Arts verstrekt zonder toestemming van betrokkene informatie aan raadsman en Raad voor de Kinderbescherming

Perspectief
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:1658-9
Download PDF

Het College voor de beslissing in Eerste Aanleg in zaken van het Medisch Tuchtrecht en Medische Geschillen te 's-Gravenhage heeft op woensdag 14 december 1988 de navolgende uitspraak gedaan inzake de klacht van: A, klager, wonende te W, tegen: B, bedrijfsarts, wonende te X, de persoon over wie geklaagd wordt, hierna als de arts aan te duiden.

1. Op 11 januari 1988 werd een klacht van klager tegen de arts ontvangen. Namens de arts zond mr. C, advocaat te IJ, op 3 mei 1988 een verweerschrift in. Nadat ook een repliek en dupliek ontvangen waren, werden klager en de arts opgeroepen tegen de zitting van het College van 14 december 1988. Beiden verschenen, klager bijgestaan door mr. D, advocaat te Z, de arts door eerdergenoemde mr. C.

2. Kort samengevat behelst de klacht het verwijt aan de arts dat deze in november 1987 informatie over klager aan de raadsman van klagers echtgenote alsook aan de Raad voor de Kinderbescherming heeft verstrekt. Het betrof hier informatie waarover de arts beschikte omdat hij als arts contacten met klager had gehad. Klager meent dat de arts zonder zijn toestemming geen inlichtingen over hem aan derden had mogen geven.

3. De arts heeft in zijn hoedanigheid van bedrijfsarts met klager contacten gehad en wel tot medio 1985. Nadien is hij door de echtgenote van klager benaderd in verband met problemen die zij met klager had. Zij toonde de arts daarbij een brief van de behandelend arts van klager, met de inhoud waarvan de arts het niet eens was. Toen de echtgenote van klager hem vroeg zijn visie te geven, heeft hij geantwoord dat te willen overwegen. Op 21 november 1987 heeft de arts zijn visie over klager en gebeurtenissen die deze waren overkomen, gegeven in een brief aan de raadsman van klagers echtgenote. Kort daarop gaf hij informatie over klager door aan de Raad voor de Kinderbescherming.

De arts voert aan dat het hem vrijstaat rechtstreeks aan de advocaat die hem daarom vraagt, medische informatie te geven, als hij zich maar bewust is van de bijzondere vertrouwensrelatie met zijn patiënt en zich liefst (zo veel mogelijk) beperkt tot objectieve gegevens. De arts verwijst in dit verband naar een uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege van 28 september 1972, N.J. 1973 nr 270.

4. De arts mag aan derden geen feiten of meningen over zijn patiënten verstrekken zonder dat de patiënt daarvoor toestemming heeft gegeven. Hierin is de essentie van het medisch beroepsgeheim gelegen. Dit beroepsgeheim gaat evenwel niet zo ver dat daarop geen enkele uitzondering is toegelaten. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin de arts zich niet aan zijn zwijgplicht behoeft te houden.

De arts gaf als redenen voor het geven van de verlangde informatie het navolgende op. Hij achtte het ten eerste zeer wenselijk dat de brief van de behandelend arts van klager, die in de echtscheidingsprocedure een rol speelde en die naar het inzicht van de arts tendentieus en verre van objectief was, niet onweersproken bleef. Voorts woog voor de arts het belang van een zo zuiver mogelijke voorlichting van de advocaat resp. de rechter mee en wel zwaarder dan het belang van het ontzien van de vertrouwensrelatie met klager.

Het College is van oordeel dat deze redenen van onvoldoende gewicht zijn. De arts had geen arts-patiënt-relatie met klagers echtgenote of kinderen. Er was daarom geen sprake van een conflict van plichten. Er bestond voor de arts verder geen wettelijke plicht om inlichtingen te verstrekken, terwijl tenslotte ook niet gebleken is dat klagers echtgenote of kinderen aan ernstige gevaren blootstonden, die door middel van de door de arts te verstrekken inlichtingen zouden kunnen worden afgewend. De echtgenote van klager heeft er dan misschien wel bij de arts over geklaagd dat klager agressief en onhandelbaar was, maar de arts heeft de ernst hiervan kennelijk niet onderzocht en zich ook niet afgevraagd of deze bezwaren niet op een andere manier verholpen konden worden, waarbij niet in strijd met het voor de arts geldende beroepsgeheim gehandeld behoefde te worden.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de arts zonder toestemming van klager geen inlichtingen over deze laatste had mogen verstrekken. Toestemming van klager had de arts niet.

5. Tijdens de terechtzitting heeft de arts laten blijken de ernst van het verwijt dat hem treft, niet in te zien. Hij realiseerde zich kennelijk niet of nauwelijks dat het medisch beroepsgeheim in het geding was en had kennelijk ook geen besef van de belangen die met de handhaving van het beroepsgeheim gemoeid zijn. Het College moet hieruit afleiden dat de arts zich ook niet bewust is geweest van de bijzondere vertrouwensrelatie die hij met klager had. Uit de mededelingen van de arts heeft het College in ieder geval niet kunnen afleiden dat de arts aan deze kwestie bijzondere aandacht heeft besteed voordat hij aan het verzoek van klagers echtgenote gevolg gaf.

6. Het onder 4 gemaakte verwijt moet de arts ernstig worden aangerekend. Dit is te meer het geval nu de arts er blijk van heeft gegeven onvoldoende inzicht te hebben in de belangen, die in dezen spelen. Het College zal daarom na te noemen maatregel treffen.

Het College zal voorts bepalen dat deze uitspraak op de voet van art. 13b van de Medische Tuchtwet wordt gepubliceerd. Het is van oordeel dat het algemeen belang daarmee gediend is.

7. Legt aan de arts de maatregel van berisping op. Beveelt bekendmaking, met inachtneming van art. 13b van de Medische Tuchtwet, van deze beslissing door toezending aan het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door aanbieding ter plaatsing aan de redacties van Medisch Contact, het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.

Bepaalt dat uit 's Rijks kas aan klager of aan de persoon over wie geklaagd is geen kosten voor hen voortvloeiende uit de behandeling van de zaak zullen worden vergoed.

Aldus gewezen op 14 december 1988 door: mr.P.A.Offers, plv. voorzitter; G.C.Kooyker, lid-geneeskundige; dr.J.E.Prinsen, H.L.van Amerongen, S. van Dam-Horowitz, plv. leden-geneeskundigen, bijgestaan door mr. J.G.de Vries Robbé, plv. secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties