Ziekte van Lyme: hoe groot is het probleem?

Opinie
Henriëtte E. van der Horst
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A8175
Abstract
Download PDF

De ziekte van Lyme houdt de gemoederen al een aantal jaar bezig. Enige jaren geleden leidde een burgerinitiatief van de Nederlandse Vereniging voor Lymepatiënten tot het instellen van een commissie van de Gezondheidsraad die de minister een advies moest uitbrengen, waarin de vragen van het burgerinitiatief beantwoord werden.1 In diezelfde periode vond de herziening plaats van de multidisciplinaire CBO-richtlijn 'Lymeziekte' die aanleiding gaf tot verhitte discussies.2

In hun beschouwing in dit nummer vermijden Hovius en Sprong de pijnpunten die aanleiding gaven tot die discussies.3 Belangrijke pijnpunten zijn onduidelijkheid of onenigheid over de omvang van het probleem, over de hoeveelheid gemiste gevallen van de ziekte van Lyme en over de kans op een chronisch beloop van de ziekte. Hovius en Sprong geven een overzicht van de ecologische en epidemiologische aspecten van de ziekte van Lyme en gaan in op de mogelijkheden om een besmetting te voorkomen met Borrelia burgdorferi,de verwekker van de ziekte van Lyme.

Dat laatste blijkt nog niet zo eenvoudig te zijn, want ons natuurbeheer leidt tot een toename van het aantal gastheren van de teek en daarmee tot een toename van het aantal teken en tekenbeten. Publiekscampagnes die mensen oproepen om liefst zo bedekt mogelijk te gaan wandelen in gebieden waar de teek rondwaart en bij thuiskomst zichzelf te inspecteren of te laten inspecteren op teken hebben niet helemaal het gewenste resultaat – zoals vaker het geval is met publiekscampagnes.

Ondanks al die voorlichting worden in Nederland waarschijnlijk ruim 1 miljoen mensen jaarlijks gebeten door een teek. Slechts 2% van die mensen met een tekenbeet krijgt een eerste, kenmerkende manifestatie van de ziekte van Lyme: een erythema migrans. Een veel kleiner gedeelte, en daar blijven de auteurs vaag over, krijgt een ernstigere variant, als behandeling van een erythema migrans uitblijft als of een erythema migrans ontbreekt als eerste manifestatie (20% van de patiënten met Lyme-ziekte).

Een reële risicoberekening

De vraag die zich opdringt is: hoe groot is nu dat risico op een ernstige variant, en hoe groot is dat risico afgezet tegen het aantal uren blootstelling in de natuur? Bij vliegtuig- en andere verkeersongelukken drukken we de kans op een dodelijk ongeluk uit in het aantal reizigerskilometers. Bij het berekenen van de kans op een ernstige variant van de ziekte van Lyme – een dodelijke afloop is bij mijn weten tot nu toe niet beschreven – moeten we dan uitgaan van het aantal 'mensnatuururen', zodat we het risico op waarde kunnen schatten.

Om een dergelijke berekening te kunnen maken moeten we van de verschillende late manifestaties van Lyme weten hoe vaak ze voorkomen. Hoewel de precieze incidentie van de ziekte van Lyme niet bekend is, is wel duidelijk dat de incidentie van ernstige vormen, zoals lymemeningitis, in Nederland erg laag is; in 2001 werd die geschat op 3,6 per 1.000.000 inwoners. De patiënten bij wie de behandeling van een late gedissemineerde vorm van de ziekte van Lyme faalt en de bacterie aantoonbaar blijft zijn uitermate zeldzaam.2

De kans op een ernstige vorm van de ziekte van Lyme die ook nog eens therapieresistent is na een tekenbeet is dus erg klein, zeker als we die afzetten tegen het aantal 'mensnatuururen', maar die berekeningen zijn nog niet gemaakt. Dat neemt niet weg dat een late gedissemineerde vorm van de ziekte van Lyme een vervelende aandoening is die bij een aantal patiënten gepaard gaat met langerdurende restverschijnselen.

