Afbeelding van het cerebrale metabolisme met positron-emissietomografie en magnetische-resonantiespectroscopie met betrekking tot de pathofysiologie van focale cerebrale afwijkingen

Klinische praktijk
K.G. Go
J. Pruim
R.L. Kamman
E.L. Mooyaart
W. Vaalburg
A.M.J. Paans
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:487-94
Download PDF

Tumoren, bloedingen, infarcten en andere focale afwijkingen van het cerebrum plegen zich aan de medicus te presenteren met neurologische uitval, die kan variëren van paresen en sensibiliteitsafwijkingen tot spraakstoornissen. Nu de diverse zenuwbanen en -centra goed in kaart zijn gebracht, kan men uit het patroon van de functieuitval heel exact de plaats van de laesie bepalen. Wanneer ten behoeve van een chirurgische ingreep de afwijking precies dient te worden gelokaliseerd, zijn speciële diagnostische hulponderzoeken noodzakelijk. Traditioneel waren dit de cerebrale angiografie, de pneumo-encefalografie of ventriculografie, de elektro-encefalografie, en de hersenscintigrafie met gammastralen-emitterende radio-isotopen. Deze technieken proberen min of meer de morfologische situatie weer te geven, terwijl de nieuwere technieken, zoals wij zullen zien, de stofwisseling in beeld brengen.1

Bij de angiografie werd vroeger een A. carotis of vertebralis direct aangeprikt om contrastvloeistof in te spuiten. Men kon dan een aneurysma herkennen als een uitstulping aan de intracraniële vaatboom, of uit veranderingen van het vaatverloop de plaats van een ruimte-innemende afwijking herleiden. Bij pneumo-encefalografie en bij ventriculografie werden de cerebrale liquorruimten zichtbaar gemaakt door vulling met lucht, waardoor een hydrocefalie zich direct vertoonde als een verwijding van de ventrikels, en ook hier de plaats van een ruimte-innemende afwijking kon worden bepaald uit vervormingen van het ventrikelsysteem. Bij de hersenscintigrafie werd een gammastralen-emitterend radiofarmacon intraveneus toegediend. Vanwege de bijzondere eigenschap van hersencapillairen om stoffen uit het bloed slechts selectief in het hersenweefsel door te laten, werd de ingespoten tracer niet opgenomen, behalve in focale afwijkingen waarin deze zogenaamde bloed-hersenbarrière was uitgevallen.1

De angiografie en de pneumo-encefalografie zijn invasieve technieken, waarbij fysiek in het lichaam wordt ingegrepen, wat vaak pijnlijk en soms riskant is. Na een pneumo-encefalografie kregen de patiënten last van heftige hoofdpijn en misselijkheid, en bij aanwezigheid van een tumor kon door het onderzoek een levensbedreigende inklemming worden geprovoceerd. De methode is dan ook verlaten toen de computertomografie (CT) haar intrede deed. Ondanks het invasieve karakter heeft de angiografie zich kunnen handhaven, omdat chirurgie van het cerebrale aneurysma een perfecte afbeelding van het cerebrale vaatstelsel vereist. Een vooruitgang was de vaatcatheterisatietechniek waarbij een catheter via een A. femoralis werd opgevoerd in de A. carotis of vertebralis, en directe beschadiging van deze vaten, maar lang niet alle complicaties (zoals vaatspasmen) konden worden vermeden. Later heeft men door de invoering van de techniek van digitale-subtractieangiografie ook nog de benodigde dosis contraststof kunnen verminderen.

Bij de hersenscintigrafie wordt de straling van de cerebraal opgenomen radioactiviteit geregistreerd door een samenstel van detectoren in een gammacamera. Hoewel scintigrafie niet invasief is, vindt ze geen toepassing meer, door het slechte ruimtelijk oplossend vermogen waardoor bijvoorbeeld de topografische relaties met omgrenzende structuren niet goed zijn vast te stellen.

