Bij Bernard Brouwers 125e geboortejaar; zijn betekenis voor de Nederlandse neurologie en neurochirurgie
Open

Geschiedenis
23-12-2006
P.J. Koehler

Bernard Brouwer (1881-1949) werd in 1923, na een opleiding bij Winkler en een onderzoeksperiode op het Centraal Instituut voor Hersenonderzoek in Amsterdam, de eerste Nederlandse hoogleraar in de neurologie aan de Universiteit van Amsterdam, los van de psychiatrie. Zijn belangrijkste wetenschappelijk werk betrof de vergelijkende anatomie van het cerebellum en de projectie van retinavezels op het corpus geniculatum en de occipitale cortex. Brouwer kreeg internationale faam en tijdens een van zijn Amerikaanse lezingencycli werd hem in 1926 gevraagd de nieuwe leerstoel voor experimentele neurologie aan de Johns Hopkins University te bekleden. Dat verzoek wees hij af, maar in plaats daarvan richtte hij een nieuwe universiteitskliniek voor neurologie in Amsterdam op, waarin ook neurochirurgie een plaats had. Wel stuurde hij een van de chirurgen (Oljenick) naar Amerika om door Cushing te worden opgeleid. De Amsterdamse kliniek voor neurologie werd een centrum voor internationale uitwisseling van studenten in de neurowetenschappen. De beslissingen die hij als rector magnificus tijdens de Tweede Wereldoorlog onder moeilijke omstandigheden nam werden hem in 1945 niet in dank afgenomen. In de laatste jaren van zijn leven was Brouwer directeur van het Centraal Instituut voor Hersenonderzoek.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2819-24

Het is dit jaar 125 jaar geleden dat Bernard Brouwer (1881-1949) werd geboren, de man die de eerste Nederlandse hoogleraar in de neurologie zou worden. In dit artikel breng ik deze bijzondere man, die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse neurologie en wellicht nog méér in de neurochirurgie, voor het voetlicht.

De Nederlandse neurologie was rond 1900 nog sterk verbonden aan de psychiatrie. C.Winkler (1855-1941), de eerste Nederlandse hoogleraar Psychiatrie en Neurologie, in 1893 aangesteld in Utrecht, had er jarenlang naar gestreefd de neurologie en de psychiatrie ‘in één hand’ te onderwijzen. Dit hing er onder meer mee samen dat deze zich bij de voorbereidingen op zijn lectoraat in de jaren tachtig vooral had georiënteerd in het zuiden van Duitsland en in Oostenrijk. Daardoor kreeg de hersenpsychiatrie van T.Meynert (1833-1892) en C.Wernicke (1848-1905), die hij zeer bewonderde, in Nederland een belangrijke invloed.1 Onder Winklers voorzitterschap veranderde de naam van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, die was opgericht in 1871, in 1897 in Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie. Daarmee wilde men de zenuwartsen die zich meer op het neurologisch wetenschappelijk onderzoek richtten meer erkenning geven. Nadat Winkler in 1896 zijn leerstoel in Utrecht verruild had voor die in Amsterdam, hielp hij J.K.A.Wertheim Salomonson (1864-1922), die daar reeds werkzaam was en zich voornamelijk met het perifeer zenuwstelsel bezighield, aan een buitengewone leerstoel Neurologie en Elektrotherapie. Een jaar later kwam daar nog de radiologie bij.

In het tweede decennium van de 20e eeuw nam de kennis van de psychiatrie en de neurologie zodanig toe dat het tijd werd voor verdere differentiatie.

brouwers opleiding en eerste onderzoeksgebieden

Brouwer werd te Amsterdam geboren als zoon van een makelaar (figuur 1). Na in dezelfde stad geneeskunde te hebben gestudeerd, promoveerde hij in 1909 bij Winkler op het proefschrift Over doofstomheid en de acustische banen. In hetzelfde jaar huwde hij de kinderarts Hélène Marie Frommann, geboren te Leiden in 1883. Hun huwelijk bleef kinderloos. Na enkele jaren waarin Brouwer verschillende betrekkingen had, waaronder een assistentschap bij Winklers collega en vriend C.von Monakow (1853-1930) in Zürich,2 3 werd hij in 1913 vicedirecteur van het Centraal Instituut voor Hersenonderzoek in Amsterdam, dat sinds de opening in 1909 werd geleid door C.U.Ariëns Kappers (1877-1946). Brouwer richtte zich onder meer op de vergelijkende anatomie van het cerebellum en de projectie van retinavezels op het corpus geniculatum en de occipitale schors. Voor het laatste onderzoek verrichtte hij, samen met de oogarts W.P.C.Zeeman (1879-1960), experimenteel onderzoek door middel van retinale kwadrantlaesies en corticale ablaties.4 Ook hield hij zich in deze periode bezig met de topografische relatie van de kerngebieden van de N. oculomotorius en de sensibele banen in het ruggenmerg.

