Zelfmelders op de spoedpost bij triage door de huisartsenpost

Onderzoek
Marleen Smits
Martijn Rutten
Loes Schepers
Paul Giesen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2017;161:D1601
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Er is een trend tot colocatie van de huisartsenpost (HAP) met de SEH in een spoedpost, waar de HAP doorgaans triage verricht en een groot deel van de zelfmelders behandelt die voorheen uit zichzelf naar de SEH gingen. We onderzochten patiënt- en zorgkenmerken van zelfmelders op spoedposten waar de HAP de triage verricht, en welk percentage van de zelfmelders naar de SEH wordt verwezen.

Opzet

Retrospectief transversaal observationeel onderzoek.

Methode

We voerden een beschrijvende analyse uit van routinematig verkregen registratiegegevens van zelfmelders van vijf spoedposten (n = 20.451). Het betrof leeftijd, geslacht, tijdstip, urgentie, diagnose en verwijzing.

Resultaten

Van de zelfmelders was 57,9% man en de gemiddelde leeftijd was 32,7 jaar. Het aantal zelfmelders per uur was het hoogst in het weekend, met name tussen 11:00 en 17:00 uur. Op doordeweekse dagen was er een piek tussen 17:00 en 21:00 uur. Het merendeel kreeg bij triage een lage (35,7% U4 of U5) tot middelhoge urgentie (49% U3) toegewezen. Bij ongeveer de helft van de zelfmelders ging het om trauma van het bewegingsapparaat (28%) of de huid (27,3%). In totaal werd 23% van de zelfmelders verwezen naar de SEH.

Conclusie

Zelfmelders op de HAP zijn vaak jong, man en hebben meestal laag-tot middelurgente traumagerelateerde klachten. Veel zelfmelders komen overdag in het weekend of op vroege doordeweekse avonden. Meer dan driekwart wordt door de HAP behandeld, zonder verwijzing naar de SEH. Dit vermindert de belasting van de SEH.

Leerdoelen
  • Het merendeel van de huisartsenpost (HAP’s) vormt met de SEH een spoedpost, waar de HAP doorgaans triage verricht en een groot deel van de voormalige SEH-zelfmelders behandelt.
  • Zelfmelders op de HAP zijn vooral jong, man en hebben laag- tot middelurgente, traumagerelateerde klachten.
  • De HAP kan een groot deel van de zelfmelders op een spoedpost zelfstandig behandelen.
  • Het aantal zelfmelders per uur is het hoogst overdag in het weekend en doordeweeks vroeg op de avond.
  • Minder dan een kwart van de zelfmelders wordt naar de SEH verwezen.
  • Veel zelfmelders worden door de HAP verwezen naar de SEH vanwege trauma van het bewegingsapparaat.

artikel

Inleiding

Huisartsenposten (HAP’s) vestigen zich in toenemende mate bij de Spoedeisende Hulp (SEH) van een ziekenhuis.1-5 In 2015 vormde 56% van de HAP’s een spoedpost met een SEH. Door deze gezamenlijke vestiging zijn er mogelijkheden tot verdere samenwerking ontstaan.

Een voorbeeld hiervan is de opvang van zelfmelders (‘aanlopers’) door de HAP buiten kantooruren. Zelfmelders zijn patiënten die op eigen initiatief, zonder vooraf te bellen en zonder verwijzing, op de SEH, HAP of gezamenlijke spoedpost komen. Zij dragen bij aan de actuele problematiek van ‘overcrowding’ op de SEH. Mede hierdoor ontstaan lange wachttijden, waardoor de zorg voor ernstiger acuut zieke patiënten in het gedrang komt. Bovendien krijgen zij op de SEH kostbare specialistische zorg, terwijl ruim driekwart (76-83%) ook door de huisarts of HAP behandeld kan worden.6-9

Bij 54% van de spoedposten is de HAP verantwoordelijk voor de triage, bij 21% de SEH, bij 15% kiest de zelfmelder (er zijn aparte balies voor HAP en SEH) en bij 10% triëren de HAP en SEH afwisselend, afhankelijk van het tijdstip.10

Met het intensiveren van de samenwerking tussen HAP en SEH in de vorm van spoedposten is het gemiddelde percentage zelfmelders op de SEH in Nederland de laatste jaren afgenomen van 30 in 2012,11 naar 17 in 2015.4 Eerder is kleinschalig regionaal onderzoek gedaan naar zelfmelders die op de HAP werden behandeld.12,13 Daaruit bleek dat het voornamelijk gaat om jonge mannen met laagurgente, traumagerelateerde klachten.12 Respectievelijk 75 en 83% van de klachten van zelfmelders kon op de HAP worden afgehandeld.12,13 Bovendien was de zorg veilig,12 en werd deze tegen lagere kosten geleverd dan op de SEH.13

Nu de samenwerking tussen HAP en SEH in de vorm van spoedposten zich heeft doorgezet, is het interessant om met een grootschaliger onderzoek een landelijker beeld te krijgen. Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van patiënt- en zorgkenmerken van zelfmelders op spoedposten waar de HAP triage verricht. Hiermee wilden wij ook inzicht krijgen in het percentage zelfmelders dat alsnog naar de SEH wordt verwezen.