Voor het onderzoek met gammastralers is nu de ‘single photon emission’-computertomografie (SPECT) gekomen, waarmee door beeldreconstructie-technieken de opgenomen radioactiviteit in doorsneden van het orgaan kan worden afgebeeld, wat een betere lokalisatie mogelijk maakt. Een bekende toepassing vindt men in het onderzoek van de hersendoorbloeding met de tracer 99mTc-hexamethylpropyleenamine-oxime (HMPAO).23

Het onderliggende principe voor de hersenscintigrafie, namelijk de uitval van de de bloed-hersenbarrière, geldt ook voor het gebruik van contrastmiddelen bij computertomografie (CT) en kernspintomografie (magnetische resonantie-‘imaging’; MRI). Door exsudatie van het contrastmiddel in de afwijking kan doorbraak van de bloed-hersenbarrière worden vastgesteld, hetgeen bijvoorbeeld bij massaal peritumoraal hersenoedeem de grenzen van de tumor demarkeert te midden van het oedeem.

Bij CT wordt een bepaalde doorsnede van het orgaan uit verschillende gezichtshoeken met een röntgenstralenbundel doorlicht, en de absorptie van de stralen tijdens hun passage door een detector geregistreerd. Uit deze absorpties wordt door middel van beeldreconstructietechnieken het beeld van de orgaandoorsnede verkregen. Hoewel een CT-beeld veel contrastrijker is, gelden bij de interpretatie dezelfde wetmatigheden als bij een gewone röntgenfoto: weefselstructuren die zware elementen bevatten, zoals bot, bloedstolsels of contrastmiddel, geven de meeste absorptie van röntgenstralen en worden wit afgebeeld, liquor en oedeem worden donker afgebeeld door hun lage densiteit, terwijl vetweefsel en lucht opvallen door een nog lagere densiteit dan die van water.24

De beeldvorming met magnetische resonantie (MR) maakt gebruik van het feit dat sommige atoomkernen door hun draaiing (‘spin’ genoemd) een magnetisch moment bezitten. Hierdoor kunnen ze in een magnetisch veld door dit veld worden gericht. Kernspinresonantie of magnetische resonantie is het verschijnsel dat onder invloed van radiofrequentiepulsen van een zekere frequentie, de zogenaamde resonantiefrequentie, de kernspins deze oriëntatie verlaten. Na de puls keren ze naar de oorspronkelijke oriëntatie terug en zenden daarbij radiogolven uit als signaal; dit verschijnsel noemt men relaxatie, een exponentieel proces dat gekarakteriseerd wordt door twee tijdconstanten, T1 en T2 genaamd.5-7 In water en oedemateus weefsel zijn de relaxatietijden sterk verlengd.8 Zo kan men uit gemeten relaxatietijden het hersenwatergehalte berekenen.9 Bij de beeldvorming worden de relaxatietijden, die immers het weefsel karakteriseren, in het signaal tot uiting gebracht door het kiezen van een bepaalde volgorde van radiofrequentiepulsen, en een bepaalde duur van de pulsintervallen.1011 Zo ontstaan beelden waarin de relaxatietijd T1 de overhand heeft (T1-gewogen beelden), naast T2-gewogen beelden, die vooral door de T2 worden bepaald. Op T1-gewogen beelden zien liquor en oedeem er donker uit (hypo-intens), en vetweefsel wit (hyperintens). Op T2-gewogen beelden lijken liquor en waterophopingen juist licht, en vetweefsel donker. Door hun ijzergehalte geven bloedingen een verandering van de relaxatietijden van het weefselwater en hiermee ook van het signaal. Verandering van het signaal door verkorting van T1 is ook het effect dat wordt bereikt met het contrastmiddel gadopentetinezuur. De beeldvorming bij MRI berust op het aanbrengen van een magnetische veldgradiënt, dat wil zeggen een veldsterkte die verandert met de plaats in de ruimte, waardoor alleen in het vlak dat men wil afbeelden, de veldsterkte overeenkomt met een eerder gekozen resonantiefrequentie en de protonspins worden aangeslagen.10 Protonen in stromend bloed die dit vlak verlaten, zullen geen signaal afgeven. Bloedvaten plegen derhalve te worden afgebeeld als signaalarme structuren (‘flow void’ genaamd). Van dit verschijnsel wordt gebruik gemaakt bij de MR-angiografie, die geen contrastmiddel vereist en potentieel de contrastangiografie kan vervangen.

