Zuiderburg als Nederlands eerste grote particuliere ziekenhuis, 1831-1865

Perspectief
G.T. Haneveld
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1987;131:2422-5
Download PDF

artikel

De eerste decenniën van de negentiende eeuw bestonden reeds alom in den lande gast- en ziekenhuizen waar op kosten van de overheid behoeftige patiënten konden worden opgenomen en behandeld. Zieken uit de meer gegoede klassen werden thuis verpleegd. Het is in ons land de Groningse hoogleraar Pieter Hendriksz. (1779-1845) geweest die – zoals zijn zoon in 1856 aan C.S.Holtrop meedeelde – naar analogie van ontwikkelingen in het buitenland de aandacht vroeg voor ‘particuliere genees- en heelkundige inrigtingen, ook voor de patiënten van den zoogenaamden gegoeden stand, ten doel hebbende: om aan lijders met ingewikkelde of verouderde kwalen, met aangeboren gebreken en vormafwijkingen behebt, al die hulpmiddelen, die onafgebroken zorg en onmiddellijk toezigt bij dag en nacht aan te bieden, die zij meestal zo dringend behoeven’.1

Door vooruitgang in de medische wetenschappen konden de ‘geachtste en beroemdste geneesheren’ reeds de grootste voorstanders zijn geworden van de hospitaalbehandeling, meende Hendriksz en hij voegde eraan toe: ‘Particuliere ziekenhuisverplegingsinrigtingen zijn derhalve eene erkende behoefte in de zamenstelling onzer hedendaagsche maatschappijen; zij zijn in 't belang van alle klassen even onmisbaar, als zij, uit een hooger gezigtspunt beoordeeld, inrigtingen zijn van eene zuivere menschlievende en zedelijke strekking.’

Gedreven door een ‘verheven gevoel van ware vaderlandsliefde’ en door medeleven met die vele ‘lijders, die jaarlijks naar het buitenland reizen, om daar hulp te zoeken voor hunne physieke ellende (. . .) die zij ten hunnent vermeenen te ontberen’, ondervond hij dit zoeken naar buitenlandse hulp als een ‘stilzwijgende vernedering (. . .) voor ons hooger onderwijs, voor onze weleer zoo beroemde Akademiën, voor den geheelen achtbaren stand der geneeskunstbeoefenaren’. Om zijn theorieën om te zetten in de praktijk betrok Hendriksz. even bezuiden 's-Gravenhage, tussen Rijswijk en Voorburg, de Hofstede Zuiderburg met haar kapitale herenhuizing die de 25e juli 1831 bij veiling voor 15.000 gulden was verkocht, waar hij een waarlijk indrukwekkend ‘Geneeskundig Etablissement’ wist te creëren. In de hofstad is dit etablissement zonder twijfel tegemoetgekomen aan een behoefte. Tot 1825 – het jaar dat het Burgergasthuis (later: Haagsch Gemeente Ziekenhuis) werd geopend – is de stad namelijk van elke vorm van een openbare ziekeninrichting verstoken geweest.

Het geneeskundig etablissement zuiderburg

Zuiderburg was een tamelijk uitgestrekt landgoed (8 bunder, 68 roeden) rond een voormalig klooster en voorzien van vijvers en bos en kronkelende ruime wandelpaden. Ook waren er moes- en bloementuinen. In het grote herenhuis met voor- en achtervleugels had Hendriksz. de nodige verbeteringen laten aanbrengen met o.a. hete-luchtverwarming in de corridors. In dit hoofdgebouw waren de vertrekken voor de directeur en zijn gezin en voor het pathologisch-anatomische museum, maar het was ‘overigens meerendeels bestemd voor kranken uit den fatsoenlij ken en gegoeden stand’. In een aangrenzend gebouw waren ‘goed ingerigte kleinere vertrekken, deels voor onvermogenden’. Hier tegenover verrees in de jaren veertig een badhuis waar medicinale baden gegeven konden worden. Voorts waren er ‘domestieken-kamers, keukens, ruime stalling en remises’; dit alles was gelegen rond een groot belommerd binnenplein.

Afhankelijk van de aard der ziekte, maar ook van de financiële draagkracht, werden in Zuiderburg appartementen beschikbaar gesteld, die waren ‘ingerigt voor ééne of meerdere personen (b.v. twee dames, kinderen met bonnes enz.)’. Ook werden niet- of onvermogenden opgenomen en behandeld.

