echter met moderne meetapparatuur op eenvoudige en routinematige wijze bepaald worden (DNA-cytometrie). Het principe van cytometrische bepalingen van het DNA-gehalte berust op het meten van fluorescentie of absorptie van kleurstoffen die zich specifiek en proportioneel aan DNA binden.

Bij biochemische bepalingen van het DNA-gehalte worden weefselhomogenaten gebruikt, bij cytometrie individuele cellen. Bij DNA-flow-cytometrie worden cellen met hoge snelheid in een fijne, gestabiliseerde vloeistofstraal langs een fluorescentiedetector gevoerd, waardoor volautomatisch in enkele minuten van tienduizenden cellen het DNA-gehalte gemeten kan worden. De gevoeligheid van deze techniek maakt de bepaling van een verschil in DNA-gehalte van 5 in heterogene groepen cellen mogelijk. Wel is deze gevoeligheid onvoldoende om een trisomie of een monosomie voor één bepaald chromosoom te bepalen. De verkregen cytogenetische informatie is dus in vergelijking tot die welke karyotypering levert, zeer globaal en niet specifiek.

Bij DNA-cytometrie worden de aan de cytogenetica ontleende termen als ‘diploïd’ en ‘aneuploïd’ gebruikt om normale respectievelijk niet-normale verdelingen van het DNA-gehalte mee aan te duiden. Hoewel er ook geautomatiseerde methoden bestaan voor het meten van het DNA-gehalte in cytologische preparaten (beeldcytometrie) zullen we ons bij de te bespreken voorbeelden beperken tot de resultaten die verkregen zijn met DNA-flow-cytometrie.

Het onderzoek naar de prognostische waarde van afwijkingen in DNA-gehalte heeft een sterke impuls verkregen toen in 1983 een methode werd beschreven om tumorweefsel uit paraffineblokjes gereed te maken voor DNA-flow-cytometrie.7 Hierdoor werd het mogelijk naast vers of ingevroren weefsel paraffinemateriaal van patiënten met goed gedocumenteerde gegevens uit langdurige follow-up retrospectief te bestuderen. Dit heeft inmiddels geleid tot een exponentiële toename van publikaties over de prognostische betekenis van bepalingen van het DNA-gehalte.

Enkele voorbeelden van de toepassing van DNA-flow-cytometrie bij solide tumoren zullen worden besproken.

Mammacarcinoom

Bij ongeveer 60-80 van de patiënten met mammacarcinomen werden cellen met een afwijkend DNA-gehalte gevonden. Over het algemeen bleken aneuploïdie en een hoge S-fase-fractie gepaard te gaan met afname van de differentiatiegraad, afwezigheid van steroïdhormoonreceptoren, grotere tumorafmetingen, meer uitgebreide lymfklierinvasie en toenemend ziektestadium (TNM-klasse). Deze tendensen zijn echter niet in alle onderzoekingen even duidelijk gevonden. De verschillen in samenstelling van de patiëntengroepen vormen hierbij een complicerende factor. Aneuploïdie en hoge S-fasefracties in tumorcellen blijken verband te houden met een kortere overlevingsduur.

De grootste verschillen werden gevonden door Kallioniemi et al., die 308 patiënten met een mammacarcinoom in stadium I-III onderzochten. De 8-jaarsoverleving van patiënten met diploïde tumoren bleek 74,3 en die van patiënten met aneuploïde tumoren 51,2 te zijn.8 Een dergelijk verschil in overlevingsduur werd ook gevonden bij patiënten met niet-aangetaste lymfklieren. Bij een nadere onderverdeling van de ploïdie-afwijkingen bleek dat patiënten met hypertetraploïde tumoren, waarvan het DNA-gehalte dus meer dan verdubbeld was (DNA-index > 2,00), de meest ongunstige prognose hadden. Aneuploïdie en verhoogde S-fase-fractie hielden eveneens verband met een slechtere prognose bij 490 door Hedley et al. onderzochte patiënten met mammacarcinoom stadium II met positieve lymfklieren.9 In een multivariate analyse waarin een aantal prognostische factoren werd onderzocht, bleek echter alleen de S-fase-fractie een onafhankelijke factor te zijn. Cornelisse et al. onderzochten 565 patiënten met een mammacarcinoom in stadium I-IV en vonden eveneens een prognostisch ongunstig effect van aneuploïdie, maar dit bleef voornamelijk beperkt tot patiënten in de postmenopauze met positieve lymfklieren.10 Het verschil in overleving tussen patiënten bij wie al dan niet aneuploïdie werd vastgesteld, bleek echter op langere termijn af te nemen, hetgeen ook door Dowle et al. in een groep van 354 patiënten werd gevonden.11