Metabole afbeelding

Door de superieure morfologische kwaliteit waarmee hersenafwijkingen door de moderne beeldvormende technieken kunnen worden afgebeeld, zou men haast in de verleiding komen, om het neurologische onderzoek maar achterwege te laten. Men moet echter bedenken dat de functie-uitval die de patiënt in zijn dagelijkse activiteiten invalideert, en die hem ertoe heeft gebracht medische hulp in te roepen, niet anders kan worden geëvalueerd dan door neurologisch onderzoek. Het accent van de genoemde moderne diagnostische methoden ligt vooral op de morfologische afbeelding, maar van morfologische afwijking naar functie-uitval is nog een hele afstand te overbruggen, die men in de volgende pathofysiologische samenhangen zou kunnen ontleden, en waarin vooral de stofwisseling een centrale plaats inneemt.

Focale cerebrale afwijkingen, zoals tumoren, bloedingen, abcessen, contusies en infarcten, kunnen zich als ruimte-innemende massa's gedragen, die binnen de onuitzetbare schedelomhulling kunnen leiden tot intracraniële drukverhoging (mede vanwege uitval van de bloed-hersenbarrière) waardoor bloedplasma het hersenweefsel binnendringt als hersenoedeem. Intracraniële drukverhoging vermindert de cerebrale perfusiedruk, die de drijvende kracht vormt van de cerebrale doorbloeding. Men spreekt van hersenischemie als de cerebrale doorbloeding daalt beneden 20 ml bloedming hersenweefsel. Er is dan onvoldoende aanvoer van substraat (glucose) en zuurstof voor de stofwisseling, en onvoldoende aanmaak van adenosinetrifosfaat (ATP), de universele energiedrager waarmee allerlei energievereisende cellulaire functies worden aangedreven, zoals de ionenpompen die de membraanpotentiaal van de neuronen onderhouden, en herstellen na een ontlading. Op korte termijn veroorzaakt de stofwisselingsstoornis functieuitval, via uitval van de elektrische activiteit van het weefsel. Op de langere termijn ontstaat weefselversterf (infarcering).2

Positron-emissietomografie

Positron-emissietomografie (PET) is een niet-invasieve techniek, waarmee de stofwisseling bij patiënten in vivo kwantitatief kan worden gemeten door gebruik te maken van positron-emitterende radio-isotopen (een positron is een positief geladen elektron), te weten 11C, 15O, 13N, 18F, die deel uitmaken van fysiologische substraten of metabolieten, of eraan gekoppeld kunnen worden, waarna ze worden ingespoten. Zo kan men met 15O2 het cerebrale zuurstofgebruik meten; C15O (koolmonoxyde), dat zich bindt aan het hemoglobine van erytrocyten, vindt toepassing voor het bepalen van het hersenbloedvolume. Deze radio-isotopen hebben een korte fysische levensduur van enige minuten tot uren en moeten daarom in een cyclotron worden aangemaakt op de plaats waar ook het onderzoek plaatsvindt. Dan volgt het inbouwen van het radionuclide in de verbinding die men als tracer wil gebruiken, het zuiveren en bereiden volgens farmaceutische normen, alles binnen korte tijd in verband met de korte levensduur van het radionuclide. Na intraveneuze toediening en opname van de tracer in het cerebrum wordt de radioactiviteit in het weefsel geregistreerd door de positroncamera of PET-scanner. Dit berust hierop dat de uitgezonden positronen gewone elektronen in het weefsel treffen, en bij de zogenaamde annihilatie die optreedt gammastraling in tegengestelde richtingen wordt uitgezonden. De straling wordt opgevangen door detectoren, die in een ring zijn opgesteld om het te onderzoeken orgaan. Door zogenaamde coïncidentieschakeling van diametraal geplaatste detectoren bereikt men dat alleen een treffer wordt geregistreerd als beide detectoren de straling opvangen. Hiermee is de richting van de stralingsbron bekend, en is men in staat om naast de hoeveelheid ook de lokalisatie van de radioactiviteit te bepalen. Door middel van beeldreconstructietechnieken verkrijgt men de PET-scan, die de verdeling van de gemeten stofwisselingsfunctie (bijvoorbeeld glucoseverbruik) over een doorsnede van het orgaan weergeeft.