Toen Winkler in 1916 terugkeerde naar Utrecht, als hoogleraar Psychiatrie en Neurologie, werd K.H.Bouman (1874-1947) zijn opvolger in Amsterdam. Brouwer had toen nog weinig kans op die plaats omdat men vond dat hij te veel basaal en te weinig klinisch werk deed. Echter, toen Wertheim Salomonson in 1922 overleed, werd Brouwer een jaar later gevraagd de eerste Nederlandse leerstoel Neurologie te bekleden – onafhankelijk van de psychiatrie, die verder beoefend zou worden door Bouman. Brouwer hield zijn inaugurele rede, ‘Het autonome zenuwstelsel en het gevoel’, in mei 1923. In figuur 2 staat een van zijn eerste collegedictaten.

De jaren die volgden, vormden een belangrijke periode voor de Nederlandse neurologie en neurochirurgie. In de periode 1922-1930 verzorgde Brouwer samen met L.Bouman (1869-1930), hoogleraar Psychiatrie aan de Vrije Universiteit en vanaf 1925 opvolger van Winkler in Utrecht, het Leerboek der zenuwziekten, in 4 delen.5

neurochirurgie

In 1926 hield Brouwer in het kader van de Herter-lectures zijn eerste lezingencyclus in de Verenigde Staten, op uitnodiging van de Johns Hopkins University in Baltimore.6 Hij bezocht diverse steden in oost en west, waaronder Washington, Philadelphia, New York, Chicago, San Francisco, St. Louis en Rochester. Brouwers lezingen werden goed ontvangen. Zo werd hij door Graves van de St. Louis Medical Society zeer hoffelijk geïntroduceerd: ‘jong in jaren, maar oud in prestaties. Waar dan ook neurologische literatuur wordt gelezen, zijn naam zal men dikwijls tegenkomen’.7 8 Hem werd zelfs een leerstoel in de experimentele neurologie aan de Johns Hopkins University aangeboden. Muntendam rapporteerde hierover in het Tijdschrift: ‘Brouwer ... heeft de zeer vereerende en verlokkende uitnoodiging ontvangen, aldaar een neurologische kliniek geheel volgens zijn eigen denkbeelden te komen inrichten en daar een leerstoel te aanvaarden voor de studie der zenuwziekten’.9 Enkele weken laten deed Muntendam de ‘voor ons heele vaderland heuglijke mededeling ... dat prof.B.Brouwer bedankt heeft voor de aanbieding’.10

De Amerikanen maakten indruk op Brouwer met hun vorderingen op het gebied van de neurochirurgie. Terug in Nederland stuurde hij in 1927 de als chirurg opgeleide I.Oljenick (1888-1981) naar Harvey Cushing (1869-1939), de Amerikaanse pionier in de neurochirurgie.11

Brouwer kon de ervaringen van zijn reis en het aanbod uit Baltimore wel gebruiken om op de universiteit en de gemeenteraad van Amsterdam pressie uit te oefenen voor de inrichting van een neurologische kliniek met daarin een neurochirurgische afdeling. Daartoe zette hij brieven in van erkende Amerikaanse en Europese coryfeeën uit de neurologie en de neurochirurgie zoals Cushing, Jelliffe, Nonne, Pette en Van Bogaert.12 In 1929 werd een neurologische kliniek in het Wilhelmina Gasthuis geopend, de eerste, moderne neurochirurgische kliniek in Nederland. De neurochirurgische afdeling bleef gedurende de eerste jaren onder leiding van Brouwer. Hij was een van de oprichters van de Neurochirurgische Studieclub (1936), waarvan hij tot aan zijn dood in 1949 voorzitter bleef.11 Daarbij keurde hij de tendens af dat sommige neurologen zelf het mes hanteerden, zoals de Rus L.Puusepp (1875-1942), de Duitser O.Foerster (1873-1941) en de Nederlander L.J.J.Muskens (1872-1937). Brouwer opereerde zelf niet: hij was van mening dat de neuroloog de afwijking diende te lokaliseren en dat de neurochirurg deze vervolgens moest verwijderen.

amerikaanse contacten

De Amsterdamse neurologische kliniek kwam tot grote bloei en kreeg internationale erkenning. Vele buitenlandse artsen waren er te gast. Dit hing onder meer samen met de tweede lezingencyclus die Brouwer in 1933 in de Verenigde Staten verzorgde op uitnodiging van de Association for Research in Nervous and Mental Diseases in New York.13 Tijdens deze reis verbleef hij verder in Boston, Montreal (Canada) en enige tijd in New Haven aan de Yale University. Aan deze universiteit ontmoette hij de Nederlandse fysioloog J.G.Dusser de Barenne (1885-1940), die daar al sinds 1930 werkzaam was, evenals de neurofysioloog J.Fulton (1899-1960), die hij tijdens het eerste internationale neurologische congres (Bern, 1931) voor het eerst gesproken had. Deze leerling van Cushing en C.Sherrington (1857-1952) was reeds op jonge leeftijd hoogleraar geworden en richtte het eerste neurofysiologische primatencentrum in de Verenigde Staten op. Met hem onderhield Brouwer jarenlang correspondentie over de resultaten van hun wetenschappelijk onderzoek en zij begeleidden elkaars assistenten. Fulton toonde veel respect voor Brouwer. Zo schreef hij in 1933 naar aanleiding van Brouwers bezoek in zijn dagboek: ‘Brouwer bracht de gehele morgen in het laboratorium door, kijkend naar onze dieren en tot in detail discussiërend over het werk dat wij proberen uit te voeren. Ik vond dat bijzonder stimulerend.’ Naar aanleiding van een van zijn lezingen over ‘de corticale projectiesystemen aan de sensorische zijde van de subcorticale reflexbogen’ noteerde hij: ‘Hij had een bijzonder verhelderende serie observaties opgetekend’. In de correspondentie over het bezoek aan New Haven lezen wij: ‘Uw aanwezigheid hier was een immense stimulus voor de gehele groep die aan het neurologisch onderzoek werkt’. Verschillende Nederlanders waren te gast in het instituut van Fulton en omgekeerd bemiddelde Fulton in het verblijf van Amerikaanse wetenschappers in Amsterdam.14

Een van Fultons assistenten die gedurende een aantal maanden bij Brouwer in Amsterdam werkte, was M.Kennard (1899-1976), die later pionier zou worden in het onderzoek naar sparen en herstel van hersenfuncties na letsels.15 Zij had een beurs van de Rockefeller Foundation ontvangen voor een 2 jaar durend verblijf in Europa, onder anderen bij Brouwer in Amsterdam. Van september 1934 tot en met januari 1935 was zij in Amsterdam en deed daarvan verslag in haar correspondentie met haar leermeester Fulton. Uit deze correspondentie komen zowel indrukken over de persoon Brouwer als over de Amsterdamse kliniek naar voren.16 ‘Herr Professor ... ik vind hem aardig, hij is erg vriendelijk + toch erg vastberaden ... Hij heeft twee problemen klaar liggen voor mij! ... Een, – het analyseren van de laesies in een degeneratief proces van het cerebellum. Je zou de perfecte en prachtige coupes moeten zien; + twee, het traceren van de degeneratie in een sectie van de achterwortels naar de kernen, het cerebellum, etc, bij konijnen’. De belangstelling voor de Amsterdamse neurologische kliniek blijkt uit haar volgende opmerking: ‘De wereld is naar Amsterdam gekomen gedurende de laatste twee weken ... Foerster was hier’ en op een gegeven moment waren ‘met tien mensen om een bed acht verschillende landen vertegenwoordigd’. Zij was onder de indruk van het wetenschappelijke werk. ‘Ik ben ... diep onder de indruk van het mooie en zorgvuldige neuropathologische werk’ tegenover het ‘slordige werk dat wij hebben verricht’ (aantekening van 26 september 1934) en stelde dat zij nog ‘nooit een organisatie gezien had waar de kliniek en het onderzoek zo goed van elkaar profiteren als hier ... Het is heel wat om een patiënt dertig jaar te volgen en vervolgens een jaar bezig te zijn aan de pathologie zoals men hier doet’ (aantekening van 14 oktober 1934). Tot de Nederlanders die Fulton bezochten, behoort W.J.C.Verhaart (1904-1983), die als Rockefeller-fellow in 1938/’39 het instituut bezocht teneinde zich voor te bereiden op de inrichting van een neurologisch primatenlaboratorium in Batavia, waar hij sinds 1930 werkzaam was.17 Een andere bekende Nederlander die er verbleef, was J.Droogleever Fortuyn (1906-1999), de latere hoogleraar Neurologie in Groningen.

erkenning

Brouwers wetenschappelijke activiteiten resulteerden in een lijst van rond de 240 publicaties, zoals verzameld door zijn opvolger A.Biemond (1902-1973).18 Weinig bekend is dat Brouwer de eerste casusbeschrijving publiceerde van een paraneoplastisch syndroom van het cerebellum. In 1919 publiceerde hij over cerebellaire degeneratie in samenhang met een maligniteit in het bekken en veronderstelde een toxische oorzaak.19 Bijna dertig jaar later volgde een publicatie waarin hij de relatie legde met het ovariumcarcinoom.20 De aandoening is thans bekend onder de naam ‘subacute cerebellaire degeneratie’.