Geconcludeerd mag worden dat aneuploïdie en S-fase-fractie voor het mammacarcinoom prognostische factoren zijn, die tot nu toe echter in de meeste onderzoekingen in belang onderdoen voor lymfklierstatus en klinisch stadium.

Longcarcinoom

In een onderzoek van Bunn et al. bleek zowel van de 129 kleincellige als van de 38 niet-kleincellige longcarcinomen ongeveer 85 aneuploïde cellen te bevatten.12 Voor het kleincellige longcarcinoom werd geen verschil in overlevingsduur gevonden tussen patiënten met aneuploïde of met (bijna) diploïde tumoren. Volm et al. onderzochten 240 patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom en stelden vast dat 83 van de tumoren aneuploïd bleek te zijn.13 Diploïdie en lage S-fase-fractie gingen gepaard met een statistisch significant langere overlevingsduur. Deze resultaten zijn bevestigd in een retrospectief onderzoek door Zimmerman et al. van paraffinemateriaal afkomstig van 100 chirurgisch behandelde patiënten.14 Het percentage aneuploïde tumoren was bij deze patiënten aanzienlijk lager (45) dan bij die in het onderzoek van Volm et al., hetgeen voor een deel kan samenhangen met de selectie van patiënten met een nog vroeg stadium van de ziekte, maar kan ook veroorzaakt zijn door een geringere gevoeligheid van de bepalingen van het DNA-gehalte op gedeparaffineerd weefsel, waardoor geringe ploïdie-afwijkingen niet onderscheiden kunnen worden. In de multivariate analyse bleek ploïdie de belangrijkste, onafhankelijke prognostische factor te zijn. Het grootste verschil werd gevonden in de groep patiënten met niet-aangetaste lymfklieren (2-jaarsoverleving voor de groep met diploïde tumoren 91 tegenover 55 voor die met aneuploïde tumoren). Ten Velde et al. vonden echter bij 115 patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom in stadium I-IV geen statistisch significant effect op de prognose van aneuploïdie, maar wel van de S-fase-fractie, vooral bij de patiënten met plaveiselcelcarcinoom.15

Geconcludeerd mag worden dat ook voor het nietkleincellige longcarcinoom metingen van het DNA-gehalte informatie over de prognose kunnen opleveren, ook al zijn er nog discrepanties die mogelijk samenhangen met verschillen in de samenstelling van de groepen patiënten.

Colon- of rectumcarcinoom

In een groep van 279 patiënten met tumoren van colon of rectum bleek aneuploïdie en een hoge S-fase-fractie verband te houden met een slechtere prognose.16 In een latere multivariate analyse van de gegevens van 350 patiënten werd weliswaar het belang van ploïdie als prognostische factor bevestigd, maar bleken klinisch-pathologische variabelen zoals stadium (Dukes B, C of D), en grootte en gradering van de tumor van grotere betekenis.17 De negatieve correlatie tusen aneuploïdie en overlevingsduur bij patiënten met een tumor van de dikke darm werd eveneens gevonden in een onderzoek van 203 patiënten door een groep uit het St. Mark's Hospital.18 In de multivariate analyse bleek ploïdie echter géén onafhankelijke prognostische factor te zijn. Daarentegen werd in een ander Engels onderzoek van 123 patiënten wél een onafhankelijk prognostisch effect van ploïdie in tumorcellen gevonden.19

Uit deze onderzoekingen blijkt dat ook voor colon- en rectumcarcinomen aneuploïdie verband houdt met een slechtere prognose. Er bestaat geen eenstemmigheid over de vraag of ploïdie werkelijk een onafhankelijke prognostische factor is.