Het bepalen van het cerebrale zuurstofverbruik door middel van 15OO2heeft aangetoond dat bij een vaatafsluiting aanvankelijk het zuurstofverbruik toeneemt, wijzend op vitaal weefsel dat zoveel mogelijk zuurstof uit het geringe aanbod probeert te halen; pas later ziet men het verdwijnen van zuurstof- en glucoseverbruik door versterf. Met H215O heeft men de doorbloeding van de hersenschors gemeten tijdens het verrichten van bepaalde handelingen en een toename gezien van de bloedstroom in het schorsgebied dat volgens de bekende atlas van corticale functies daarbij betrokken is. Met behulp van 18F-fluorodesoxyglucose, een glucoseanalogon dat niet geheel wordt gemetaboliseerd, kan het glucoseverbruik in de hersenen worden gemeten. Vermindering tot uitval van het glucoseverbruik vindt men bij weefselverlies, zoals door infarcering of andere beschadigingen,12 in epileptische haarden in de interictale periode, in laaggradige gliomen, maar ook in structuren die op zich intact zijn, maar blijkbaar de invloed ondervinden van de beschadiging van andere structuren die er neuroanatomisch op projecteren; zo kan men bij een infarct in een cerebrale hemisfeer een afgenomen glucoseverbruik vinden in de gekruiste cerebellumhelft. Daarentegen wordt een verhoogd glucoseverbruik beschreven bij maligne gliomen, waarbij de hoogte van het hypermetabolisme met een verkorting van de levensduur van de patiënt bleek te correleren, en verder in epileptische haarden tijdens een insult3

Behalve de energiestofwisseling kan men bij weefselproliferatieve afwijkingen zoals hersentumoren de sterk toegenomen eiwitsynthese in het kader van de vorming van nieuwe cellen, goed onderzoeken door middel van de incorporatie van met 11C gemerkte aminozuren. Gewoonlijk gebruikt men hiervoor 11C-methyl-methionine. Wij geven de voorkeur aan 11C-tyrosine, een aminozuur dat effectiever door de bloed-hersenbarrière wordt getransporteerd, en ook representatiever is voor de eiwitsynthese.1314

PET bezit grote sensitiviteit, waarmee honderdsten van picomolaire concentraties (10-14 moll) kunnen worden gedetecteerd.15 Toekomstige toepassingen liggen derhalve in het afbeelden van receptoren met lage weefselconcentratie. Hiervoor worden met 11C of 18F gemerkte ligantia toegepast, zoals bij patiënten met de ziekte van Parkinson reeds is gelukt voor dopaminereceptoren in het striatum.16 Voor progesteronreceptoren van hormoongevoelige tumoren is PET alleen in enkele gevallen mogelijk gebleken.17