Ooglijders en orthopedische patiënten kregen speciale aandacht. De eersten werden, afgezonderd van de overige patiënten in het hoofdgebouw, verpleegd in kamers met getemperd licht; een overigens vrij unieke situatie in die tijd. Voor de tweede categorie was er ‘bij den zaal voor Chirurgicale Instrumenten, eene groote verzameling van Modellen voor Orthopaedische toestellen, waarnaar de verschillende mechanische hulpmiddelen (rekbedden, rugmachines, enz.) voor iedereen resp. patiënt worden vervaardigd’.

Dagelijks werden medische visites bij de patiënten afgelegd en in bijzondere gevallen kon onmiddellijk hulp geboden worden. Tussen de visites door verbleven de patiënten op hun kamers, waar zij naar welgevallen bezoek konden ontvangen, of gingen zij wandelen in het park. De bibliotheek beschikte over de belangrijkste tijdschriften en de patiënten konden er ook musiceren. Tenslotte was er gelegenheid tot vissen en lichaamsoefeningen. Vóór of bij de opname werden de kosten van een verblijf op Zuiderburg en eventuele genees- en heelkundige behandelingen in gemeenschappelijk overleg met de betrokkenen geregeld. Men zou daarbij echter ‘naar de meer of minder gecompliceerde operatiën, de bijzondere exigentiën, en vooral ook naar aanzien van personen, steeds met de meest heusche bescheidenheid te werk gaan’.

Op de doordeweekse dagen werden consulten verleend. De zaterdagen waren geheel gewijd aan de kosteloze behandeling van de armen, mits zij in het bezit waren van een bewijs van onvermogen, dat was afgegeven door het bestuur van hun gemeente. Jaarlijks werden meer dan 7000 gratis consulten gegeven en werd een zeer groot aantal lijders kosteloos geopereerd.1-4 De zoon van Hendriksz. was 's maandags in zijn woning op de Heerengracht, hoek Hartenstraat in Amsterdam te consulteren. Volgens een advertentie in de Dordrechtsche Courant van ‘Zaturdag 11 juli 1857’ bleek hij ook 's dinsdags in Rotterdam in Hôtel De Groote Romein spreekuur te houden.5 Wie waren de vader en de zoon Hendriksz.?

Pieter hendriksz. (1779-1845)

Pieter Hendriksz. zag de 20e augustus 1779 in Enkhuizen het levenslicht. Als jongen werd hij door zijn ouders naar Gouda gestuurd om daar Latijn en Frans te leren, ‘voor zoover noodig om vervolgens de chirurgie te beoefenen’. Op zijn vijftiende jaar was hij al chirurgijn der derde klasse bij de vloot, op zijn zestiende chirurgijn der tweede klasse en weer een jaar later slaagde hij bij het Bureau van Gezondheid te Rotterdam voor het examen als scheepschirurgijn. In 1799 lag hij tijdens de inval der Engelsen en de Russen met de troepen der Bataafse Republiek in Noord-Holland. In 1804 slaagde hij in Groningen als heelmeester bij het Departementaal College; in 1811 werd hij bevorderd tot vroedmeester. Het jaar daarop was hij militair heelmeester te Delfzijl. Ondertussen was Hendriksz. in Groningen gaan studeren en was hij in 1807 amanuensis geworden bij de bekende hoogleraar in de verloskunde en chirurgie Johannes Mulder (1769-1810). Onder diens leiding ontwikkelde Hendriksz. zich tot een kundig operateur. Toen Mulder een empyeem van zijn antrum Highmori kreeg, liet hij – na eerst over dit onderwerp een klinische les te hebben gegeven – zich dan ook door Hendriksz. opereren. Helaas heeft Mulder een bijkomende infectie niet overleefd. Hendriksz. werd daarop met de waarneming van Mulders lessen en de leiding van het Groningse Nosocomium belast. Toen Gerbrand Bakker (1771-1828) tot opvolger van Mulder was benoemd, stond deze het onderwijs in de chirurgie onofficieel aan Hendriksz. af. De 16e oktober 1815 werd Hendriksz. door koning Willem I benoemd tot lector. In 1818 volgde een benoeming tot professor-extraordinarius, maar voor het zover was, ontving Hendriksz., die geen medicinae doctor was, het Groningse eredoctoraat. In 1823 kreeg hij een zetel in de senaat, hij werd ordinarius en in 1830 rector magnificus.

Hendriksz. was niet alleen een goed docent – ‘een groot fabriqueur van dokters’ werd gezegd – maar bovenal een practicus. Diverse publikaties over steensnijdingen, amputaties en tumoren, maar vooral ook de onderhuidse tenotomie van de achillespees getuigden van zijn kunnen. Zijn grote organisatorische talenten kwamen o.a. naar voren tijdens het uitbreken van de ‘volksziekte’ te Groningen (1825-26), waarbij hij een noodziekenhuis inrichtte en zeer veel werk verrichtte. Hij ontving hiervoor een koninklijke onderscheiding.

Toen in 1827 Meinard Simon Du Pui (1754-1834) als hoogleraar in Leiden moest worden opgevolgd, werd Hendriksz. voorgesteld, maar deze wees de eervolle benoeming af. Ook voor een benoeming als hoogleraar aan de Klinische School te Amsterdam heeft hij bedankt. De reeds eerder geformuleerde gedachte aan een particulier ziekenhuis heeft hem kennelijk zo gefascineerd dat hij in 1831 afzag van alle verdere hoogleraarsfuncties en zich naar Den Haag begaf om zich aldaar geheel te wijden aan de behandeling van patiënten die aan oog- of orthopedische afwijkingen leden. Deze zware taak heeft hij tot 1845 voortgezet; toen maakte een langdurige ziekte een einde aan zijn leven.6-9

Wijbrand hendriksz. (1814-1873)

Vanaf het begin van het Geneeskundig Etablissement Zuiderburg wist Hendriksz. zich gesteund door zijn beide zoons. De oudste, Menton Antonius, is helaas voortijdig overleden, maar de jongste, Wijbrand, heeft in Zuiderburg een zeer actieve rol gespeeld (figuur). Na een medische studie in Duitsland en promotie in Berlijn (1838) heeft hij zich vooral op de oogheelkunde toegelegd en hij heeft zich ook voor Zuiderburg ingezet. Toen zijn vader was overleden, heeft Wijbrand tal van verbeteringen tot stand gebracht, o.a. de bouw van het badhuis, de zalen voor de oogpatiënten en ‘eene inrigting voor het tegengaan van Decubitus’. Ook werd de wetenschappelijke boekerij van Zuiderburg aanzienlijk uitgebreid. Deze activiteiten en de gratis hulp aan de onvermogenden hebben zijn financiële middelen waarschijnlijk overschreden. In het 's Gravenhaagsch Weekblad van voorjaar en zomer 1856 verschenen tenminste berichten dat Zuiderburg ‘voor minvermogenden’ zou worden gesloten.10 Vanaf 1831 waren er reeds meer dan 6000 patiënten kosteloos behandeld en Hendriksz. wilde deze zorg staken. Om dit te voorkomen werden tijdens een zitting van de gemeenteraad 283 handtekeningen aangeboden met het verzoek Zuiderburg financieel te steunen.11 De raad heeft daarop gunstig gereageerd.

Het doek valt over zuiderburg

Negen jaren later leek de sluiting definitief te worden. In de Haagsche Courant van 10 mei 1865 verscheen althans een mededeling dat het Geneeskundig Etablissement Zuiderburg zou worden opgeheven. De redactie sprak daarover haar diepe leedwezen uit en wees erop hoe zowel de hooggeleerde als zijn zoon gedurende 33 jaren hun beste krachten aan Zuiderburg hadden gegeven. ‘Onnoemelijke offers heeft laatstgenoemde zich getroost uitsluitend ter gratuite opname en verpleging der arme patiënten, die dan ook een oord verliezen, waar zij met de meest gefortuneerde op gelijken voet werden gesteld.’ De redactie hoopte dat het gerucht dat Hendriksz. zich naar het buitenland zou begeven onjuist zou zijn, maar zij wilde ‘dien kundigen arts een hartelijk vaarwel naroepen, wiens geneeskundige verpleging velen zich in dankbaarheid zullen herinneren’. Het gerucht bleek maar al te waar, want de 19e juni 1865 stond er een advertentie in de krant: ‘Gelegenheid tot oprigting eener FABRIEK of INSTITUUT (...) TE KOOP het gebouw genaamd ZUIDERBURG’. Kennelijk is niemand op deze advertentie ingegaan, want nog geen jaar later las men in het Nederlandsch Magazijn een artikeltje over ‘een thands geheel gesloopte inrichting (. . .) die, de beste buitenlandsche inrichtingen van die aart naar de kroon stekende, een cieraad van het Vaderland heeten mocht. . .’.12

Wijbrand Hendriksz. is niet naar het buitenland vertrokken. De 15e september 1873 is hij in Amsterdam overleden. In het overlijdensbericht werd hij ‘(Consulent-)Geneesheer van Z.M. den Koning’ genoemd. Een half jaar later overleed ook zijn echtgenote.

De inboedel van Zuiderburg, alle medische instrumenten, de boekerij en het kostbare museum werden openbaar verkocht. Het lot van de pathologisch-anatomische collectie wordt in een andere bijdrage in dit tijdschriftnummer beschreven.13

Wat is overgebleven van Nederlands eerste particuliere ‘geneeskundige etablissement’? Slechts twee gemetselde zuilen aan de weg in Voorburg langs de Vliet, met daarop bescheiden uitgehouwen de woorden: Zuyder Burg. Het Nederlandsch Magazijn gaf de volgende woorden ter overdenking mee: ‘Wy Nederlanders zijn in sommige opzichten een zonderling volk: breed genoeg van opvatting om iedere goede en groote zaak naar eisch te waarderen, zijn wy toch evenzeer behebt met die den nationale vooruitgang zoo zeer benadeelende kleingeestige zelfverwerping, om dat goede en groote by voorkeur in den vreemde te bewonderen, en het binnen onze eigene grenzen geheel en al voorby te zien’.12

Literatuur
  1. Holtrop LSA, Schoevers ATC, Noorda JS van der. Zuiderburg.Geneesk Crt 1856; 10: nr 20.

  2. Hendriksz. W. Geneeskundig Etablissement Zuiderburg nabij's Gravenhage in 1845. Brochure.

  3. Etablissement de Santé Zuiderburg. Guide officieldes étrangers (1857). 's-Gravenhage: Gemeentearchief.

  4. Anonymus. Geneeskundig Etablissement Zuiderburg.Nederlandsche Residentie- en 's Gravenhaagsche Stads-Almanak van hetSchrikkeljaar 1860. 494-6.

  5. Beyerman JJ. Dr.W.Hendriksz., 1857.Ned Tijdschr Geneeskd 1957; 101:1944.

  6. Kasteele GE van. Herinnering aan den hoogleeraar PieterHendriksz. Boerhaave. Tijdschr Genees- Heel- Verlos- en Artsenijmengk 1844;3: 241-51.

  7. Academia Groningana. Gedenkboek ter gelegenheid van hetderde eeuwfeest der universiteit te Groningen. Groningen: Noordhoff,1914.

  8. Nijhoff GC. Drie Enkhuizer professors in de geneeskunde.Ned Tijdschr Geneeskd 1924;68: 2257-61.

  9. Lindeboom GA. Dutch medical biographical dictionary ofDutch physicians and surgeons, 1475-1975. Amsterdam: Rodopi, 1984.

  10. Artikelen betreffende de sluiting van Zuiderburg vooronvermogenden. 's Gravenhaagsch Weekblad 21 april, 26 mei, 2, 16 juni,28 juli 1856.

  11. Artikel betreffende de sluiting van Zuiderburg vooronvermogenden. 's Gravenhaagsch Weekblad 28 juli 1856.

  12. Anonymus. Het, voormalig, Geneeskundig EtablissementZuiderburg, by 's Gravenhage. Nederlandsch Magazijn 1866; nr 21:160-1.

  13. Haneveld GT. Zuiderburg als pathologisch-anatomischmuseum van professor Hendriksz., inclusief het Cabinet van Quaestius.Ned Tijdschr Geneeskd 1987; 131:2425-8.

Auteursinformatie

Rijksuniversiteit, Pathologisch Instituut, Pasteurstraat 2, 3511 HX Utrecht.

Dr.G.T.Haneveld, patholoog-anatoom.

Gerelateerde artikelen

Reacties