Ovariumcarcinoom

De resultaten van verschillende onderzoekingen bij patiënten met een ovariumcarcinoom laten allemaal een duidelijk verband zien tussen ploïdie en prognose.20-24 In vergelijking met andere prognostische factoren, zoals de hoeveelheid resterend tumorweefsel na operatie, de keuze van chemotherapie, de toestand van de patiënt (‘performance’) en de histologische gradering van de tumor, blijkt ploïdie één van de belangrijkste te zijn in de multivariate analyse.22-24 In het onderzoek van Kallioniemi et al. werden in tegenstelling tot in andere onderzoekingen ook patiënten met tumoren in lagere stadia (stadium I en II) bestudeerd. Ook voor deze groepen bleek ploïdie een prognostische factor te zijn. Evenals bij het mammacarcinoom leidde een nadere onderverdeling van de ploïdie-afwijkingen in dit onderzoek tot grotere prognostische verschillen. In het bijzonder patiënten met hypertetraploïde tumoren en multiploïde tumoren (meerdere aneuploïde groepen cellen met verschillend DNA-gehalte) blijken de meest ongunstige prognose te hebben.

Ook bij ovariumcarcinomen bleek een hoge S-fase-fractie samenhang te vertonen met een slechtere prognose. Op grond hiervan onderscheiden Kallioniemi et al. drie verschillende groepen tumoren: (1) tumoren met een laag risico (DNA-diploïd, S-fase-fractie 16,0) en (3) overige tumoren. Patiënten met tumoren uit de groep met hoog risico hebben bijna een 10 maal zo grote sterftekans als die met tumoren uit de groep met een laag risico. Uit ons eigen onderzoek bleek dat de diploïde tumoren merendeels graad 1-tumoren waren, en dat ze ook gepaard gingen met kleinere metastasen, afwezigheid van ascites en kleinere tumorrest.23

Bepalingen van het DNA-gehalte lijken dus een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan het bepalen van de prognose van patiënten met ovariumcarcinomen.

Blaas- en prostaatcarcinoom

Afwijkingen in het DNA-gehalte bij patiënten met blaascarcinomen zijn uitvoerig onderzocht. In een door Tribukait uitgevoerd prospectief onderzoek van 383 patiënten met tumoren van het overgangsepitheel blijkt dat de ploïdie-afwijkingen toenemen in een hoger TNM-stadium en naarmate de tumoren minder gedifferentieerd zijn.25 Graad 1-tumoren waren vrijwel allemaal diploïd en graad 3-tumoren bijna allemaal aneuploïd. Bovendien hield een hogere S-fase-fractie verband met een grotere invasieve groei en een lagere differentiatie. Min of meer overeenkomstige resultaten werden verkregen door Chin et al. bij 99 patiënten, hoewel zij geen samenhang vonden tussen histologische gradering en S-fase-fractie.26 Tribukait et al. vonden een sterke correlatie tussen ploïdie en overlevingsduur bij 228 patiënten, wanneer zij de ploïdie-afwijkingen onderverdeelden in verschillende klassen (diploïd, tetraploïd, aneuploïd en multiploïd). De 4-jaarsoverleving voor de verschillende klassen was respectievelijk 91, 83, 59 en 30. Een hoge S-fase-fractie bleek eveneens verband te hebben met een slechte prognose.

Door Tribukait et al. werden ook prospectief 500 patiënten met een prostaatcarcinoom onderzocht. De ploïdie-afwijkingen bleken toe te nemen met een hoger tumorstadium: 90 van de T1-tumoren was diploïd; diploïde T4-tumoren werden zelden gevonden.25 Ook in dit onderzoek werd een sterke correlatie gevonden tussen ploïdie en prognose met een 4-jaarsoverleving van 95 voor patiënten met diploïde tumoren, en 25 voor patiënten met multiploïde tumoren. Stephenson et al. onderzochten in een retrospectief onderzoek 82 patiënten met prostaatkanker met positieve lymfklieren (stadium D1).27 De mediane overlevingsduur voor patiënten met diploïde tumoren bleek statistisch significant hoger (8,8 jaar) dan die voor patiënten met aneuploïde tumoren (5,0 jaar). Multivariate analyse wees uit dat ploïdie een onafhankelijke prognostische factor was voor prostaatcarcinoom in stadium D1.

Zowel voor het blaas- als voor het prostaatcarcinoom blijken ploïdie-afwijkingen dus prognostische betekenis te hebben.

Diagnostische waarde van metingen van het dna-gehalte

In de beginperiode van de DNA-flow-cytometrie werden betrekkelijk hoge verwachtingen gekoesterd over de diagnostische toepassingsmogelijkheden. Om een aantal redenen blijkt de bijdrage van cytometrie aan de diagnostiek van kanker beperkt te zijn. Eén van die redenen is de ontoereikende sensitiviteit: ongeveer 20 tot 30 van de meeste soorten solide tumoren vertonen géén meetbare afwijkingen. Wel kunnen met geautomatiseerde DNA-beeldcytometrie kleine groepen cellen met een sterk verhoogd DNA-gehalte aangetoond worden in een deel van de tumoren die flow-cytometrisch diploïd zijn.28 De bepaling van dit soort sterk afwijkende cellen vormde de basis voor de ontwikkeling van beeldanalysesystemen voor de screening op baarmoederhalskanker.29 Voor blaaskanker is de waarde van DNA(en RNA)-flow-cytometrie voor het vaststellen van tumoren en van recidieven na behandeling vrij uitvoerig onderzocht.30-32 Op grond van uit onderzoekingen verkregen resultaten blijkt DNA-flow-cytometrie een waardevolle aanvulling te kunnen geven op het conventionele cytologische onderzoek.

Aneuploïdie is niet beperkt tot maligne tumoren. Ook in verschillende als premaligne beschouwde afwijkingen, zoals adenomen van de dikke darm, intra-epitheliale neoplasie van de cervix uteri en schildklieradenomen, kunnen aneuploïde groepen cellen gevonden worden.33 Deze bevinding kan verklaard worden door aan te nemen dat deze afwijkingen een aantal, maar niet alle, stappen in de transformatie tot een maligne tumor hebben doorlopen. Waarschijnlijk is hierbij de genetische instabiliteit toegenomen, hetgeen tot numerieke chromosomale afwijkingen geleid kan hebben.

Metingen van het DNA-gehalte kunnen ook nuttig zijn bij het bepalen van de herkomst van metastasen of van de gemeenschappelijke herkomst van multipele tumoren.34 Uit onze eigen onderzoeksresultaten bij patiënten met ovariumcarcinomen en coloncarcinomen blijkt dat het DNA-gehalte van metastasen in het merendeel van de gevallen met dat van de primaire tumor.1623

Conclusie

DNA-flow-cytometrie is een techniek die routinematig met vers, ingevroren of in paraffine ingebed tumorweefsel kan worden uitgevoerd.

De belangrijkste toepassingen liggen op het gebied van het bepalen van de prognose van maligne tumoren. DNA-flow-cytometrie lijkt een belangrijke aanvulling te kunnen geven op de tot nu gebruikte, visuele, merendeels subjectieve en histopathologische graderingssystemen. Verwacht mag worden dat binnen enkele jaren voor een aantal veel voorkomende typen tumoren hierover een consensus bereikt zal zijn.

Over de biologische achtergronden van het verband tussen aneuploïdie en prognose is nog weinig bekend. Wel tekent zich een tendens af dat tumoren waarbij aneuploïdie zich ontwikkeld heeft via een verdubbeling van het oorspronkelijke aantal chromosomen, zich agressiever gedragen dan tumoren met slechts geringe ploïdieveranderingen. Het is mogelijk dat hierdoor tumorcellen een grotere ‘speelruimte’ gekregen hebben voor onder andere het verliezen van tumor-suppressor-genen en duplicatie van genen die tumorprogressie bevorderen. Moleculair-genetisch onderzoek naar verschillen tussen diploïde en aneuploïde tumoren zal hierin meer inzicht kunnen verschaffen.