Voor zijn werk ontving Brouwer diverse bewijzen van erkenning, zoals de Ramaer-medaille van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie in 1920, het lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen in 1926, het erelidmaatschap van de Royal Society of Medicine te Londen in 1936 en vele andere buitenlandse erelidmaatschappen. Ook was hij lid van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

oorlogsjaren

De laatste jaren van Brouwers leven waren moeilijk. Nadat hij kort voor de oorlog tot rector magnificus gekozen was, bleef hij een tweede termijn aan, door omstandigheden en mogelijk ook omdat hij zich verantwoordelijk voelde en verplicht tegenover de universiteit. De beslissingen die hij onder deze moeilijke omstandigheden nam, werden hem niet in dank afgenomen. Zoals zijn collega C.T.van Valkenburg (1872-1962), die in 1945 voorzitter was van het college van herstel, later schreef, ‘beschouwde hij de Universiteit als het nec plus ultra der cultuur in de menselijke samenleving’.21 Na de bevrijding werd hem verweten dat hij een tweede termijn als rector had geaccepteerd, alsmede dat hij niet sterker stelling had genomen tegenover de bezetter. Achteraf kunnen wij hierover zeggen dat er in de zwart-wittegenstelling tussen ‘goed’ en ‘fout’ geen plaats was voor ‘grijs’. Hoewel zijn vaderlandsliefde niet werd betwijfeld, gaf de minister hem ongevraagd eervol ontslag, een zwaardere straf dan door het college was voorgesteld.22 Uiteindelijk leidde de algemene waardering voor zijn wetenschappelijke werk en het geloof van zijn collega’s in zijn integriteit tot zijn benoeming als directeur van het Centraal Instituut voor Hersenonderzoek.

brouwer als persoon

Hoe was Brouwer als persoon? Kennard schreef over hem: ‘Hij gaat zitten en bekijkt mijn werk, preparaten en aantekeningen, gedurende uren. Hij heeft een extreem vermogen voor observatie en detail ... Soms denk ik dat hij te langzaam werkt, maar als ik zie wat hij gedaan heeft, dan realiseer ik mij dat hij projecten heeft uitgezet voor zeker twee of drie jaar. Ik respecteer dat zeer.’ (aantekening van 16 januari 1935).16 Door zijn collega’s werd hij gekarakteriseerd als een harde werker, ‘zijn stem was zacht, de taal was verzorgd doch sober ... de gedachtegang was voor ieder te volgen. ... Zijn gebaren waren nooit driftig. Met goedmoedige humor stelde hij de patiënten op hun gemak ... Men noemde hem gaarne “le grand B.B.” en doelde daarbij op een kenmerk dat hem algemeen werd toegekend: zijn kinderlijkheid “bébé” is Frans voor “baby”. Hij kon kinderlijk verlegen zijn en ook kinderlijk geestdriftig over eenvoudige dingen. ... Maar zijn eenvoud was niet kinderlijk’.23

Volgens Van Valkenburg was Brouwer ‘geen gecompliceerde natuur: voor hem was, evenals voor Winkler, de neurologie een probleem voor het leven. Hij miste de differentiëring van zijn grote voorganger; hij miste daarenboven diens zachte zelfironie. Alles wat hij onder handen nam, of als taak op zijn weg vond, nam hij met de grootste ernst op. Niet dat hij zwaar op de hand was, of geen zin had voor humor. Maar zowel tegenover zichzelf als tegenover iedere functie, die hij te bekleden kreeg, voelde hij een ongenuanceerde verplichting’.21

besluit

Op zijn eigen wijze heeft Brouwer een belangrijke stempel gedrukt op de Nederlandse neurologie en neurochirurgie. De resultaten van zijn werk aan het herseninstituut en vervolgens in de Amsterdamse neurologische kliniek hebben hem wereldfaam gebracht. Terwijl zijn voorganger Winkler zich vooral richtte op de Duitstalige hersenpsychiatrie waarin de neurologie samen met de psychiatrie onderzocht en onderwezen werd, wijzigde de situatie zich in de eerste decennia van de 20e eeuw. Ook Winkler realiseerde zich toen dat het gezamenlijke studieobject van de psychiatrie en de neurologie te uitgebreid werd om in handen van één persoon te blijven.1

Als hoogleraar Neurologie zag Brouwer het belang van de ontwikkelingen in de Verenigde Staten en zijn studiereizen resulteerden in belangrijke internationale contacten, de uitwisseling van assistenten, alsmede de opzet van een neurochirurgische kliniek in Amsterdam.

