Vaccinatie tegen bof succesvol

Klinische praktijk
R.A. Hirasing
K. Schaapveld
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:1498-500
Download PDF

Bof is een doorgaans onschuldige virale infectie die gepaard kan gaan met koorts, malaise en (pijnlijke) zwelling van één of meer speekselklieren. De meeste infecties met het bofvirus komen voor bij kinderen van 1-9 jaar. In 0,4 tot 1 van de gevallen ontstaat een hersenvliesontsteking met een overigens goede prognose, vooral bij 3- tot 7-jarigen. Orchitis, meestal enkelzijdig, komt voor bij mannen na de puberteit en leidt zelden tot onvruchtbaarheid (maximaal enkele gevallen per jaar). Andere complicaties (onder andere pancreatitis) komen in een zeer lage frequentie voor.12

Vóór de vaccinatie werden per jaar ongeveer 300-400 patiënten met bof in het ziekenhuis opgenomen gedurende gemiddeld 9-15 dagen, afhankelijk van de aanwezigheid van complicaties, en verzuimden per schooldag gemiddeld 1000 kinderen wegens bof.2

Deze gegevens vormden de reden met ingang van maart 1987 de vaccinatie tegen bof (gecombineerd met die tegen mazelen en rodehond: BMR-vaccinatie) in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen. Kinderen in de leeftijd van 14 maanden krijgen het BMR-vaccin. Op de leeftijd van 9 jaar vindt herhaling van de vaccinatie plaats. Voor de jaren 1987-1989 werd een inhaalvaccinatieprogramma uitgevoerd bij kinderen van 4 jaar (geboortecohort 1983-1985).

In het kader van de door het Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg TNO uitgebrachte Preventiegids, een gids voor huisartsen, medewerkers van de jeugdgezondheidszorg en verloskundigen, rees de vraag wat het effect is van de bofvaccinatie.3

Om hierachter te komen werden onder andere gegevens van de Stichting Informatiecentrum voor de Gezondheidszorg (SIG) opgevraagd. Omdat deze gegevens indrukwekkend zijn, willen wij er hier graag bekendheid aan geven. In tabel 1 is tussen haakjes het aantal opnamen vanwege de hoofddiagnose ‘bof’ naar jaar weergegeven. Uit deze tabel blijkt dat kort na de invoering van de bofvaccinatie in 1987 het aantal opnamen drastisch gedaald is. Dit geldt voor alle bofcomplicaties. Het aantal opnamen vanwege bofmeningitis als hoofddiagnose daalde van 183 in 1987 tot 1 in 1990. In tabel 1 is het aantal opnamen met zowel hoofd- als nevendiagnose ‘bof’ naar jaar vermeld. Het totale aantal opnamen met zowel hoofd- als nevendiagnose ‘bof’ daalde van 390 in 1987 tot 11 in 1990. Bovendien betroffen slechts 4 van de 11 opnamen jeugdigen jonger dan 15 jaar.

Hoewel het vanzelfsprekend is dat ook het aantal verpleegdagen gedaald is, vermelden wij dit toch voor de volledigheid in tabel 2, mede omdat het een beter inzicht verschaft in de besparingen dan het aantal opnamen. Uit tabel 2 is af te leiden dat het aantal verpleegdagen tussen 1984 en 1987 varieerde van 2200 tot 2700 per jaar (gemiddeld 2456), en daarna drastisch daalde. Het aantal verpleegdagen in 1990 bedroeg nog slechts 1,4 van dat van 1987. Bij een gemiddelde dagverpleegprijs van ƒ 778,- in 1990 zou dit een jaarlijkse besparing van 1,9 miljoen gulden betekenen.4 De totale besparing is uiteraard groter daar in de gemiddelde dagverpleegprijs niet alle kosten van specialistische hulp begrepen zijn. Ook de kosten verbonden aan de extramurale gezondheidszorg zijn niet meegeteld. De meerkosten in verband met de toevoeging van de vaccinatie tegen bof aan het totale vaccinatieprogramma in 1987 waren gering, vooral door de toepassing van het gecombineerde vaccin BMR (vóór 1987 werden toch al alle kinderen tegen de mazelen gevaccineerd en de meisjes tegen rodehond) en door gelijktijdige vaccinatie met het vaccin tegen difterie, (kinkhoest), tetanus en poliomyelitis (D(K)TP-vaccin). De daling van het aantal opnamen en verpleegdagen is niet toe te schrijven aan een wijziging in de diagnosestelling of aan een wijziging in het opnamebeleid in de afgelopen 4 jaar. Daar het aantal 0-19-jarigen slechts verminderde van 4.010.506 per 1-1-1987 tot 3.822.205 per 1-1-1990 vormt dit ook niet de verklaring voor de sterke daling.