De resultaten van dit onderzoek kunnen bijdragen aan het effectiever organiseren van de zorg voor zelfmelders. Het onderzoek biedt bijvoorbeeld aanknopingspunten voor het beperken van het aantal verwijzingen van zelfmelders naar de SEH, het afstemmen van roosters van dienstdoende huisartsen op de piekuren van zelfmelders en het verkennen van de mogelijkheid of gespecialiseerde verpleegkundigen een deel van de zelfmelders kunnen behandelen, aan de hand van de meest voorkomende diagnoses. Gezien de actualiteiten rond de overbelasting van de SEH is dit onderzoek relevant, aangezien deze substitutie kan bijdragen aan een reductie van de SEH-belasting.

Methode

Onderzoeksopzet en -populatie

We voerden een transversaal retrospectief onderzoek uit op basis van registratiegegevens van vijf HAP’s met een colocatie met de SEH van een ziekenhuis (spoedpost) waar de HAP de triage van alle zelfmelders verricht. Bij het werven van spoedposten werd gepoogd een goede spreiding over Nederland en een verdeling tussen spoedposten in stedelijk en niet-stedelijk gebied te verkrijgen. We verkregen gegevens van HAP’s in Almelo, Zutphen, Utrecht, Bergen op Zoom en Dordrecht. Het betrof alle zelfmelders die getrieerd werden door de HAP gedurende het hele jaar 2014 (n = 20.451).

Procedure

We kregen van elke HAP een geanonimiseerd bestand met routinematig verkregen registratiegegevens van alle zelfmelders uit het jaar 2014 die buiten kantoortijden de spoedpost hadden bezocht. Het betrof de volgende gegevens: leeftijd, geslacht, tijdstip van triage, urgentie, diagnose (‘International classification of primary care’, ICPC), en verwijzing naar de SEH. Vanwege een technisch probleem ontbraken de ICPC-codes in het gegevensbestand van één van de vijf HAP’s.

Om na te gaan of getrieerde patiënten waren verwezen naar de SEH, las een onderzoeker de SOEP-regels (SOEP staat voor ‘Subjectief, objectief, evaluatie en plan’) door van een steekproef van contacten en scoorde handmatig of de patiënt was verwezen of niet. Deze steekproef betrof alle contacten uit de eerste 2 maanden van 2014, van drie van de vijf spoedposten (n = 2096).

Statistische analyse

We brachten de resultaten in kaart met beschrijvende statistiek met het statistische softwareprogramma IBM SPSS 22. Voor de berekening van het aantal patiënten per uur werden de aankomsttijden teruggebracht naar hele uren (bijvoorbeeld 17:59 uur werd 17:00 uur). Het aantal patiënten op elk aankomstuur werd gedeeld door het aantal dagen in 2014: 256 doordeweekse dagen en 109 weekend- en feestdagen. Vervolgens werd dit aantal gedeeld door vijf om het gemiddelde per HAP te berekenen.

Resultaten

Patiëntkenmerken

De groep zelfmelders die door de HAP werd getrieerd bestond voor 57,9% uit mannen. Een derde bevond zich in de leeftijdscategorie 15-29 jaar (32,7%) (figuur 1). De gemiddelde leeftijd was 32,7 jaar.

Van de zelfmelders had 28% een klacht van het bewegingsapparaat, met name trauma van de hand, enkel of voet (tabel). Andere veelvoorkomende klachten hadden betrekking op letsels van de huid (27,3%), waarbij wonden en contusies het meest voorkwamen. Daarnaast waren er relatief veel patiënten met algemene klachten (8,9%), klachten met betrekking tot het maag-darmstelsel (8,5%) en klachten van de tractus respiratorius (7,7%) (zie de tabel).