Stofwisselingsonderzoek met magnetische resonantie

Stofwisselingsonderzoek is ook mogelijk op basis van magnetische resonantie. Door een andere programmering van het apparaat kan men er resonantiespectra van verschillende waterstofhoudende organische verbindingen mee verkrijgen. Na onderdrukking van het alles overheersende signaal van de waterprotonen verschijnen in het resonantiespectrum enige pieken, waarvan de plaats op de x-as karakteristiek is voor de chemische omgeving van het betreffende proton (bijvoorbeeld methyl- of acetylgroep).1819 Zo kunnen in het in vivo-proton-MR-spectrum van de hersenen de pieken worden herkend van choline (een bestanddeel van fosfocholine), creatine inclusief fosfocreatine, N-acetyl-aspartaat (NAA) en lactaat, omdat deze metabolieten in voldoende concentratie in het weefsel vóórkomen. Andere metabolieten, zoals ?-aminoboterzuur, die men in het in vitro-MR-spectrum van een weefselextract kan aantreffen, zijn door hun lage concentratie niet in het in vivospectrum zichtbaar. Een verhoging van de cholinepiek vindt men bij aandoeningen met een verhoogde omzetting van fosfocholine voor de membraanbiosynthese, zoals bij tumoren, in het zich ontwikkelende zenuwstelsel, en bij demyeliniserende processen zoals multipele sclerose waarbij ook membraanaanmaak (remyelinisatie) plaatsvindt. Creatine komt vrij uniform voor, en wordt daarom als referentie gebruikt om er de gehalten van de andere metabolieten in uit te drukken. NAA is een metaboliet die alleen in neuronen voorkomt, en waarvan de functie niet bekend is. Deze ontbreekt dus in infarcten en in tumoren waar tumorcellen de zenuwcellen hebben vervangen. Lactaat verschijnt uiteraard waar de glycolyse de overhand heeft, dus bij ischemie en bij tumoren, vooral de maligne, die voor hun energievoorziening gebruik maken van glycolyse. Bij vrijwilligers heeft men tijdens hyperventilatie de lactaatpiek in de hersenen zien toenemen, wat een bekend homeostatisch mechanisme is om de weefsel-pH te normaliseren.20 Lactaat pleegt zich ook op te hopen in tumorcysten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in arachnoïdale cysten.21 Na radiotherapie van gliomen ziet men als resultaat het verdwijnen van de lactaatpiek en de daling van de cholinepiek; de NAA-piek herstelt zich uiteraard niet.22

Het is mogelijk om van een gehele hersendoorsnede de spectra te verkrijgen uit 1 cm³ grote volume-elementen (zogenaamde voxels) waarin men de doorsnede kan verdelen (2-dimensionale MR-spectroscopie), en dan het gehalte aan de verschillende metabolieten binnen elk van de volume-elementen af te beelden (‘magnetic resonance spectroscopic imaging’ (MRSI) als zogenaamde choline-, NAA- of lactaatplattegronden. Een dergelijke plattegrond van de cholineverdeling blijkt (evenals trouwens een 11C-tyrosine-PET-scan) zeer nuttig te zijn om de exacte plaats van een laaggradig glioom vast te stellen voor biopsie of resectie, zelfs wanneer de tumor zich niet verraadt door contrastexsudatie.23

