Samenvatting
- De meeste patiënten die na een reanimatie in coma zijn, hebben een sombere prognose. Voor de familie en het behandelend team is het belangrijk om voor iedere patiënt in een vroeg stadium een slechte uitkomst betrouwbaar te kunnen voorspellen (overlijden of vegetatieve toestand na 1 maand; overlijden, vegetatieve toestand of ernstige handicap na minimaal 6 maanden).
- Bij ongeveer 80 van de patiënten met een slechte uitkomst van het postanoxisch coma kan deze uitkomst in de eerste 3 dagen na de reanimatie met 100 betrouwbaarheid voorspeld worden met behulp van de pupilreacties, corneareflexen en motorische reacties bij het neurologisch onderzoek, de corticale respons van somatosensibele geëvoceerde potentialen en het eeg.
- Over de prognostische waarde van de status epilepticus en de serumspiegel van het neuronspecifiek enolase bestaat nog onzekerheid.
- Een goede neurologische uitkomst kan momenteel niet betrouwbaar worden voorspeld, in tegenstelling tot een slechte.
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:308-13
artikel
Zie ook de artikelen op bl. 297, 314 en 331.
Als na een reanimatie wél de circulatie van de patiënt hersteld is, maar niet het bewustzijn, rijst bij de familieleden en de behandelaars al snel de vraag wat de kans is op neurologisch herstel. Dit is een veelvoorkomend probleem. Per jaar worden in Nederland ongeveer 15.000 personen buiten en 8700 binnen het ziekenhuis gereanimeerd.1 2 Herstel van de circulatie wordt bereikt bij respectievelijk 29 en 44. Ongeveer 70 van deze patiënten is in de eerste uren na het herstel van de circulatie in coma en wordt opgenomen op een intensivecareafdeling (figuur a).3
De vraag naar de prognose van een patiënt die na een reanimatie comateus blijft, doet zich dus bijna 6000 keer per jaar voor. In het algemeen is deze prognose slecht (zie figuur b). Van de patiënten die 5-10 min na het herstel van de circulatie nog bewusteloos zijn, is 2-3 dagen later ongeveer een derde bijgekomen, een derde overleden en een derde nog comateus.5-7 Bij langer durend coma neemt de kans op ontwaken af, tot ongeveer 20 na een comaduur van 24 h en ongeveer 15 na een duur van twee weken.4 Met deze cijfers is de vraag van de familie en de behandelaars echter alleen nog maar in grote lijnen beantwoord. Gegeven de sombere prognose voor het merendeel van de patiënten willen zij weten hoe de uitkomst zal zijn voor deze ene patiënt, bijvoorbeeld om te kunnen beslissen over het staken of voortzetten van de behandeling.
In de afgelopen jaren is vooruitgang geboekt in de mogelijkheid van een dergelijke geïndividualiseerde prognose bij patiënten die na een reanimatie comateus blijven. In dit artikel geven wij een overzicht van deze ontwikkelingen.
uitkomsten na reanimatie
Patiënten die gereanimeerd worden, hebben meestal een primaire cardiale aandoening; soms treedt de circulatiestilstand op als complicatie van een niet-cardiale ziekte. Na herstel van de circulatie wordt de prognose van de patiënt vooral bepaald door de eventuele neurologische schade (tabel 1). In de inleiding werden alleen overlijden en ontwaken als uitkomsten genoemd, maar natuurlijk zijn ook de mate en de aard van eventuele blijvende invaliditeit van belang. De vaak gerapporteerde uitkomst ‘levend ontslagen uit het ziekenhuis’ is dan ook onvoldoende.