Aankomsttijd op de spoedpost

Van de zelfmelders kwam 55,4% in het weekend (inclusief feestdagen) op de spoedpost en 44,6% op doordeweekse avonden; 29,9% kwam overdag in het weekend, 54,5% op één van de zeven avonden en 15,6% in één van de zeven nachten. Het gemiddeld aantal zelfmelders per uur was het hoogst in het weekend, met name tussen 11:00 en 17:00 uur. Op doordeweekse dagen kwamen de grootste aantallen zelfmelders per uur tussen 17:00 en 21:00 uur op de spoedpost (figuur 2).

Urgentie en doorverwijzing

Bijna de helft (49%) van de zelfmelders (n = 20.447) kreeg bij triage een middelhoge urgentie (U3: ‘dringend’) en 35,7% ontving een lage urgentie (23,2% U4 (‘routine’) en 12,5% U5 (‘advies’)). Bij 15,2% was sprake van een hoge urgentie, namelijk 14% U2 (‘spoed’) en 1,2% U1 (‘levensbedreigend’). Bij patiënten met hoogurgente klachten (n = 3216) kwamen wonden, buikpijn, ongeval of letsel, en borstkassymptomen of -klachten het vaakst voor.

Van de zelfmelders werd 23% door de HAP verwezen naar de SEH; ruim de helft (54%) van hen werd verwezen vanwege trauma van het bewegingsapparaat.

Beschouwing

De zelfmelders op de spoedpost waar de huisartsenpost triage verrichtte waren voornamelijk jong, man en hadden laag-tot middelurgente, veelal traumagerelateerde klachten. Dit beeld komt overeen met de resultaten van eerdere studies naar zelfmelders op de HAP en SEH.6,12,14

Het aantal zelfmelders per uur was het hoogst in het weekend. Het was opvallend dat op doordeweekse dagen relatief veel zelfmelders kort na sluiting van de huisartsenpraktijk naar de spoedpost kwamen. Dit heeft mogelijk te maken met de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de huisartsenpraktijk. Uit eerder onderzoek blijkt dat een slechte bereikbaarheid van de eigen huisarts overdag voor 20% van de patiënten een motief is om contact op te nemen met de HAP.15 Ook zijn in eerdere studies relaties gevonden tussen een lagere bereikbaarheid en beschikbaarheid van de huisartsenpraktijk en een hogere zorgconsumptie op de HAP,16 of de SEH.17-20 Ruimere openingstijden van de huisartsenpraktijk, bijvoorbeeld een avondspreekuur, en betere telefonische bereikbaarheid en betere beschikbaarheid voor consulten op dezelfde dag kunnen deeloplossingen zijn om de werkdruk op de HAP te laten afnemen.

De zelfmelders in ons onderzoek hadden over het algemeen laag- tot middelurgente klachten (85%). Het percentage met hoogurgente klachten (U1 of U2) was daarmee wat hoger (15%) dan in een eerdere vergelijkbare studie (5%).12 De afgelopen jaren is het percentage hoogurgente consulten landelijk ook gestegen, van 6 in 2011 tot 17 in 2015.5 Deze urgentiestijging wordt met name waargenomen bij de categorie jongeren.21 Mogelijk heeft de invoering van de Nederlandse Triage Standaard (NTS) in de afgelopen jaren hieraan bijgedragen, want er wordt verondersteld dat het gebruik van de NTS leidt tot hogere urgenties dan het gebruik van de NHG-Triagewijzer.

Bij triage van zelfmelders door de HAP kon ruim driekwart (77%) door de HAP behandeld worden; slechts 23% werd in ons onderzoek verwezen naar de SEH. Dit komt overeen met resultaten van twee eerdere studies waarin de HAP de triage verrichtte (respectievelijk 75 en 83% behandeld door de HAP).12,13 Meer dan de helft van de zelfmelders in ons onderzoek werd verwezen wegens trauma van het bewegingsapparaat. Toegang tot eerstelijnsröntgendiagnostiek op de HAP kan het percentage verwezen patiënten verlagen.22

De opvang van zelfmelders door de HAP zorgt weliswaar voor een reductie in de belasting van de SEH, maar genereert een hogere belasting op de HAP, die – net als de gehele spoedzorgketen – momenteel onder druk staat. Adequate financiering en hiermee bemensing van de HAP is dan ook een voorwaarde om deze zorg te kunnen blijven bieden.

Sterke en zwakke punten

Voor ons onderzoek beschikten wij hadden over objectieve, routinematig verkregen patiënt- en zorgkenmerken van meer dan 20.000 zelfmelders op vijf spoedposten. Bij de selectie van spoedposten letten we op een landelijke spreiding. De spoedposten lagen verspreid over Nederland, met uitzondering van het noorden en zuidoosten. De resultaten zijn een goede weerspiegeling van de situatie van spoedposten met HAP-triage in zowel stedelijk als niet-stedelijk gebied. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de triage op spoedposten in de grote steden in Nederland meestal door de SEH wordt uitgevoerd en dat deze spoedposten dus niet geschikt waren voor ons onderzoek.

