Van Dunning naar Van Gijn

Opinie
F.T. Bosman
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:5-1
Download PDF

Niet iedere lezer van ons tijdschrift zal zich ervan bewust zijn dat de redactie is ingebed in de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Leden van deze Vereniging zijn (oud-)redacteuren en (oud-)leden van de hoofdredactie. De belangrijkste taak van de Vereniging is het garanderen van de continuïteit van het Tijdschrift door middel van het benoemen van de leden van de hoofdredactie en redacteuren.

Dat is niet altijd zo geweest: aanvankelijk was het Tijdschrift het huisorgaan van de (tegenwoordig Koninklijke) Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. Reeds jaren geleden werd evenwel het Tijdschrift een zelfstandig medisch-wetenschappelijk medium, terwijl Medisch Contact zich richtte op de beroepsuitoefening van artsen in een maatschappelijke context.

Bij zijn afscheid als voorzitter van de hoofdredactie in 1982 schreef prof.dr.L.B.W.Jongkees dat de Vereniging ‘de naam heeft ouderwets te zijn’.1 ‘Als het waar is dat wij zijn wat wij heten te zijn, ouderwets’, aldus Jongkees, ‘dan is dat toe te schrijven aan de bij het medisch-wetenschappelijk publiceren gebruikte procedure van toetsing van de wetenschappelijke validiteit van het artikel (“peer review”) en een streven het Nederlands te behouden, onder meer door de toevloed van vooral Amerikaanse leenwoorden te beperken.’ In de beeldvorming speelde volgens Jongkees ook de rust van de zetel der Vereniging aan de Jan Luykenstraat een rol, waar bezoekers ‘de neiging tot fluisteren krijgen zoals bij het betreden van een kerk of van een bibliotheek’.1 Dat conserveren van het goede, onmiskenbaar een eigenschap van de Vereniging, wordt ook weerspiegeld in haar grote trots, de medisch-historische bibliotheek.

Die zich kennelijk wat behoudend presenterende Vereniging had in 1983 de wijsheid prof.dr.A.J.Dunning te benoemen tot voorzitter van de hoofdredactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Een bijzonderheid daarbij was dat Dunning geen lid was van de Vereniging, ongebruikelijk voor een nieuwe voorzitter van de hoofdredactie. Met zijn benoeming werd een nieuwe periode van dynamische ontwikkeling en grote bloei van het Tijdschrift ingeleid. Sommige facetten van die ontwikkeling werden door Jongkees bij zijn afscheid overigens reeds voorzien. Hij stelde dat ‘gewoon doorgaan met redactioneel werk, ... goede keuze van artikelen’ et cetera niet voldoende zouden zijn. Hij beschreef de eerste stappen van automatisering in de ‘burcht’ aan de Jan Luykenstraat en vroeg zich af of er over 10 of 20 jaar nog gedrukt zou worden dan wel direct gelezen via videoband van het beeldscherm of misschien via ‘een briefkaart waar meer informatie uitgehaald kan worden dan uit een nummer van ons tijdschrift op dit ogenblik’.1

Een belangrijk kenmerk van de ontwikkeling van het Tijdschrift onder Dunning was de versteviging van de gezaghebbende wetenschappelijke positie. Over zijn visie daarop schreef Dunning in het eerste artikel van 1983: ‘Het Tijdschrift dient vooral en vooreerst de verslaglegging van klinisch wetenschappelijk onderzoek in Nederland, maar het acht zich ook geroepen een bron te zijn van scholing en informatie en een forum voor discussie en meningsvorming. Willen die taken goed vervuld worden dan dienen slagvaardigheid, betrouwbaarheid en wetenschappelijk niveau hoog in het vaandel te staan.’2 Dat redigeren gebeurde inderdaad niet alleen door ‘gewoon doorgaan met redactioneel werk’. Het redactionele beleid kreeg een sterk wervend karakter. Auteurs werden actief gezocht. Wetenschappelijk belangwekkende ontwikkelingen, maar ook gebeurtenissen op grensvlakken van geneeskunde en maatschappij werden gesignaleerd en door deskundigen in capita selecta en commentaren toegelicht. Om ook oorspronkelijke stukken van hoog internationaal niveau te kunnen publiceren bood de redactie de mogelijkheid van dubbelpublicatie.

Het redactionele werk kreeg onder leiding van Dunning ook via een andere invalshoek ruim de aandacht. Er werd een systematische analyse van redactionele methoden en technieken – van peer review tot ‘consumentenonderzoek’ – uitgevoerd. Jonge artsen kregen als stagiair in het redactiekantoor ruimte en tijd om facetten van het medisch-wetenschappelijk publiceren in het Nederlandse taalgebied te analyseren. Een aantal interessante oorspronkelijke stukken was daarvan het gevolg. Ook werd in dit kader het netwerk van internationale contacten aanmerkelijk uitgebreid.

Het is aardig het beeld dat Jongkees schetste van de manier waarop ‘men’ de Vereniging zag te vergelijken met de situatie van vandaag. Kwaliteit in het medisch-wetenschappelijk publiceren is nog steeds het uitgangspunt, en het daaraan inherente – overigens meer behoedzame dan behoudende – karakter van de Vereniging is bewaard gebleven. De zetel is nu anders. Het huidige pand biedt nog steeds een statige aanblik, maar heeft vooral in de inrichting een open, uitnodigend karakter. In deze omgeving is het goed werken en – ook voor de Vereniging – goed vergaderen. De betreder van het pand zal geen fluisterneiging overvallen. Regelmatig klinkt er kamermuziek. Daarmee staat het Tijdschrift midden in een snel veranderende medisch-wetenschappelijke wereld.

De vermoedens van Jongkees ten aanzien van de media zijn aardig uitgekomen. Het gehele redactionele proces is gecomputeriseerd. Elektronische informatiedragers lijken het medium van de toekomst. Om het drukwerk van de laatste eeuw voor onherstelbaar verval te behoeden worden alle jaargangen van het Tijdschrift op microfilm gezet. Dat zal ook het elektronisch ontsluiten van de circa 450.000 pagina's tekst mogelijk maken. Met het team dat Dunning vormde, ontwikkelde het redactiebureau zich tot een modern bedrijf dat deze geavanceerde ontwikkelingen mogelijk maakte.

Deze vernieuwende aanpak heeft ook in belangrijke mate zijn weerslag gehad op de Vereniging. Dunning was niet alleen voorzitter van de hoofdredactie (waarvan overigens de leden qualitate qua bestuurslid van de Vereniging zijn), maar ook penningmeester. Een voortvarend en uiterst succesvol financieel beleid heeft de Vereniging in staat gesteld zich zo te ontwikkelen. In het bestuur van de Vereniging was de invloed van Dunning aanzienlijk: als hij iets goed vond, kon het en als hij iets niet goed vond, kon het niet. Met zijn heldere visie, zijn scherpe gevoel voor wat nieuw èn goed was en zijn daadkracht betekende hij veel voor de Vereniging. Dunning was er, zichtbaar en hoorbaar. Hoorbaar ook bij zijn onnavolgbaar geestige inleidende conferences bij de ‘maaltijd der leden’, aansluitend aan algemene of wetenschappelijke vergaderingen.

De Vereniging mag zich gelukkig prijzen met prof.dr.J.van Gijn als nieuwe voorzitter van de hoofdredactie. Vanaf dit eerste nummer van ons Tijdschrift in 1996 leven wij onder zijn bewind. Aanvankelijk aarzelde Van Gijn om zich voor de functie kandidaat te stellen. Wellicht deelde hij de mening van een lid van de Vereniging dat het bestuur schreef ‘hoe moeilijk het zou zijn een opvolger te vinden voor de heer Dunning’. Het bestuur heeft vanuit de luxe positie dat zich verschillende excellente kandidaten hadden aangemeld, Van Gijn gekozen. Hij heeft grote ervaring in redactioneel werk, onder meer als (mede)hoofdredacteur van de Journal of Neurology. Hij leidt een neurologische kliniek waar topzorg wordt verleend en waar op zeer hoog niveau klinisch wetenschappelijk onderzoek wordt verricht. Dat werk heeft belangrijke raakvlakken met de inwendige geneeskunde, de cardiologie, de hematologie, de heelkundige specialismen en de klinische epidemiologie. Dat relatiepatroon weerspiegelt de brede kijk die Van Gijn heeft op de geneeskunde in het algemeen en op medisch Nederland in het bijzonder.

Van Gijn heeft voorts, zoals een ander lid van de Vereniging schreef, ‘groot enthousiasme voor sommige – ook naar mijn mening – essentiële vernieuwingen in de geneeskundige praktijk en het medisch onderwijs’. Aan hem de uitdaging met zijn visie, in samenwerking met een voortreffelijk redactioneel team en gesteund door een fortuinlijke en gefortuneerde Vereniging, aan een nieuwe fase van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde gestalte te geven.

Literatuur
  1. Jongkees LBW. Een woord van afscheid.Ned Tijdschr Geneeskd1982;126:2369-70.

  2. Dunning AJ. Nieuwjaar 1983.Ned Tijdschr Geneeskd1983;127:1-2.

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Postbus 75971, 1070 AZ Amsterdam.

Prof.dr.F.T.Bosman, voorzitter van het bestuur van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Gerelateerde artikelen

Reacties