Literatuur
  1. Friedlander ML, Hedley DW, Taylor IW. Clinical andbiological significance of aneuploidy in human tumours. J Clin Pathol 1984;37: 961-74.

  2. Merkel DE, Dressler LG, McGuire WL. Flow cytometry,cellular DNA content and prognosis in human malignancy. J Clin Oncol 1987; 5:1690-1703.

  3. Coon JS, Landay AL, Weinstein RS. Advances in flowcytometry for diagnostic pathology. Lab Invest 1987; 57: 453-79.

  4. Sandberg AA, Turc-Carel C, Gemmill RM. Perspectives incancer research. Chromosomes in solid tumors and beyond. Cancer Res 1988; 48:1049-59.

  5. Devilee P, Cornelisse CJ. Leidt selectief DNA-verlies totborstkanker? Kanker 1988; 12: 104-5.

  6. McDivitt RW, Stone KR, Craig RB, Palmer JO, Meyer JS,Bauer WC. A proposed classification of breast cancer based on kineticinformation. Derived from a comparison of risk factors in 168 primaryoperable breast cancers. Cancer 1986; 57: 269-76.

  7. Hedley DW, Friedlander ML, Taylor IW, Rugg CA, MusgroveEA. Method for analysis of cellular DNA content of paraffin-embeddedpathological material using flow cytometry. J Histochem Cytochem 1983; 31:1333-5.

  8. Kallioniemi OP, Blanco G, Alavaikko M, et al. Tumour DNAploidy as an independent prognostic factor in breast cancer. Br J Cancer1987; 56: 637-42.

  9. Hedley DW, Rugg CA, Ng ABP, Taylor IW. Influence ofcellular DNA content on disease free survival of stage II breast cancerpatients. Cancer Res 1984; 44: 5395-8.

  10. Cornelisse CJ, Velde CJH van der, Caspers RJC, MoolenaarAJ, Hermans J. DNA ploidy and survival in breast cancer patients. Cytometry1987; 8: 225-34.

  11. Dowle CS, Owainati A, Robins A, et al. Prognosticsignificance of the DNA content of human breast cancer. Br J Surg 1987; 74:133-6.

  12. Bunn PA, Carney DN, Gazdar AF, Whang-Peng J, Matthews MJ.Diagnostic and biological implications of flow cytometric DNA contentanalysis in lung cancer. Cancer Res 1983; 43: 5026-32.

  13. Volm M, Drings P, Mattern J, Sonka J, Vogt-Moykopf I,Wayss K. Prognostic significance of DNA patterns and resistance-predictivetests in non-small cell lung carcinoma. Cancer 1985; 56: 1396-1403.

  14. Zimmerman PV, Hawson GAT, Bint MH, Parsons PG. Ploidy asa prognostic determinant in surgically treated lung cancer. Lancet 1987; ii:530-3.

  15. Velde GPM ten, Schutte B, Vermeulen A, Volovics A,Reynders MMJ, Blijham GH. Flow cytometric analysis of DNA ploidy level inparaffin-embedded tissue of non-small-cell lung cancer. Eur J Cancer ClinOncol 1988; 24: 455-60.

  16. Schutte B, Reynders MMJ, Wiggers T, et al. Retrospectiveanalysis of the prognostic significance of DNA content and proliferativeactivity in large bowel carcinoma. Cancer Res 1987; 47: 5494-6.

  17. Wiggers T, Arends JW, Schutte B, Volovics L, Bosman FT. Amultivariate analysis of pathologic prognostic indicators in large bowelcancer. Cancer 1988; 61: 386-95.

  18. Goh HS, Jass JR, Atkin WS, Cuzick J, Northover JMA. Valueof flow cytometric determination of ploidy as a guide to prognosis inoperable rectal cancer: a multivariate analysis. Int J Colorect Dis 1987; 2:17-21.

  19. Jones DJ, Moore M, Schofield PF. Refining the prognosticsignificance of DNA ploidy status in colorectal cancer: a prospective flowcytometric study. Int J Cancer 1988; 41: 206-10.

