Alternatieve voeding
Open

Stand van zaken
08-04-1986
J. Fernandes

INLEIDING

In dit tijdschrift zijn sinds 1981 slechts twee artikelen verschenen over alternatieve voeding in relatie tot ziekte en gezondheid.12 Dit staat in tegenstelling tot de vele aandacht die aan dit onderwerp wordt geschonken in de lekenpers, maar ook in recente wetenschappelijk verantwoorde monografieën.34 Daar steeds meer artsen van hun patiënten vragen krijgen over ‘gezondheidsvoedsel’ en in aanraking komen met aanhangers van een van de vele alternatieve voedingssystemen, zullen in dit artikel de achtergronden van deze systemen worden besproken.

Het aantal mensen in Nederland dat regelmatig een of andere vorm van alternatieve voeding gebruikt, wordt geschat op 300.000.3 Zij hebben niet alleen wat betreft hun voeding andere normen dan hun omgeving: een groot percentage van hen wijst immunisaties en bloedtransfusie af en raadpleegt voor de genezing van ziekten alternatieve genezers. Deze mensen hebben de neiging ziekten toe te schrijven aan verkeerde voeding. Het blijkt dus, dat alternatieve voeding vaak een onderdeel is van een alternatieve levenswijze.

Alternatieve voeding is niet hetzelfde als vegetarische voeding. Het vegetarisme is in een van zijn vormen vaak een onderdeel van alternatieve voedingssystemen. Het vegetarisme kunnen wij verdelen in drie groepen:

– lacto-ovo-vegetarisme: gebruikt melk en eieren;

– lacto-vegetarisme: gebruikt melk, geen eieren;

– veganisme: gebruikt geen dierlijke produkten.

Deze varianten, gecombineerd met verschillende leefregels, zijn de hoofdcomponenten van diverse alternatieve voedingssystemen. Koppert en Knegt onderscheiden vier categorieën alternatieve voedingssystemen:5 (1) semi-wetenschappelijke; (2) naturistische (‘terug naar de natuur’); (3) filosofische en (4) religieuze.

ALTERNATIEVE VOEDINGSSYSTEMEN

Systemen op semi-wetenschappelijke grondslag

De volgelingen van een semi-wetenschappelijk systeem beoordelen voeding en voedingsmiddelen vanuit dezelfde uitgangspunten als de gangbare wetenschap, maar ze interpreteren de resultaten anders en voegen leefregels toe. Deze betreffen een gezonde leefwijze zonder tabak en alcohol, matig gebruik van koffie en thee, leefregels voor activiteit, ontspanning, kleding en zelfs de aanbeveling voor een monogame leefwijze. Voorvechters van deze systemen brachten theorieën naar voren over zuur en base vormende voedingsmiddelen en de wenselijkheid de alkaliteit van lichaamsvloeistoffen te bevorderen.6 Anderen adviseerden eiwitbeperking, of juist extra eiwit, biergist, melassestroop, kalk en vitaminetabletten, of waarschuwden tegen het ontstaan van nutriënttekorten als gevolg van bewerking van voedingsmiddelen door de voedingsindustrie.7

Naturistische voedingssystemen (‘terug naar de natuur’)

De belangrijkste voorvechters hiervan waren Felix Ort, die in 1894 de Nederlandse Vegetariërsbond oprichtte, en de arts M.Bircher-Benner, die meent dat de mens van nature een planteneter is.8 Vruchten, noten, rauwkost en granen hebben de hoogste voedingswaarde. Iedere plant heeft een uniek energiepatroon, afgeleid uit zonne-energie. Het is daarom noodzakelijk plantaardige voedingsmiddelen in zo natuurlijk mogelijke toestand te eten. Elke verandering, zoals zouten, schillen, koken en bakken, tast de oorspronkelijke energie aan en leidt tot verlaging van de voedingswaarde. Vlees eten wordt sterk afgeraden, want door het slachten, bloed verwijderen en de reeds genoemde bewerkingen blijft van de oorspronkelijke energie vrijwel niets over. Melk en eieren zijn alleen maar geschikt voor de eerste groeiperiode van het kind. Ze zijn eigenlijk bedoeld voor het kalf en het kippe-embryo en niet voor de mens.