Een minimale follow-up van 1 maand biedt meer informatie. Dan kan de combinatie van overlijden en overleven in een vegetatieve toestand als een slechte uitkomst beschouwd worden. De kans dat een patiënt die na 1 maand in een vegetatieve toestand verkeert nog bij bewustzijn komt zonder ernstige restschade is nihil, terwijl een deel van de patiënten die dan nog ernstig geïnvalideerd zijn in de loop van maanden verder herstelt.9
Een follow-up van minimaal 6 maanden verdient de voorkeur. Patiënten die dan nog ernstig geïnvalideerd zijn, herstellen niet verder, zodat de combinatie overlijden of overleven in een vegetatieve toestand of met ernstige invaliditeit na 6 maanden als een slechte uitkomst beschouwd kan worden.
voorspellen van de uitkomst
In de praktijk van alledag zou men graag zowel een goede als een slechte uitkomst willen voorspellen. Het betrouwbaar voorspellen van een goede uitkomst is echter tot nu toe niet mogelijk gebleken. Een slechte uitkomst kan tegenwoordig bij 80 van de patiënten die uiteindelijk een slechte uitkomst hebben in de eerste 3 dagen betrouwbaar voorspeld worden.9 Omdat het voorspellen van een slechte uitkomst als mogelijke consequentie heeft dat verdere behandeling beperkt of gestaakt wordt, zou men over een test willen beschikken met een specificiteit of een positief voorspellende waarde van 100, dat wil zeggen dat bij een positief uitvallende test nooit een goede uitkomst wordt gezien (een fout-positiefratio van 0). Hierbij moet men wel beducht zijn voor de valkuil van de ‘self-fulfilling prophecy’: de tendens om behandelingsbeperkingen selectief toe te passen bij patiënten met kenmerken waarvan men, op wat voor gronden dan ook, aanneemt dat ze een slechte uitkomst voorspellen, leidt vanzelf tot de observatie dat de betreffende kenmerken inderdaad goede voorspellers zijn van een slechte uitkomst. In het ideale geval moeten in het onderzoek de behandelaars dan ook geblindeerd zijn voor de vermeende prognostische variabele, moeten patiënten gedurende een bepaalde periode maximaal worden behandeld en moeten eventuele behandelingsbeperkingen gedocumenteerd worden. Hoewel veel onderzoek niet voldoet aan alle methodologische eisen kunnen wij toch concluderen dat er tests zijn die aan de strenge voorwaarde van een zeer hoge specificiteit voldoen.
factoren die de prognose bepalen
Coma na een reanimatie werd voor het eerst beschreven in 1967 na een van de vroegste succesvolle reanimaties door omstanders.10 Deze ‘nieuwe’ ziekte leidde al snel tot onderzoek naar variabelen voor het vaststellen van de prognose. De afgelopen 40 jaar verschenen publicaties over de voorspellende waarde van het neurologisch onderzoek (glasgow-comasore, motorische reacties, pupilreacties, corneareflexen, oogbewegingen, en de aanwezigheid van myoklonieën of epileptische insulten), klinisch neurofysiologisch onderzoek (elektro-encefalografie, geëvoceerde potentialen), biochemische variabelen (onder andere neuronspecifiek enolase en het S100-eiwit in het serum; creatinekinase-iso-enzym BB in de liquor cerebrospinalis) en beeldvormende technieken (CT, MRI, PET). De klinische variabelen waren tot voor kort het best onderzocht en de daaruit voortvloeiende algoritmen van Levy et al., waarin de prognose werd geschat op basis van de bevindingen bij herhaald neurologisch onderzoek, werden in de praktijk het meest gebruikt.11 De afgelopen 10 jaar zijn verschillende gestructureerde reviews gepubliceerd.12-16 De hierna beschreven gegevens zijn ontleend aan deze reviews, en aan de gegevens uit het Nederlandse ‘Prognose van postanoxisch coma’(PROPAC)-onderzoek.9
tests waarmee een slechte afloop betrouwbaar voorspeld kan worden
De tests waarmee binnen de eerste 3 dagen na het ontstaan van het coma met een zeer hoge specificiteit een slechte uitkomst voorspeld kan worden, zijn vermeld in tabel 2. Bij ongeveer 80 van de patiënten met een slechte uitkomst kan deze uitkomst in de eerste 3 dagen na de reanimatie met 100 betrouwbaarheid voorspeld worden op grond van het neurologisch onderzoek (status myoclonus, pupilreacties, corneareflexen en motorische reacties), de corticale respons van somatosensibele geëvoceerde potentialen en het eeg.
Myoklonieën
Myoklonieën zijn onwillekeurig optredende, kortdurende schokachtige bewegingen. Ze komen onder andere voor bij sommige vormen van epilepsie, maar worden in het ziekenhuis vooral gezien bij patiënten met metabole encefalopathieën. Myoklonieën ontstaan daarbij verspreid over het lichaam, nu eens hier, dan weer daar, zonder dat ze tot sterke bewegingen van de romp of de ledematen leiden.
Bij patiënten met een postanoxische encefalopathie treden de myoklonieën soms massaal op in de axiale musculatuur en in het gelaat, zonder het symmetrische en ritmische patroon als bij een gegeneraliseerd klonisch epileptisch insult. Deze massale myoklonieën leiden tot krachtige bewegingen van romp en ledematen, waarbij de patiënt in bed ligt te schudden. Ze worden vaak versterkt door aanraking, geluidsprikkels of uitzuigen van de ademwegen. Alleen bij dit type massale myoklonieën spreekt men van een status myoclonicus (ook wel: myoclonus status epilepticus), een beeld dat niet altijd gepaard gaat met epileptische activiteit op het eeg. Sporadisch optredende myoklonieën hebben geen prognostische waarde, maar een status myoclonicus gaat altijd gepaard met een slechte uitkomst. In het PROPAC-onderzoek kwamen sporadische myoklonieën in de eerste 24 h na de reanimatie voor bij 28 van de patiënten; een status myoclonicus slechts bij 4.9
De lichtreacties van de pupillen worden zelden beïnvloed door systemisch toegediende farmaca. Wijde, lichtstijve pupillen kunnen veroorzaakt worden door hoge doses intraveneus atropine of dopamine. Bij een sterke miose door morfinomimetica kunnen de lichtreacties moeilijk te beoordelen zijn; voor beoordeling moet een zeer sterke lamp met eventueel een loep worden gebruikt.
Corneareflexen kunnen natuurlijk niet beoordeeld worden als de patiënt middelen krijgt die de neuromusculaire overgang blokkeren. Motorische reacties, in het bijzonder het motorische onderdeel van de glasgow-comaschaal, kunnen alleen beoordeeld worden als de patiënt niet farmacologisch verslapt of gesedeerd is.
De reacties op pijnprikkels treden bij comateuze patiënten vaak pas met een latentie van vele seconden op; de pijnprikkel moet dan ook minstens 10 s aangehouden worden.
Somatosensibele geëvoceerde potentialen
Somatosensibele geëvoceerde potentialen (SSEP) zijn potentialen die opgewekt worden door repetitieve stimulatie van een perifere zenuw. Bij een postanoxisch coma wordt hiervoor de N. medianus in de pols gebruikt. Responsen worden afgeleid en geregistreerd van de plexus brachialis, het cervicale ruggenmerg en de contralaterale sensibele cortex. Er worden vroege en late corticale responsen onderscheiden; bij een postanoxisch coma gaat het om de vroege respons, de zogenaamde N20; dit is een corticale respons met een negatieve amplitude na 20 ms. Gebleken is dat de dubbelzijdige afwezigheid van de N20-respons bij behouden cervicale responsen een zeer specifieke voorspeller is van een slechte uitkomst van het coma. Als de patiënt is gesedeerd met benzodiazepinen, morfine of propofol kan dat leiden tot verlenging van de latentietijd van de respons, maar het doet de respons niet verdwijnen. Bij een lichaamstemperatuur van minder dan 34°C kan de respons wel verdwijnen (bij de meeste patiënten overigens pas bij een veel lagere temperatuur); deze keert na opwarming weer terug.