Gemiste diagnoses

Niet iedereen die een erythema migrans heeft gaat ermee naar een arts en niet iedere arts herkent deze aandoening. Een deel van de mensen klaart de infectie alsnog zelf. In Nederland bedraagt de seroprevalentie 4-8%, dat wil zeggen: 4-8% van de mensen heeft antistoffen ontwikkeld tegen Borrelia burgdorferi.2 Het merendeel van hen heeft nooit iets gemerkt van de besmetting. Je kunt dan niet spreken over een gemiste diagnose.

Een aantal mensen zal een vroege gedissemineerde vorm van Lyme ontwikkelen met een aantal kenmerkende of minder kenmerkende manifestaties, die meestal herkend wordt en adequaat behandeld wordt, maar een klein deel niet. Ook de late gedissemineerde vorm van Lyme wordt af en toe niet herkend. En dat kan beter. Maar de vraag is wel hoeveel patiënten met Lyme-ziekte worden gemist en hoe vaak dat tot vervelende consequenties leidt. Betrouwbare gegevens daarover ontbreken echter.

Een slechte naam

Een probleem is dat de ziekte van Lyme een slechte naam heeft gekregen. De angst voor een chronisch beloop van de klachten is groot, terwijl geïnfecteerde patiënten in het algemeen goed te behandelen zijn, ook als zij onverhoopt pas laat worden gediagnosticeerd. Al ontbreken exacte gegevens over de prevalentie van een ongunstig beloop, het is duidelijk dat volledig herstel verreweg het meest voorkomt.

In dat opzicht is de ziekte van Lyme te vergelijken met de ziekte van Pfeiffer, die tientallen jaren terug ook een slechte naam kreeg omdat veel mensen daarna langdurig moe bleven. Het merendeel van de mensen met een Epstein-Barr-virus(EBV)-infectie herstelt echter voorspoedig; slechts een minderheid blijft nog een tijdlang moe, zoals dat soms ook na besmetting met een ander virus het geval is.4,5 Na een EBV-besmetting ligt dat percentage weliswaar wat hoger, maar ook daar is snelle en restloze genezing de norm; mensen die onverhoopt toch langer moe blijven blijken beter en sneller te herstellen met een beweeg- dan met een rustadvies.6 Inmiddels lijkt het erop dat de angst voor Pfeiffer weer afgenomen is: de ziekte van Pfeiffer wordt niet meer automatisch geassocieerd met moeheid.

Als er meer feiten op tafel komen over de reële risico's en eventuele vervelende gevolgen van de ziekte van Lyme, zou het zomaar kunnen gebeuren dat ook de slechte naam van 'Lyme' geleidelijk aan verdwijnt.

Literatuur
  1. Lyme onder de loep. Publicatienr 2013/12. Den Haag: Gezondheidsraad; 2013.

  2. Richtlijn Lymeziekte. Utrecht: CBO; 2013.

  3. Hovius JWR, Sprong H. Bestrijding van de ziekte van Lyme. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7986.

  4. White PD, Thomas JM, Amess J, et al. Incidence, risk and prognosis of acute and chronic fatigue syndromes and psychiatric disorders after glandular fever. Br J Psychiatry. 1998;173:475-81. doi:10.1192/bjp.173.6.475. Medline

  5. Katz BZ, Shiraishi Y, Mears CJ, Binns HJ, Taylor R. Chronic fatigue syndrome after infectious mononucleosis in adolescents. Pediatrics. 2009;124:189-93. doi:10.1542/peds.2008-1879. Medline

  6. Candy B, Chalder T, Cleare AJ, Wessely S, White PD, Hotopf M. Recovery from infectious mononucleosis: a case for more than symptomatic therapy? A systematic review. Br J Gen Pract. 2002;52:844-51 Medline.

Auteursinformatie

VUmc, afd. Huisartsgeneeskunde en ouderengeneeskunde, Amsterdam.

Contact Prof.dr. H.E. van der Horst, huisarts (he.vanderhorst@vumc.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: de auteur is lid van de Gezondheidsraadcommissie die het rapport 'Lyme onder de loep' heeft opgesteld.

Auteur Belangenverstrengeling
Henriëtte E. van der Horst ICMJE-formulier
Bestrijding van de ziekte van Lyme

Gerelateerde artikelen

Reacties