  20. Erhardt K, Auer G, Björkholm E, et al. Prognosticsignificance of nuclear DNA content in serous ovarian tumors. Cancer Res1984; 44: 2198-202.

  21. Volm M, Brüggemann A, Günther M, Kleine W,Pfleiderer A, Vogt-Schaden M. Prognostic relevance of ploidy, proliferationand resistance-predictive tests in ovarian carcinoma. Cancer Res 1985; 45:5180-5.

  22. Friedländer ML, Hedley DW, Taylor IW, Russell P,Coates AS, Tattersall MHN. Influence of cellular DNA content on survival inadvanced ovarian cancer. Cancer Res 1984; 44: 397-400.

  23. Rodenburg CJ, Cornelisse CJ, Heintz APM, Hermans J,Fleuren GJ. Tumor ploidy as a major prognostic factor in advanced ovariancancer. Cancer 1987; 59: 317-23.

  24. Kallioniemi OP, Punnonen R, Mattila J, Lehtinen M,Koivula T. Prognostic significance of DNA index, multiploidy, and S-phasefraction in ovarian cancer. Cancer 1988; 61: 334-9.

  25. Tribukait B. Flow cytometry in assessing the clinicalaggressiveness of genito-urinary neoplasms. World J Urol 1987; 5:108-22.

  26. Chin JL, Huben RP, Nava E, et al. Flow cytometricanalysis of DNA content in human bladder tumors and irrigation fluids. Cancer1985; 56: 1677-81.

  27. Stephenson RA, James BC, Gay H, Fair WR, Whitmore WF,Melamed MR. Flow cytometry of prostate cancer: relationship of DNA content tosurvival. Cancer Res 1987; 47: 2504-9.

  28. Cornelisse CJ, Driel Kulker AM van. DNA image cytometryon machine selected breast cancer cells and a comparison between flowcytometry and scanning cytometry. Cytometry 1985; 6: 471-7.

  29. Ploem JS, Driel-Kulker AMJ van, Goyarts-Veldstra L,PloemZaaijer JJ, Verwoerd NP, Zwan M van der. Image analysis combined withquantitative cytometry: results and instrumental developments for cancerdiagnosis. Histochemistry 1986; 84: 549-55.

  30. Klein FA, Herr HW, Sogani PC, Whitmore WF, Melamed MR.Detection and follow-up of carcinoma of the urinary bladder by flowcytometry. Cancer 1982; 50: 389-95.

  31. Badalament RA, Hermansen DK, Kimmel M, et al. Thesensitivity of bladder wash flow cytometry, bladder wash cytology, and voidedcytology in the detection of bladder carcinoma. Cancer 1987; 60:1423-7.

  32. Coon JS, Schwartz D, Summers JL, Miller AW, Weinstein RS.Flow cytometric analysis of deparaffinized nuclei in urinary bladdercarcinoma. Comparison with cytogenetic analysis. Cancer 1986; 57:1594-1601.

  33. Ingh HF van den, Griffioen G, Cornelisse CJ. Flowcytometric detection of aneuploidy in colorectal adenomas. Cancer Res 1985;45: 3392-7.

  34. Smit VTHBM, Cornelisse CJ, Jong D de, Dijkshoorn NJ,Peters AAW, Fleuren GJ. Analysis of tumor heterogeneity in a patient withsynchronously occurring female genital tract malignancies by DNA flowcytometry, DNA fingerprinting, and immunohistochemistry. Cancer 1988; 62:1146-52.

Auteursinformatie

Dr.Daniel den Hoed Kliniek, afd. Interne Oncologie, Groene Hilledijk 301, 3075 EA Rotterdam.

Dr.C.J.Rodenburg, internist.

Rijksuniversiteit, Laboratorium voor Pathologie, Leiden.

Afd. Analytische Cytologie: dr.C.J.Cornelisse, celbioloog.

Afd. Pathologische Anatomie: prof.dr.G.J.Fleuren, patholoog-anatoom.

Contact dr.C.J.Rodenburg

Gerelateerde artikelen

Reacties