Eeg
Van de patiënten in het PROPAC-onderzoek die na 72 h pupil- en corneareflexen hadden, een motorische reactie beter dan strekken en een aanwezige SSEP, had 10 een iso-elektrisch eeg of een ‘burst’-suppressiepatroon.9
tests waarvan de prognostische waarde nog onduidelijk is
Van een aantal variabelen is de prognostische waarde nog onzeker. Dit geldt met name voor het optreden van een status epilepticus en voor de bepaling van het neuronspecifiek enolase in het serum. Behalve de eerdergenoemde status myoclonicus komt bij een postanoxisch coma ook de status epilepticus voor, met symmetrische tonisch-klonische insulten (2 in het PROPAC-onderzoek)9 of alleen maar op het eeg (een niet-convulsieve status epilepticus; 10). In het PROPAC-onderzoek hadden al deze patiënten een slechte uitkomst, maar het betrouwbaarheidsinterval van de foutpositiefratio van 0 is zeer wijd. In ander onderzoek is de uitkomst bij een aantal patiënten onzeker (ontwaakt, zonder nadere details).16 17
Neuronspecifiek enolase is een neuronaal eiwit dat in de circulatie terechtkomt na anoxische celschade, waarbij de serumconcentratie de hoeveelheid celschade zou weerspiegelen. De afkapwaarde waarboven alle patiënten een slechte uitkomst hebben, is nog onduidelijk. Ook is het effect van hypothermie (zie hieronder) op de serumspiegels en de betekenis van deze spiegels voor de prognose nog onvoldoende onderzocht.9 18-21
Tests zonder bruikbare prognostische waarde
Er zijn nogal wat factoren die ‘statistisch significant’ samenhangen met een slechte uitkomst, maar die als diagnostische test voor een slechte uitkomst niet de vereiste hoge specificiteit hebben (tabel 3). Deze tests zijn in de praktijk dan ook niet bruikbaar.
invloed van behandeling met hypothermie
Sinds in 2002 het gunstige effect werd aangetoond van geïnduceerde hypothermie op de uitkomst van postanoxisch coma, wordt deze behandeling steeds meer toegepast.22-24 Door de hypothermie (tot 32°C) is de beoordeling van SSEP’s mogelijk onbetrouwbaar.25 En doordat bij deze behandeling de patiënt gesedeerd wordt en soms spierverslappers krijgt, is ook een neurologische beoordeling niet mogelijk. De onzekerheid over de waarde van het neuronspecifiek enolase in het serum werd hierboven al genoemd. Behandeling met hypothermie gedurende 12-24 h leidt er dus toe dat het langer duurt voordat er duidelijkheid is over de prognose. Echter, nadat een normale temperatuur bereikt is en de sedativa uitgewerkt zijn, kan men de patiënt neurologisch onderzoeken en kan men de voorspellende factoren weer gebruiken. Onderzoek naar de waarde van voorspellende factoren tijdens de periode van hypothermie wordt momenteel opgezet.
staken of beperken van de behandeling
Overleven in een vegetatieve toestand of met de zeer ernstige beperkingen waartoe anoxische hersenschade kan leiden, zal door het overgrote deel van de patiënten, bij monde van hun familieleden, beschouwd worden als een niet wenselijke uitkomst. Voor sommigen echter is overleving het belangrijkst. De culturele of religieuze achtergrond van de patiënt en diens familie speelt hierin een grote rol. Met name binnen families met een orthodox-christelijke of streng islamitische achtergrond bestaat vaak grote weerstand tegen het stoppen of beperken van de behandeling. Soms speelt daarbij een rol dat elke behandelingsbeperking beschouwd wordt als euthanasie, en daar is men nu eenmaal principieel tegen. Echter, ook als dit misverstand opgeheven wordt, blijft de weerstand vaak bestaan en zal uiteindelijk besloten worden de behandeling niet te staken, maar wel te beperken.
Staken van de intensivecarebehandeling betekent het stoppen van de beademing en het verwijderen van de beademingstube; het stoppen van eventuele medicatie ter ondersteuning van de bloeddruk en de cardiale functie en het stoppen van eventuele andere medicatie en van de kunstmatige voeding. Afhankelijk van de conditie van de patiënt zal deze snel (bij obstructie van de luchtweg na detubatie in enkele minuten) of na enkele uren tot dagen (als patiënt zelfstandig ademt en cardiaal stabiel is) overlijden.
Bij patiënten met een infauste prognose bij wie niet tot staken van de behandeling besloten is en bij patiënten bij wie het aanvullend onderzoek geen grote zekerheid geeft over de slechte prognose, terwijl deze op grond van de comaduur wel erg waarschijnlijk is, wordt de behandeling meestal beperkt. Dit houdt over het algemeen in dat de patiënt bij een recidief van de circulatiestilstand niet opnieuw gereanimeerd wordt, en niet opnieuw wordt beademd indien zich daartoe de noodzaak voordoet. Om een patiënt met een ernstig verlaagd bewustzijn te kunnen ontwennen van de beademing is het plaatsen van een tracheostoma vaak nodig. Hiermee kan hij of zij worden overgeplaatst naar een gewone verpleegafdeling.
conclusie
In de afgelopen jaren zijn de mogelijkheden verbeterd om de uitkomst van een persisterend coma na een reanimatie betrouwbaar te voorspellen. Van alle patiënten met een slechte uitkomst, dat wil zeggen overlijden, persisterende vegetatieve toestand of ernstige invaliditeit na 6 maanden, is deze uitkomst bij ongeveer 80 betrouwbaar te voorspellen in de eerste 3 dagen met klinisch neurologisch onderzoek, SSEP’s en elektro-encefalografie.
Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: het PROPAC-onderzoek is financieel ondersteund door de Nederlandse Hartstichting en de Hersenstichting Nederland.
Literatuur
Vaartjes I, Peters RJG, Dis SJ van, Bots ML, redacteuren. Hart- en vaatziekten in Nederland, najaar 2006. Cijfers over ziekte en sterfte. Den Haag: Nederlandse Hartstichting; 2006.
Peberdy MA, Kaye W, Ornato JP, Larkin GL, Nadkarni V, Mancini ME, et al. Cardiopulmonary resuscitation of adults in the hospital: a report of 14720 cardiac arrests from the National Registry of Cardiopulmonary Resuscitation. Resuscitation. 2003;58:297-308.
Waalewijn RA, Vos R de, Koster RW. Out-of-hospital cardiac arrests in Amsterdam and its surrounding areas: results from the Amsterdam resuscitation study (ARREST) in ‘Utstein’ style. Resuscitation. 1998;38:157-67.
Zandbergen EGJ, Haan RJ de, Reitsma JB, Hijdra A. Survival and recovery of consciousness in anoxic-ischemic coma after cardiopulmonary resuscitation. Intensive Care Med. 2003;29:1911-5.
Brain Resuscitation Clinical Trial I Study Group. Randomized clinical study of thiopental loading in comatose survivors of cardiac arrest. N Engl J Med. 1986;314:397-403.
Brain Resuscitation Clinical Trial II Study Group. A randomized clinical study of a calcium-entry blocker (lidoflazine) in the treatment of comatose survivors of cardiac arrest. N Engl J Med. 1991;324:1225-31.
Longstreth jr WT, Copass MK, Dennis LK, Rauch-Matthews ME, Stark MS, Cobb LA. Intravenous glucose after out-of-hospital cardiopulmonary arrest: a community-based randomized trial. Neurology. 1993;43:2534-41.
Jennett B, Snoek J, Bond MR, Brooks N. Disability after severe head injury: observations on the use of the Glasgow Outcome Scale. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 1981;44:285-93.
Zandbergen EGJ, Hijdra A, Koelman JHTM, Hart AAM, Vos PE, Verbeek MM, et al. Prediction of poor outcome within the first 3 days of postanoxic coma. Neurology. 2006;66:62-8.
Pantridge JF, Geddes JS. A mobile intensive-care unit in the management of myocardial infarction. Lancet. 1967;2(7510):271-3.
Levy DE, Caronna JJ, Singer BH, Lapinski RH, Frydman H, Plum F. Predicting outcome from hypoxic-ischemic coma. JAMA. 1985;253:1420-6.
Zandbergen EGJ, Haan RJ de, Stoutenbeek CP, Koelman JHTM, Hijdra A. Systematic review of early prediction of poor outcome in anoxic-ischaemic coma. Lancet. 1998;352:1808-12.
Carter BG, Butt W. Review of the use of somatosensory evoked potentials in the prediction of outcome after severe brain injury. Crit Care Med. 2001;29:178-86.
Robinson LR, Micklesen PJ, Tirschwell DL, Lew HL. Predictive value of somatosensory evoked potentials for awakening from coma. Crit Care Med. 2003;31:960-7.
Booth CM, Boone RH, Tomlinson G, Detsky AS. Is this patient dead, vegetative, or severely neurologically impaired? Assessing outcome for comatose survivors of cardiac arrest. JAMA. 2004;291:870-9.
Wijdicks EF, Hijdra A, Young GB, Bassetti CL, Wiebe S. Practice parameter: prediction of outcome in comatose survivors after cardiopulmonary resuscitation (an evidence-based review): report of the Quality Standards Subcommittee of the American Academy of Neurology. Quality Standards Subcommittee of the American Academy of Neurology. Neurology. 2006;67:203-10.
Rossetti AO, Logroscino G, Liaudet L, Ruffieux C, Ribordy V, Schaller MD, et al. Status epilepticus: an independent outcome predictor after cerebral anoxia. Neurology. 2007;69:255-60.
Zandbergen EGJ, Haan RJ de, Hijdra A. Systematic review of prediction of poor outcome in anoxic-ischaemic coma with biochemical markers of brain damage. Intensive Care Med. 2001;27:1661-7.
Tiainen M, Roine RO, Pettilä V, Takkunen O. Serum neuron-specific enolase and S-100B protein in cardiac arrest patients treated with hypothermia. Stroke. 2003;34:2881-6.
Peters R, Oudemans-van Straaten HM, Spoel JI van der, Bosman RJ, Wester JPJ, Zandstra DF. Prognosis of coma after cardiopulmonary resuscitation: reliability of serum neuron-specific enolase abstract 457. Intensive Care Med. 2005;31(Suppl 1):S120.
Reisinger J, Höllinger K, Lang W, Steiner C, Winter T, Zeindlhofer E, et al. Prediction of neurological outcome after cardiopulmonary resuscitation by serial determination of serum neuron-specific enolase. Eur Heart J. 2007;28:52-8.
Hypothermia after Cardiac Arrest Study Group. Mild therapeutic hypothermia to improve the neurologic outcome after cardiac arrest. N Engl J Med. 2002;346:549-56.
Bernard SA, Gray TW, Buist MD, Jones BM, Silvester W, Gutteridge G, et al. Treatment of comatose survivors of out-of-hospital cardiac arrest with induced hypothermia. N Engl J Med. 2002;346:557-63.
Holzer M, Bernard SA, Hachimi-Idrissi S, Roine RO, Sterz F, Müllner M. Hypothermia for neuroprotection after cardiac arrest: systematic review and individual patient data meta-analysis. Collaborative Group on Induced Hypothermia for Neuroprotection after Cardiac Arrest. Crit Care Med. 2005;33:414-8.
Stecker MM, Cheung AT, Pochettino A, Kent GP, Patterson T, Weiss SJ, et al. Deep hypothermic circulatory arrest: I. Effects of cooling on electroencephalogram and evoked potentials. Ann Thorac Surg. 2001;71:14-21.
(Geen onderwerp)
Nieuwegein, maart 2008,
Collega Horn et al. geven aan dat bij ongeveer 80% van de patiënten met een slechte uitkomst van het postanoxisch coma deze uitkomst in de eerste drie dagen na de reanimatie met 100% betrouwbaarheid voorspeld kan worden met behulp van de pupilreacties, corneareflexen en motorische reacties bij het neurologisch onderzoek, de corticale respons van somatosensibele geëvokeerde potentialen en het eeg (2008:308-13). Een slechte uitkomst is hierbij gedefinieerd als overlijden of vegetatieve toestand na 1 maand dan wel overlijden, vegetatieve toestand of ernstige handicap na minimaal 6 maanden. Bij een postanoxisch coma kan ook een status epilepticus voorkomen, met symmetrisch tonisch-klonische insulten, of alleen op het eeg (een niet-convulsieve status epilepticus). In een Nederlands onderzoek naar de prognose van postanoxisch coma (PROPAC-onderzoek) hadden al deze patiënten een slechte uitkomst, maar het betrouwbaarheidsinterval van de ratio foutpositieve uitslagen van 0% was zeer ruim.1
Er zijn dan ook uitzonderingen op deze slechte uitkomst. Wij zagen een 45-jarige vrouw met een postanoxisch coma na reanimatie; patiënte had buiten het ziekenhuis een hartstilstand gehad op basis van ventrikelfibrilleren. Zij werd behandeld met hypothermie tot 32°C gedurende 20 h. Neurologisch onderzoek aan het einde van dag 1 toonde nauwe, maar op licht reagerende pupillen, nauwelijks opwekbare corneareflexen en afwezige motore reacties op pijnprikkels (EMV-score: 3). Tevens waren er symmetrische lichte myoklonieën in het gelaat en aan armen en benen. Een eeg verricht aan het begin van dag 2 liet een status epilepticus zien met continue gegeneraliseerde piekgolfcomplexen en polypieken. Patiënte werd behandeld met een combinatie van clonazepam, fenytoïne en propofolinfusie (30 mg/h), waarbij de uitwendige myoklonieën verdwenen en het eeg iso-elektrisch werd. Na staken van propofolinfusie ontstond er een ‘burst’-suppressiepatroon en enkele minuten later een non-convulsieve status epilepticus. Deze non-convulsieve status hield uiteindelijk bijna 10 dagen aan. De corticale respons van de somatosensibele geëvokeerde potentialen bij stimuleren van de N. medianus was beiderzijds aanwezig op dag 2. De EMV-score steeg naar 4 aan het einde van dag 3. Conform de bevindingen van het Nederlandse PROPAC-onderzoek werd aan familie meegedeeld dat een slechte uitkomst waarschijnlijk onafwendbaar zou zijn, maar de familie weigerde staken van behandeling. Na 10 dagen begon patiënte te reageren op pijnprikkels, opende spontaan de ogen, en leek soms kortdurend gericht te kijken, waarna zij na 14 dagen definitief ontwaakte. Na detubatie werd zij uiteindelijk overgeplaatst naar een revalidatiecentrum. Een halfjaar nadien was zij onafhankelijk voor algemene dagelijkse levensverrichtingen en woonde zij zelfstandig. Zij vertoonde nog wel een licht vertraagd denktempo. Tevens waren er verspreid voorkomende niet-invaliderende myoklonieën met op het eeg nog steeds epileptiforme kenmerken ondanks anti-epileptische behandeling met levetiracetam, lamotrigine en valproïnezuur.