In de laatste jaren van zijn leven hield Brouwer lezingen in diverse landen. Een van zijn laatste activiteiten was het uitspreken van de openingsrede van het Internationale Neurologie Congres te Parijs (1949), enkele weken voor zijn overlijden.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur

  1. Koehler PJ. Cornelis Winkler. In: Frederiks JAM, Bruyn GW, Eling P, redacteuren. History of neurology in the Netherlands. Amsterdam: Boom; 2002. p. 393-401.

  2. Koehler PJ, Jagella C. De correspondentie tussen Winkler en Von Monakow. 1. Persoonlijke aangelegenheden en visies. Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:2469-73.

  3. Koehler PJ, Jagella C. De correspondentie tussen Winkler en Von Monakow. 2. Ontwikkelingen in de psychiatrie en neurologie (1900-1930). Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:2474-8.

  4. Brouwer B, Zeeman WPC. The projection of the retina in the primary optic neuron in monkeys. Brain. 1926;49:1-35.

  5. Bouman L, Brouwer B, redacteuren. Leerboek der zenuwziekten. 4 delen. Haarlem: Bohn; 1922-1930.

  6. Brouwer B. Geneeskundige en niet-geneeskundige ervaringen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Ned Tijdschr Geneeskd. 1926;70:2510-7.

  7. Graves WW. Presentation of Professor Brouwer. Weekly Bulletin of the St. Louis Medical Society. 1926;21:4.

  8. Koehler PJ, Bruyn GW. Bernard Brouwer’s lecture tours in the United States (1926 and 1933). Arch Neurol. 2003;60:1475-81.

  9. Muntendam P. Aanbod uit Amerika aan prof. Brouwer. Ned Tijdschr Geneeskd. 1926;70:1155.

  10. Muntendam P. Professor Brouwer. Ned Tijdschr Geneeskd. 1926;70:1468.

  11. Alphen HAM van. Neurochirurgie in Nederland honderd jaar. Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:201-8.

  12. Bruyn GW, Koehler PJ. Bernardus Brouwer. In: Frederiks JAM, Bruyn GW, Eling P, redacteuren. History of neurology in the Netherlands. Amsterdam: Boom; 2002. p. 299-308.

  13. Brouwer B. Geneeskundige en niet-geneeskundige ervaringen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en in Montreal (Canada). Ned Tijdschr Geneeskd. 1933;77:1814-25.

  14. Koehler PJ. The correspondence between Bernard Brouwer and John Fulton (1930-1940). J Hist Neurosci. 2003;12:56-69.

  15. Finger S. Margaret Kennard on sparing and recovery of function: a tribute on the 100th anniversary of her birth. J Hist Neurosci. 1999;8:269-85.

  16. John F. Fulton papers. Box 96-7. Folder 1345-6. Manuscripts and Archives Division, Yale Library: New Haven.

  17. Koehler PJ. ‘The orang lives almost next door’ the correspondence between John Fulton (New Haven) and Willem Verhaart (Java). J Hist Neurosci. 2006;15:5-16.

  18. Biemond A. Bibliography of writings. Professor B. Brouwer. Brouwer memorial volume. Folia Psychiatr Neurol Neurochir Neerl. 1950;53:41-53.

  19. Brouwer B. Beitrag zur Kenntnis der chronischen diffusen Kleinhirnerkrankungen. Neurologische Centralblatt. 1919;21:674-86.

  20. Brouwer B. Carcinoma ovarii and cerebellar degeneration. Proceedings of the Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. 1947;50:nr 10.

  21. Valkenburg CT van. In memoriam B. Brouwer. Ned Tijdschr Geneeskd. 1949;93:3866-8.

  22. Knegtmans PJ. Een centrum van de geest; geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam 1935-50. Amsterdam: Amsterdam University Press; 1998. p. 242-62.

  23. Droogleever Fortuyn J. In memoriam B. Brouwer. Ned Tijdschr Geneeskd. 1949;93:3868-70.