Elektrische activiteit

In de keten van oorzakelijkheden ontmoet men op de weg van stofwisseling naar functie als tussenstation de elektrische activiteit. Zoals eerder betoogd, dient de stofwisseling ertoe om energie in de bruikbare vorm van ATP te produceren, waarmee onder meer de ionenpompen kunnen worden aangedreven, die de membraanpotentiaal onderhouden, vereist voor de elektrische activiteit. De ontdekking van het elektro-encefalogram, waarin de veranderingen van de neuronale membraanpotentiaal tot uiting komen, was ongetwijfeld een grote vooruitgang, waardoor een klinisch verschijnsel als het epileptisch insult een fysiologische onderbouwing kon krijgen. Maar ook in het onderzoek van de elektrische cerebrale activiteit heeft de computer zijn bijdrage geleverd. De membraanpotentiaalveranderingen in het centrale zenuwstelsel, die men met sensorische prikkels kan opwekken, kunnen door middeling van een groot aantal registraties boven de ruis worden uitgetild en zichtbaar gemaakt als geëvoceerde potentialen. Geëvoceerde potentialen als antwoord op gevoels- en gehoorsprikkels en visuele prikkels demonstreren in vivo de neurofysiologische realiteit van de afferente zenuwbanen, terwijl ze de onderzoeker ook in staat stellen onderbrekingen te signaleren, wat onder andere toepassing vindt bij de bewaking tijdens operaties aan het ruggemerg. Tegenwoordig kan men membraanpotentiaalveranderingen niet alleen in het elektro-encefalogram zichtbaar maken; de veranderingen in het magnetische veld waarmee ze gepaard gaan, kan men met de magneto-encefalografie registreren. Uit het elektro-encefalogram of het magneto-encefalogram kan door mathematische bewerkingen de stroombron worden opgespoord in de vorm van een zogenaamde equivalente dipool, die men als oorzaak kan beschouwen van de elektrische en magnetische veldveranderingen,24 en desgewenst kan men de lokalisatie ervan projecteren op een MR-scan van de patiënt, eventueel zelfs als een driedimensionale afbeelding.25

Niet alleen van de afferente zenuwbanen kan men actiepotentialen onderzoeken, maar ook van motorische banen, namelijk door magnetische stimulatie van motorische centra van de hersenschors.

Bij deze overdaad aan nieuwe diagnostische technieken zal toekomstige ervaring moeten leren wat de indicaties zijn, en zullen diagnostische strategieën moeten worden ontwikkeld, waarbij men zich zal laten leiden door afwegingen van de kosten tegen de effectiviteit.2627

Klinische voorbeelden

Patiënt A, een 67-jarige vrouw, kreeg een subarachnoïdale bloeding, toe te schrijven aan ruptuur van een klein aneurysma rechts aan de A. communicans anterior, zoals door het digitalesubtractieangiogram aangetoond (figuur 1). Tijdens dit onderzoek klaagde zij na catheterisatie van de A. vertebralis ineens over heftige duizeligheid en hoofdpijn, zoals bij spasme van de arterie, en steeg de arteriële bloeddruk tot 260150 mmHg. Het daaropvolgende CT-onderzoek toonde geen recidiefbloeding. Het klinische beeld verslechterde: tetraparese, cerebellaire stoornissen, ademhalingsstoornissen, en coma. Een later CT-onderzoek toonde hydrocefalie, waarvoor patiënte eerst externe ventrikeldrainage kreeg en later een ventriculoperitoneale pomp. Op de latere CT-scans waren hypodensiteiten te zien in het cerebellum, in de hersenstam, en mediaan occipitaal, passend bij infarcering (figuur 2). Vanwege het gecompliceerde klinische beeld werd een PET-scan met 15O-water (figuur 3a) gemaakt, die een groot gebied van verlaagde doorbloeding rechts pariëto-occipitaal toonde, ook de 18F-desoxyglucose-PET-scan (zie figuur 3b) toonde in hetzelfde gebied een sterk verlaagde glucoseconsumptie. Deze bevindingen bevestigden het infarct rechts in het parëto-occipitale gebied, waarbij het sterk afgenomen glucoseverbruik wees op versterf van het ischemische weefsel. Patiënte herstelde uiteindelijk en doorliep een intensief revalidatieprogramma.