Filosofische systemen

Kenmerkend voor deze systemen is, dat ze zich richten op de leefwijze en maatschappij waarin wij leven. De ontwikkeling van de mens tot hogere stadia staat daarin centraal. De voeding is een onderdeel van een dergelijk systeem en draagt bij om dat doel te bereiken. De belangrijkste systemen zijn de macrobiotiek, de antroposofie en de Mazdaznanleer.

De macrobiotiek.

De grondlegger van de macrobiotiek is de Japanner Ohsawa. Macrobiotiek is de universele weg van gezondheid en geluk.9 In het universum bestaan twee tegengestelde krachten: yin en yang. Alle verschijnselen in de natuur hebben een yin- of een yang-karakter, meestal een combinatie ervan, in verschillende verhouding. Indien deze verhouding verstoord wordt, treedt ziekte op. Ook voor voedingsmiddelen is de yin-yangverhouding vastgelegd. Plantaardig voedsel is meer yin, dierlijk meer yang, terwijl vooral granen een uitgebalanceerde yin-yangverhouding hebben. Combinatie van voedingsmiddelen en wijze van toebereiding beïnvloeden de yin-yangverhouding. Zo zijn arbitrair opgestelde en ingewikkelde regels van voedselbereiding ontstaan. Belangrijk is de voorkeur voor plantaardig voedsel, vooral graanprodukten. Deze worden zelfs gebruikt als geneesmiddel tegen ziekte. Groenten moeten worden geselecteerd volgens hun beschikbaarheid naar seizoen en klimaat. Groenten van dichtbij zijn te verkiezen boven die van veraf, evenals vruchten en noten. Ze moeten bij voorkeur worden gekookt. Zeegroenten, bijvoorbeeld zeewier, dienen als aanvulling. Dierlijk voedsel moet worden beperkt (< 15) en altijd worden gecombineerd met groenten. Het kruiden van voedsel geschiedt met zeezout en plantaardige olie, maar niet met specerijen. Dranken moeten bereid worden uit kruiden uit de eigen omgeving.

De voor ons noodzakelijke voeding kan door een goede yin-yangverhouding door ons lichaam worden getransformeerd tot een hogere vorm van leven. Deze transformatietheorie is een belangrijk onderdeel van de macrobiotiek. Volgens deze theorie heeft het lichaam ook het vermogen tot chemische transformatie van elementen. Magnesium wordt bijvoorbeeld door opname van zuurstof omgezet in ijzer.9 De transformatietheorie, die aanvankelijk een van de kernpunten was van de macrobiotiek, is tegenwoordig wat afgezwakt.

De antroposofie is ontwikkeld door Rudolf Steiner, omstreeks de eeuwwisseling.10 Hij stelt dat de mens verantwoordelijk is voor de aarde, de planten- en dierenwereld en voor zijn eigen ontwikkeling. Hij moet de aarde zodanig in stand houden, dat ze gezonde planten voortbrengt, die bestand zijn tegen ziekten en parasieten. Hij moet hierbij gebruik maken van natuurlijke organische stoffen, zoals humus en mest van vee. Hij moet kunstmatige bemesting en giftige bestrijdingsmiddelen vermijden en grenzen stellen aan de intensivering van de landbouw, die ons ecologisch systeem op den duur uitput. Deze zogenaamde biologisch-dynamische landbouw is een belangrijk onderdeel van de antroposofische voedingsleer. Deze is weinig dogmatisch en beschouwt voeding als een hulpmiddel om een hogere ontwikkelingsgraad te bereiken. De belangrijkste aspecten zijn het streven naar volwaardige produkten zonder toevoegingen. Dierlijk voedsel dient alleen voor jonge kinderen met nog weinig scheppende krachten. Kosmische krachten hebben invloed op de waarde van de plant als voedsel. De mens ontwikkelt zijn scheppende kracht door planten en mineralen die ver van hem afstaan, in zich op te nemen.

De Mazdaznanleer.