Een beperking van het onderzoek is dat we niet voor alle patiënten konden nagegaan of zij verwezen waren naar de SEH. Dit moesten we handmatig scoren aan de hand van de SOEP-regels en daarom trokken we een steekproef van contacten. Het was hierbij niet mogelijk onderscheid te maken tussen directe verwijzing naar de SEH na triage en verwijzing naar de SEH na consult, omdat dat niet duidelijk uit de SOEP-regels kon worden opgemaakt.

Een andere beperking van dit onderzoek is dat we niet hebben gekeken naar de veiligheid van de zorg. Uit een eerdere follow-upstudie blijkt de zorg van de HAP voor zelfmelders echter veilig te zijn.12

Aanbevelingen voor de praktijk en verder onderzoek

De opvang van zelfmelders door de HAP staat in de belangstelling, omdat de SEH te maken heeft met grote drukte en vanwege de discussie over doelmatigheidswinst.4,23 Meer mogelijkheden voor het aanvragen van aanvullend laboratorium- en röntgenonderzoek door de HAP kan wellicht resulteren in een lager verwijzingspercentage naar de SEH en hogere kosteneffectiviteit. Hierbij gaat het vooral om diagnostische faciliteiten die de huisarts in de huisartsenpraktijk overdag ook tot zijn of haar beschikking heeft.

Aangenomen wordt dat triage van zelfmelders door de SEH zal leiden tot een groter aandeel specialistische zorg. Hieraan ten grondslag ligt waarschijnlijk een defensievere houding, omdat de a-priorikans op ernstige aandoeningen voor de algehele SEH-populatie hoger ligt. Mogelijk spelen ook andere factoren een rol (financiën, domeinstrijd). We bevelen aan dit verder te onderzoeken om zo te komen tot de efficiëntste werkwijze. Tevens adviseren we om in follow-uponderzoek in de eigen huisartsenpraktijk te kijken naar onder andere vervolgcontacten, complicaties en gemiste diagnoses om zo de veiligheid van de zorg voor zelfmelders verder te onderzoeken.12

Conclusie

Zelfmelders op de huisartsenpost zijn vooral jong, man en hebben laag- tot middelurgente, traumagerelateerde klachten. Deze resultaten van dit landelijke onderzoek bevestigen die van eerdere regionale studies. Veel zelfmelders komen overdag in het weekend of direct na sluitingstijd van de huisartsenpraktijk. Driekwart wordt door de HAP behandeld, zonder verwijzing naar de SEH. Veel patiënten worden door de HAP verwezen naar de SEH vanwege trauma van het bewegingsapparaat. Opvang van zelfmelders door de HAP draagt bij aan reductie van de belasting op de SEH, die zich dan meer kan richten op hoogcomplexe spoedzorg.

Literatuur
  1. Smits M, Rutten M, Keizer E, Wensing M, Westert G, Giesen P. The development and performance of after-hours primary care in the Netherlands: a narrative review. Ann Intern Med. 2017;166:737-42. Medlinedoi:10.7326/M16-2776

  2. Giesen P, Vermue N, Huibers L, van Vugt C. HAP en SEH zoeken elkaar op. Huisartsen hameren op duidelijke afspraken. Med Contact (Bussum). 2007;62:1092-3.

  3. Thijssen WA, Wijnen-van Houts M, Koetsenruijter J, Giesen P, Wensing M. The impact on emergency department utilization and patient flows after integrating with a general practitioner cooperative: an observational study. Emerg Med Int. 2013;2013:364659. Medline

  4. Gaakeer MI, van den Brand CL, Gips E, et al. Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s. Aantallen en herkomst van patiënten in de periode 2012-2015. Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:D970 Medline.