Patiënt B, een 32-jarige man, kreeg 3 maanden voor aanmelding een epileptisch insult tijdens de slaap, met schudden, speekselvloed en tongbeet. Hij was gedurende 10 min niet wekbaar. Hij bleek eigenlijk reeds anderhalf jaar af en toe perioden van enkele seconden te vertonen, waarin hij niet aanspreekbaar was en smakkende bewegingen met de tong maakte. De CT-scans toonden een grote ruimte-innemende afwijking, rechts frontotemporaal gelegen, met veel oedeem, hetgeen ook te zien was als een gebied van hoge signaalintensiteit op de T2-gewogen beelden (figuur 4). Op het digitale-subtractieangiogram was er geen aankleuring van pathologische vaatnieuwvorming in de tumor te zien (figuur 5). Op het MR-spectrogram (figuur 6) van het tumorgebied b was er sterke verhoging van de cholinepiek en een verlaging van de NAA-piek, op dat van tumorgebied a was de cholinepiek niet verhoogd, maar de NAA-piek afwezig, terwijl er nu een lactaatpiek was verschenen. MRSI toonde in de rechter temporaalpool een gebied met verhoging van choline (figuur 7a), in hetzelfde gebied ontbrak NAA (zie figuur 7b) en was slechts een geringe lactaatverhoging (zie figuur 7c). De 11C-tyrosine-PET-scan toonde rechts temporaal een gebied van sterke tyrosine-opname, van hetzelfde ruimtelijke patroon als het gebied van verhoogd choline (figuur 8); beide wijzen op een proliferatieve afwijking. Bij craniotomie werd rechts een frontotemporale tumor gereseceerd; histologisch een laaggradig astrocytoom.

Literatuur
  1. Go KG, Blaauw G, Hollewijn-Theulings GJ, Millenaar WA,Oosterhuis M, Rademakers JMA. Neurochirurgie, voor operatie-assistenten engespecialiseerde verpleegkundigen. Utrecht: Bunge, 1993.

  2. Go KG. Cerebral pathophysiology. An integral approach withsome emphasis on clinical implications. Amsterdam: Elsevier, 1991.

  3. Scheltens P, Weinstein HC, Gool WA van. De waarde van denieuwe diagnostische technieken bij de ziekte van Alzheimer.Ned Tijdschr Geneeskd 1992; 136:2459-62.

  4. Go KG. Physical and biochemical methods for analysis offluid compartments. In: Boulton AA, Baker GB, Waltz W, eds. Neuromethods; theneuronal microenvironment. Clifton: The Humana Press, 1988; 9:127-85.

  5. Kamman RL, Go KG, Muskiet FAJ, Stomp GP, Dijk P van,Berendsen HJC. Proton spin relaxation studies of fatty tissue and cerebralwhite matter. Magn Reson Imaging 1984; 2: 211-20.

  6. Kamman RL, Go KG, Vencken LM, Berendsen HJC.Interpretation of magnetic resonance images making use of in vitroexaminations of spinal tissue. Spine 1987; 12: 257-63.

  7. Kamman RL, Go KG, Brouwer W, Berendsen HJC. Nuclearmagnetic resonance relaxation in experimental brain edema: effects of waterconcentration, protein concentration, and temperature. Magn Reson Med 1988;6: 265-74.

  8. Go KG, Edzes HT. Water in brain edema. Observations by thepulsed nuclear magnetic resonance technique. Arch Neurol 1975; 32:464-5.

  9. Go KG, Kamman RL, Wilmink JT, Mooyaart EL. A study onperitumoural brain oedema around meningiomas by CT and MRI scanning. ActaNeurochir 1993; 125: 41-6.

  10. Go KG, Dijk P van, Luiten AL, et al. Interpretation ofnuclear magnetic resonance tomograms of the brain. J Neurosurg 1983; 59:574-84.

  11. Valk J, Maclean C, Algra PR. Inleiding in dekernspintomografie (NMR) imaging. Amsterdam: VU Uitgeverij, 1985.

  12. Prenen GHM, Go KG, Paans AMJ, et al. Positron emissiontomographical studies of 1-11C-acetoacetate,2-18F-fluoro-deoxy-D-glucose, and L-1-11C-tyrosineuptake by cat brain with an experimental lesion. Acta Neurochir 1989; 99:166-72.

  13. Paans AMJ, Elsinga PH, Vaalburg W. Carbon-11 labeledtyrosine as a probe for modelling the protein synthesis rate. In: Mazoyer BM,Heiss WD, Comar D, eds. PET studies on amino acid metabolism and proteinsynthesis. Boston: Kluwer, 1993: 161-74.