Mazdaznan betekent bewustwording van het hoogste.11 Deze leer is omstreeks 1900 ontwikkeld door de in Amerika levende Pool Otto Hanish. Volgens hem is vertering een scheppend proces waarbij ‘onder leiding van het hart (de centrale scheppingsmacht) een synthese plaatsvindt tussen de fijnste krachten uit voedingsmiddelen en de uiterst fijne elementen uit de kosmos’. Het voedingssysteem is zeer ingewikkeld en doet denken aan het yin-yangprincipe uit de macrobiotiek.

Religieuze systemen

Uit godsdienstig-magisch perspectief worden in sommige godsdiensten bepaalde spijzen en dranken wel gegeten of gedronken en andere niet.12 Vooral op het punt van het eten van vlees van bepaalde dieren zijn er taboes, waarvan de oorsprong soms niet bekend is. Soms mag het vlees niet worden gegeten omdat het afkomstig is van een onrein dier. Dit geldt voor varkensvlees bij Islamieten. Soms wordt het niet gegeten omdat het dier heilig is; dit geldt voor rundvlees bij de Hindoes. Soms mag het vlees pas worden gegeten nadat eerst een gedeelte is geofferd aan de godheid. De belangrijkste verboden bij diverse godsdiensten zijn samengevat in tabel 1.

Nog strenger zijn de geboden en verboden tijdens heilige dagen en vasten. Tijdens de vastenmaand mag de Islamiet van zonsopgang tot zonsondergang niet eten en niet drinken. Hij mag uitsluitend 's nachts eten, en dan zeer sober. Over de gevolgen van deze vrij langdurige semi-‘starvation’, bijvoorbeeld voor de lactatie, is weinig bekend. Uitzondering voor de plicht tot vasten wordt gemaakt voor kinderen, zieken en reizigers.

Naast deze voedingssystemen bestaan er diverse andere alternatieve richtingen, die voornamelijk op grond van wetenschappelijke argumentatie voor een minder bewerkt voedselpakket en een milieuvriendelijke landbouw kiezen. In Nederland is de ecologische voeding, oorspronkelijk uitgegaan van ‘De Kleine Aarde’, het bekendste voorbeeld. De voedingsadviezen van deze richting lijken op de zogenaamde prudente voeding.13

POSITIEVE EN NEGATIEVE EFFECTEN VAN VEGETARISCHE VOEDING

Verschillen tussen vegetarische en niet-vegetarische voeding zijn beschreven in de consumptie van energie, vet, eiwit, vitaminen en mineralen.

Energie en eiwit.

Uit tabel 2 blijkt dat de energie- en eiwitopname van lacto-ovo-vegetariërs vergelijkbaar is met de normen van de Nederlandse Voedingsraad en met de eetgewoonten van studenten. De energie- en eiwitopname bij veganisten is echter veel lager. De eiwitopname is zelfs lager dan de FAOWHO-norm, indien deze wordt gecorrigeerd voor de veel lagere biologische waarde van de plantaardige eiwitten van veganistische voeding. In een Nederlands onderzoek bij kinderen was de eiwitopname bij macrobiotisch gevoede kinderen weliswaar veel lager dan die bij een vergelijkbare controlegroep, maar voldeed nog ruimschoots aan de geldende normen.14

Sommige plantaardige eiwitten tonen in vergelijking met dierlijke eiwitten tekorten van enkele essentiële aminozuren (tabel 3). Men zal de tekorten moeten aanvullen om in de behoefte te voorzien. Het meest voor de hand liggend is het combineren van eiwitten in één maaltijd. Hierbij kan het limiterende aminozuur van het ene eiwit worden aangevuld door een relatieve overmaat van dit aminozuur uit het andere eiwit. Van oudsher zijn enkele combinaties op dit principe gebaseerd, namelijk de combinatie van graan en peulvruchten, van tarwe en melk en van rijst en vis. Tenslotte moet men rekening houden met de slechte verteerbaarheid van vele plantaardige eiwitten, waardoor de eiwitopname in werkelijkheid lager is dan berekend werd.

Het lage energiegehalte van strikt vegetarische voeding blijkt te berusten op de lage energiedichtheid van groenten, peulvruchten en vruchten. Door hun lage vetgehalte en grote hoeveelheid vezel wordt de voeding volumineus. De vegetariër en vooral de veganist moet dus veel ‘bulk’ eten om te voorzien in zijn energiebehoefte. Het volume van de faeces neemt hierdoor sterk toe en de darmpassage wordt versneld. Welvaartsziekten, zoals obstipatie, divertikels en zelfs dikke-darmtumoren, komen bij veganisten minder voor.1516

Het vetgehalte van plantaardige voeding is weliswaar laag, maar het linolzuurgehalte is hoog. Hierdoor, maar vermoedelijk ook door de lage cholesterol- en energie-opname, hebben vegetariërs een lage cholesterolconcentratie in het serum.17 Het is waarschijnlijk, dat dit zal leiden tot vermindering van ziekte en sterfte aan coronaire atherosclerose, maar er zijn hierover nog onvoldoende gecontroleerde studies verricht.

Vitamines en mineralen.

Bij strikt vegetarische voeding dreigen vooral tekorten van de vitaminen B12 en D, en van calcium, zink, ijzer en in alle waarschijnlijkheid ook selenium. Vitamine B12 (cobalamine) komt voornamelijk voor in dierlijke produkten en wordt slechts door enkele micro-organismen gesynthetiseerd. Waarneembare deficiëntieverschijnselen doen zich zelden voor, of pas na vele jaren. Dit komt omdat de voorraad in het lichaam betrekkelijk groot is en het verbruik klein. Bij jonge kinderen is het risico van deficiëntie veel groter.18 Sommige veganisten gebruiken zeewier, gistextract of gefermenteerde produkten (tempeh) als vitamine B12-bronnen. Tekorten van vitamine D doen zich vooral voor bij zuigelingen, indien zij geen suppletie krijgen.

– De calciumopname kan in een strikt veganistische voeding ver beneden de aanbevolen hoeveelheid liggen. Desondanks is osteoporose bij volwassen veganisten nog niet beschreven, rachitis bij macrobiotisch gevoede kinderen echter wel.19 De oorzaak hiervan moet eerder worden toegeschreven aan onvoldoende suppletie van vitamine D dan van calcium. Calciumtekort kan worden aangevuld met melk en melkprodukten, groene groenten en peulvruchten.

– Het zinkgehalte van strikt veganistische voeding is laag. Ook kan de absorptie van zink worden belemmerd door binding van zink met overmaat van fytaat uit vezels. Desondanks komt zinkdeficiëntie slechts voor bij kinderen met een extreem eenzijdige veganistische voeding,20 echter niet bij volwassenen.21

– IJzer komt in de voeding voor als haem- en non-haem-ijzer. In vegetarische voeding overheerst non-haem-ijzer, waarvan de absorptie vrij slecht is. Fytaten en fosfaten belemmeren de absorptie door vorming van onoplosbare ijzerzouten. Vitamine C en andere reducerende stoffen bevorderen de absorptie. In dierlijke voeding overheerst het haem-ijzer uit hemoglobine en myoglobine. De absorptie hiervan is beter dan die van non-haem-ijzer. Het verdient dus aanbeveling in vegetarische voeding ijzerrijke nutriënten, zoals granen, peulvruchten en noten, te combineren met nutriënten die rijk zijn aan vitamine C.

Opmerkelijk is de door Abdulla et al. geconstateerde zeer lage opname van selenium door Zweedse veganisten.22 Dit berust op het feit, dat plantaardig voedsel (graan, groenten) zeer weinig selenium bevat. Tot nu toe is geen melding gemaakt van de bij seleniumdeficiëntie voorkomende cardiomyopathie.

DE RISICO'S VAN ALTERNATIEVE VOEDING BIJ ZUIGELINGEN EN JONGE KINDEREN

De risico's zijn het grootst voor zuigelingen in milieus met extreem doorgevoerde vegetarische voeding. De risico's voor deze kleine groep (vermoedelijk minder dan 15.000 zuigelingen) zijn samengevat in tabel 4. Bij hen dreigen na 6 maanden achterblijven in de groei door energietekort,23 en multipele deficiënties. Door vitamine B12-tekort, gesuperponeerd op ijzertekort, ontstaat megaloblastaire anemie.1820 Door vitamine D-deficiëntie en een lage calciumopname ontstaat rachitis.19 Indien geen borstvoeding beschikbaar is, wordt de fabrieksmatig bereide geadapteerde zuigelingenvoeding meestal afgewezen. In plaats daarvan wordt soms een koemelk-watermengsel gegeven, soms echter geitemelk, amandelmelk of sojamelk. Deze melksoorten combineert men met meel, doorgaans een mengsel van verschillende graansoorten.2425 Bij lang voortgezette koemelkvoeding dreigen tekorten te ontstaan van vitamine C, D en ijzer. Bij gebruik van geitemelk kan anemie ontstaan door foliumzuurdeficiëntie. Hierop is reeds 70 jaar geleden de aandacht gevestigd door Scheltema, de eerste hoogleraar kindergeneeskunde in Groningen.26 Sporadisch gebruikt men amandelmelk. Deze is volstrekt ongeschikt wegens tekorten van essentiële aminozuren. Bij afwijzing van koemelk zijn de commerciële sojamelkpreparaten het eenvoudigste alternatief, daar soja-eiwit een hoge biologische waarde heeft, vergelijkbaar met die van koemelkeiwit. Tenslotte moet worden gewaarschuwd tegen het te vroegtijdig invoeren van gluten bevattende graanprodukten wegens het risico van coeliakie.

De effecten van vegetarische voeding op groei en ontwikkeling van peuters en kleuters lopen uiteen. Dit berust waarschijnlijk op verschillen in voeding, van milde vormen van lacto-ovo-vegetarisme tot extreem veganisme. Shull et al. stelden vast, dat lengte en gewicht van kinderen jonger dan 2 jaar bij streng vegetarische voeding achterbleven.23 Na de eerste 2 levensjaren werd de groeisnelheid normaal, maar er ontstond geen inhaalgroei. De kinderen bleven dus onder hun potentiële groeikanaal wat betreft lengte en gewicht. Dit berust vooral op het feit, dat jonge kinderen niet in staat zijn van plantaardige voeding, die door haar hoge vezel- en lage vetgehalte arm is aan energie, voldoende te eten. Het kind raakt ondervoed en heeft minder weerstand tegen infecties. In sommige gevallen is er echt sprake van ‘wanvoeding’, die men een vorm van kindermishandeling zou kunnen noemen.27

Meestal is het echter mogelijk de voeding in goede banen te leiden, ook bij ouders die vasthouden aan hun zienswijze over alternatieve voeding. Er zijn immers veel mogelijkheden tot aanpassing en correctie. Voedingsvoorlichting is erg belangrijk, en hiervoor is onmisbaar de deskundigheid van diëtisten die bekend zijn met alternatieve voedingssystemen en respect tonen voor de zienswijze van de ouders. Het is dus van groot belang, dat vooral huisarts, consultatiebureau-arts en kinderarts alert zijn op ongebruikelijke voedingsgewoonten en tijdig diëtisten inschakelen.

Ik ben dr.P.C.Dagnelie en dr.W.A.van Staveren, Vakgroep Humane Voeding, Landbouwhogeschool te Wageningen, zeer erkentelijk voor hun kritisch commentaar.

Literatuur

  1. Bovens M. Reform en alternatief: een terechtekeuzemogelijkheid? Ned TijdschrGeneeskd 1983; 127: 2420-3.

  2. Schulpen TWJ. Opnieuw rachitis in Nederland.Ned Tijdschr Geneeskd 1982; 126:610-3.

  3. Albers HFF, Boeringa R, Bruning PF, et al. Alternatievevoeding objectief bekeken (Serie ‘Voeding en Gezondheid’, deelI). Alphen aan den Rijn: SamsomStafleu, 1984.

  4. Anonymus. Alternatieve voedingssystemen. In: Melk inrelatie tot de gezondheid. (Wetenschappelijke Notities op Voedingsgebied,vol. 9, nr. 3). Rijswijk: Het Nederlands Zuivelbureau, 1982

  5. Koppert S, Knegt Y. De waarheid van het voedsel ..., hetvoedsel van de waarheid. Wageningen: Landbouwhogeschool, 1975.

  6. Hay WH. A new health era. Harrap, 1935 (geciteerd uitlit.nr.5).

  7. Davis A. Let's eat right to keep fit. New York:Harcourt, Brace and Janovich, 1970.

  8. Bircher-Benner M. Eine neue Ernährungslehre auf Grundder Fortschritte der Naturwissenschaften und der ärztlichen Erfahrung.Zürich: Wendepunkt Verlag, 1940.

  9. Kushi M. Macrobiotiek, de universele weg van gezondheid engeluk. DeventerAmsterdam: Ankh-Hermes Spiraal, 1978.

  10. Haunschka R. Schets van een voedingsleer opanthroposofische grondslag. Zeist: Vrij Geestesleven, 1981.

  11. Sijpkens-van Andel SW. De Mazdaznanleer der individuelevoeding in theorie en praktijk. Amsterdam: Mazdaznan-beweging,1974.

  12. Hartog C den. Religie en voeding. Voeding 1979; 40:290-9.

  13. Kromhout D. Is de huidige voeding een prudente voeding?Voeding 1980; 41: 255-8.

  14. Dagnelie PC, Staveren WA van, Hautvast JGAJ. Degezondheid en voedingstoestand van ‘alternatief’ gevoedezuigelingen en peuters; feiten en onzekerheden. II. Specifiekevoedingstekorten, discussie. Tijd Kindergeneeskd 1985; 53: 208-16.

  15. Gear JSS, Ware A, Fursdon P, et al. Symptomlessdiverticular diseases and intake of dietary fiber. Lancet 1977; i:511-4.

  16. McLennan R, Jansen OM, Mosbech J, Vuori H. Diet,transit-time, stool weight and colon cancer in two Scandinavian populations.Am J Clin Nutr 1978; S239-42.

  17. Burslem J, Schonfeld G, Howald MA, Weidman SW, MillerJJP. Plasma apoprotein and lipoprotein lipid levels in vegetarians.Metabolism 1978; 27: 711-9.

  18. Davis JR, Goldenring K, Lubin BH. Nutritional vitaminB12 deficiency in infants. Am J Dis Child 1981; 135:566-7.

  19. Dwyer JT, Dietz WH, Hass G, Suskind R: Risk ofnutritional rickets among vegetarian children. Am J Dis Child 1979; 133:134-40.

  20. Shinwall ED, Gorodischer R. Totally vegetarian diets andinfant nutrition. Pediatrics 1982; 70: 582-6.

  21. Anderson BM, Gibson RS, Sabry JH. The iron and zincstatus of long-term vegetarian women. Am J Clin Nutr 1981; 34:1042-8.

  22. Abdulla M, Andersson I, Asp NG, et al. Nutrient intakeand health status of vegans. Chemical analysis of diets using the duplicateportion sampling technique. Am J Clin Nutr 1981; 34: 2464-77.

  23. Shull MW, Reed RB, Valadian I, Palombo R, Thorne H, DwyerJT. Velocities of growth in vegetarian preschool children. Pediatrics 1977;60: 410-7.

  24. Robson JRK, Koulande JE, Larkin FA, O'Connor PA, LiuHY. Zen macrobiotic dietary problems in infancy. Pediatrics 1974; 53:326-9.

  25. Swaak AJ. Alternatieve voedingen voor de gezondezuigeling van 0-7 maanden. NedTijdschr Geneeskd 1980; 124: 1967-9.

  26. Scheltema G. Geitemelk als zuigelingenvoeding. NedMaandschr Verlosk 1916; 5: 407-8.

  27. Roberts IF, West RJ, Ogilvie D, Dillon MJ. Malnutritionin infants receiving cult diets: a form of child abuse. Br Med J 1979; i:296-8.