  5. Benchmark bulletin Huisartsenposten 2015. Utrecht: InEen; 2016.

  6. Giesen P, Franssen E, Mokkink H, van den Bosch W, van Vugt A, Grol R. Patients either contacting a general practice cooperative or accident and emergency department out of hours: a comparison. Emerg Med J. 2006;23:731-4. Medlinedoi:10.1136/emj.2005.032359

  7. Boeke AJP, van Randwijck-Jacobze ME, de Lange-Klerk EM, Grol SM, Kramer MH, van der Horst HE. Effectiveness of GPs in accident and emergency departments. Br J Gen Pract. 2010;60:e378-84. Medlinedoi:10.3399/bjgp10X532369

  8. Giesbers S, Smits M, Giesen P. Zelfverwijzers SEH jagen zorgkosten op. Med Contact (Bussum). 2011;66:587.

  9. Van Randwijck-Jacobze ME, Boeke AJP, De Lange-Klerk ESM, Grol SM, Kramer MHH, van der Horst HE. Inzet huisarts op een Spoedeisende Hulp maakt zorg voor zelfverwijzers efficiënter. Ned Tijdschr Geneeskd. 2011;155:A3248.

  10. Schepers L. Zelfverwijzers op de spoedpost: onderzoek naar organisatie van spoedposten en patiënt- en zorgkenmerken van zelfverwijzers. Nijmegen: IQ healthcare Radboudumc; 2015.

  11. Gaakeer MI, van den Brand CL, Veugelers R, Patka P. Inventarisatie van SEH-bezoeken en zelfverwijzers. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014;158:A7128 Medline.

  12. Rutten M, Vrielink F, Giesen P. Zelfmelders op de huisartsenpost. Huisarts Wet. 2013;56:558-62. doi:10.1007/s12445-013-0285-x

  13. Bosch-van Nuenen A, de Jong D, Bongers F, et al. Meer spoedzorg, minder kosten. Huisarts Wet. 2016;59:292-5. doi:10.1007/s12445-016-0178-x

  14. Van der Linden MC, Lindeboom R, van der Linden N, et al. Self-referring patients at the emergency department: appropriateness of ED use and motives for self-referral. Int J Emerg Med. 2014;7:28. Medlinedoi:10.1186/s12245-014-0028-1

  15. Giesen P, Huibers L, Krol M. Patiëntcontacten op de huisartsenpost. Huisarts Wet. 2011;54:4. doi:10.1007/s12445-011-0008-0

  16. Smits M, Peters Y, Broers S, Keizer E, Wensing M, Giesen P. Association between general practice characteristics and use of out-of-hours GP cooperatives. BMC Fam Pract. 2015;16:52. Medlinedoi:10.1186/s12875-015-0266-1

  17. Whittaker W, Anselmi L, Kristensen SR, et al. Associations between extending access to primary care and emergency department visits: a difference-in-differences analysis. PLoS Med. 2016;13:e1002113. Medlinedoi:10.1371/journal.pmed.1002113

  18. Lowe RA, Localio AR, Schwarz DF, et al. Association between primary care practice characteristics and emergency department use in a medicaid managed care organization. Med Care. 2005;43:792-800. Medlinedoi:10.1097/01.mlr.0000170413.60054.54

  19. Harris MJ, Patel B, Bowen S. Primary care access and its relationship with emergency department utilisation: an observational, cross-sectional, ecological study. Br J Gen Pract. 2011;61:e787-93. Medlinedoi:10.3399/bjgp11X613124

  20. Rust G, Ye J, Baltrus P, Daniels E, Adesunloye B, Fryer GE. Practical barriers to timely primary care access: impact on adult use of emergency department services. Arch Intern Med. 2008;168:1705-10. Medlinedoi:10.1001/archinte.168.15.1705

  21. Jansen T, de Hoon S, Hek K, Verheij R. Ontwikkelingen op de huisartsenpost: veranderingen in de zorgvraag en gezondheidsprobleem in 2013-2015. Utrecht: NIVEL; 2017.

  22. Rutten M, Cals J, Zeelen M, Giesen P. Geef huisartsenpost toegang tot radiologie: röntgendiagnostiek op de HAP kan belasting SEH verminderen. Med Contact (Bussum). 2016;42:22-4.

  23. Ramlakhan S, Mason S, OKeeffe C, Ramtahal A, Ablard S. Primary care services located with EDs: a review of effectiveness. Emerg Med J. 2016;33:495-503. Medlinedoi:10.1136/emermed-2015-204900

Auteursinformatie

Radboudumc, Radboud Institute for Health Sciences, Scientific Center for Quality of Healthcare (IQ healthcare), Nijmegen.

Dr. M. Smits, postdoctoraal onderzoeker; M. Rutten, MSc, huisarts en medior onderzoeker; L. Schepers, MSc, aios interne geneeskunde; dr. P. Giesen, huisarts en senior onderzoeker.

Contact dr. M. Smits (marleen.smits@radboudumc.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning voor dit artikel: dit onderzoek werd uitgevoerd met financiële steun van InEen te Utrecht.

Gerelateerde artikelen

Reacties