  14. Ishiwata K, Vaalburg W, Elsinga PH, Paans AMJ, WoldringMG. Metabolic studies with L-1-14Ctyrosine for the investigationof a kinetic model to measure protein synthesis rates with PET. J Nucl Med1988; 29: 524-9.

  15. Paans AMJ, Vaalburg W, Woldring MG. A comparison of thesensitivity of PET and NMR for in vivo quantitative metabolic imaging. Eur JNucl Med 1985; 11: 73-5.

  16. Rutgers AWF, Lakke JPWF, Paans AMJ, Vaalburg W, Korf J.Tracing of dopamine-receptors in hemiparkinsonism with positron emissiontomography. J Neurol Sci 1987; 80: 237-48.

  17. Verhagen A, Elsinga PH, Groot TJ de, et al. A18Ffluorine labeled progestin as an imaging agent forprogestin receptor positive tumors with positron emission tomography. CancerRes 1991; 51: 1930-3.

  18. Luyten PR, Mariën AJH, Heindel W, et al. Metabolicimaging of patients with intracranial tumors: H-1 MR spectroscopic imagingand PET. Radiology 1990; 176: 791-9.

  19. Heerschap A, Luyten PR, Bernsen HJ, et al. Combined 1Hand 31P NMR spectroscopic examination of human intracranial tumorsat 1.5 tesla. Society of Magnetic Resonance Medicine; 8th Annual Meeting,1989. Berkeley, Calif., USA: Society of Nlagnetic Resonance Medicine, 1989:430.

  20. Rijen PC van, Luyten PR, Berkelbach van der Sprenkel JW,et al. 1H and 31P NMR measurement of cerebral lactate,high energy phosphate levels, and pH in humans during voluntaryhyperventilation: associated EEG, capnographic, and Doppler findings. MagnReson Med 1989; 10: 182-93.

  21. Go KG, Hew JM, Kamman RL, Molenaar WM, Pruim J, BlaauwEH. Cystic lesions of the brain. A classification based on pathogenesis, withconsideration of histological and radiological features. Eur J Radiol 1993;17: 69-84.

  22. Heesters MAAM, Kamman RL, Mooyaart EL, Go KG. Localizedproton spectroscopy of inoperable brain gliomas. Response to radiationtherapy. J Neurooncol 1993; 17: 27-35.

  23. Go KG, Keuter EJW, Kamman RL, et al. The contribution ofmagnetic resonance spectroscopic imaging andL-111C-tyrosine positron emission tomography tolocalization of cerebral gliomas for biopsy. Neurosurgery (terperse).

  24. Lopes da Silva FH, Spekreijse H. Localization of brainsources of visually evoked responses: using single and multiple dipoles. Anoverview of different approaches. Event-related Brain Res 1991; 42 (EEGSuppl): 38-46.

  25. Kapouleas I, Alavi A, Alves WM, Gur RE, Weiss DW.Registration of three-dimensional MR and PET images of the human brainwithout markers. Radiology 1991; 181: 731-9.

  26. Voorthuisen AE van. MRI en ‘technologyassessment’. Ned TijdschrGeneeskd 1989; 133: 1583-6.

  27. Knaap MS van der, Valk J. Kernspinresonantie-tomografievan het centrale zenuwstelsel; een goed gebruik van de mogelijkheden.Ned Tijdschr Geneeskd 1989; 133:2433-8.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Postbus 30.001, 9700 RB Groningen.

Afd. Neurochirurgie: prof.dr.K.G.Go, neurochirurg.

Afd. Radiodiagnostiek, onderafd. MRI: dr.R.L.Kamman, klinisch fysicus; dr.E.L.Mooyaart, radiodiagnost.

Instituut voor Positron-emissietomografie: J.Pruim; prof.dr.W.Vaalburg, radiochemicus; dr.A.M.J.Paans, klinisch fysicus.

Contact prof.dr.K.G.Go

Gerelateerde artikelen

Reacties