Deze casus toont aan dat een langdurige status epilepticus tijdens een postanoxisch coma na reanimatie kan uitmonden in een relatief goed herstel.
Zandbergen EG, Hijdra A, Koelman JH, Hart AA, Vos PE, Verbeek MM, et al. Prediction of poor outcome within the first 3 days of postanoxic coma. PROPAC Study Group. Neurology. 2006;66:62-8.
(Geen onderwerp)
Amsterdam, april 2008,
Wij danken collega’s Kranenborg et al. voor hun waardevolle aanvulling op ons artikel. Zoals zij terecht opmerken, is de prognose van patiënten met een status epilepticus (SE) bij een postanoxische encefalopathie over het algemeen somber, maar met hun casus tonen zij aan dat uitzonderingen mogelijk zijn. Er zijn meerdere patiënten beschreven die na behandeling van de SE opknapten en zelfs een zelfstandig leven konden hervatten.1-3 Het aantal patiënten dat goed herstelt, is waarschijnlijk zeer klein (in een retrospectief onderzoek 3 van de 35 patiënten met een SE, van wie er 1 in staat was tot een zelfstandig leven).1 Op dit moment is het niet mogelijk om de patiënten te identificeren die een reële kans maken op een zinvol herstel ondanks de SE. Daarom zijn onder anderen de auteurs van het PROPAC-onderzoek en die van een recente richtlijn van de American Academy of Neurology terughoudend om op grond van de aanwezigheid van een SE alléén te besluiten dat de prognose infaust is. Als men geneigd is om op grond van de aanwezigheid van een SE de prognose somber in te schatten, dan dreigt de valkuil van de ‘self-fulfilling prophecy’. De ondersteunende behandeling wordt zonder meer gestaakt of de behandeling van de SE wordt niet maximaal uitgevoerd, waardoor de SE persisteert; de ondersteunende behandeling wordt gestaakt en de patiënt overlijdt. Deze negatieve houding ten aanzien van een SE na reanimatie is in veel publicaties terug te vinden.4
Er is duidelijk meer kennis nodig over dit lastige probleem. Vanuit het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam zal later dit jaar het STER-onderzoek (van ‘Status epilepticus na reanimatie’) van start gaan. In deze prospectieve cohortstudie bij 70 patiënten met een SE zal de neurologische uitkomst 6 maanden na reanimatie worden vastgelegd. Alle patiënten zullen volgens de Europese en Nederlandse richtlijnen maximaal behandeld worden met een combinatie van anti-epileptica en zo nodig gedurende 24 h met een met propofol of barbituraat in stand gehouden coma (www.neurologie.nl/uploads/136/454/richtlijn_epilepsie_definief_2.pdf).5 Met deze studie hopen wij meer inzicht te krijgen in de kansen op herstel van deze patiënten na maximale therapie en in de mogelijkheid om meer of minder kansvolle patiënten te kunnen identificeren.
Rossetti AO, Logroscino G, Liaudet L, Ruffieux C, Ribordy V, Schaller MD, et al. Status epilepticus: an independent outcome predictor after cerebral anoxia. Neurology. 2007;69:255-60.
Hovland A, Nielsen EW, Klüver J, Salvesen R. EEG should be performed during induced hypothermia. Resuscitation. 2006;68:143-6.
Kaplan PW, Morales Y. Re: status epilepticus: an independent outcome predictor after cerebral anoxia. Neurology. 2008;70:1295-6.
Vignatelli L, Rinaldi R, Baldin E, Tinuper P, Michelucci R, Galeotti M, et al. Impact of treatment on the short-term prognosis of status epilepticus in two population-based cohorts. J Neurol. 2008;255:197-204.
Meierkord H, Boon P, Engelsen B, Göcke K, Shorvon S, Tinuper P, et al. EFNS guideline on the management of status epilepticus. Eur J Neurol. 2006;13:445-50.