De daling van de incidentie wordt bevestigd door de gegevens naar jaar van aangegeven bofgevallen zoals jaarlijks vermeld in dit tijdschrift, waarvan in tabel 3 een overzicht is weergegeven. Uit tabel 3 is af te leiden dat vóór de invoering van de BMR-vaccinatie gemiddeld per jaar 573 gevallen van bof werden aangegeven. Na 1987 vindt een drastische daling van het aantal aangegeven gevallen plaats. De daling moet vooral toegeschreven worden aan de vaccinatie. Wij zijn van mening dat een dergelijk groot effect van de vaccinatie in zo'n kort tijdsbestek is verkregen doordat de vaccinatie is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma en is ingebed in de opzet van de jeugdgezondheidszorg.

Literatuur
  1. Veen J van der. Vaccinatie tegen bof en rubella; hetadvies van de Gezondheidsraad. NedTijdschr Geneeskd 1984; 128: 1150-2.

  2. Laurant de Angulo MS. Het BMR-vaccin. T Jeugdgezondhz1987; 19:3-6.

  3. Schaapveld K, Hirasing RA. Preventiegids. Assen: VanGorcum, 1993.

  4. Nationale Ziekenhuis Instituut (NZI). De intramuralegezondheidszorg in cijfers. Utrecht: NZI, 1991.

Auteursinformatie

Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg TNO, Postbus 124, 2300 AC Leiden.

Dr.R.A.Hirasing, jeugd- en kinderarts; dr.K.Schaapveld, sociaal-geneeskundige.

Contact dr.R.A.Hirasing

Gerelateerde artikelen

Reacties

H.C.
Rümke

Bilthoven, augustus 1993,

Graag willen wij enkele aanvullingen geven op het artikel van Hirasing en Schaapveld (1993;1498-500).

De sterke daling van het aantal geregistreerde patiënten met bof sinds de invoering van het bof-mazelen-rodehond (BMR)-vaccin in 1987 was voorspelbaar en op kleinere schaal al eerder gesignaleerd.1 Immers, de vaccinatiegraad is zeer hoog (circa 93%), en het vaccin geeft bij 98-100% van 14-15 maanden oude kinderen seroconversie.23 Massavaccinatie reduceert zo het aantal vatbare kinderen drastisch, terwijl veel oudere kinderen al immuun zijn door natuurlijke infectie. In zo'n epidemiologische setting zijn de eerste effecten dan ook spectaculair. Maar massavaccinatie (evenals sociaal-economische, hygiënische en andere verschuivingen in de populatie) verandert op langere termijn de epidemiologische dynamiek van vele infectieziekten, zo ook van bof. Voor invoering van BMR-vaccinatie is dit onderkend en voor rubella zichtbaar gemaakt met mathematische modellen.45 Bij het volgen van de epidemiologische ontwikkelingen, waarmee deze modellen natuurlijk getoetst moeten worden, bleek in de Verenigde Staten dat de leeftijd van patiënten met bof hoger werd,67 met mogelijk een grotere complicatiekans. In Nederland zal dit nauwlettend gevolgd moeten worden.

Bij de beschreven patiënten met bof worden criteria voor de diagnose niet vermeld. In Nederland wordt geen vaste definitie voor bof gebruikt. Virologische bevestiging van de diagnose wordt steeds belangrijker. Hadden in het prevaccinatietijdperk bijna alle kinderen met parotitis een bofvirusinfectie, nu bof effectief bestreden wordt, gaan andere virussen die ook parotitis kunnen veroorzaken (zoals influenza, para-influenza type 3, Coxsackie A) een relatief grotere rol spelen.8

Ten slotte is onlangs in Groot-Brittannië gevonden dat 15-35 dagen na enting met BMR-vaccins met de Urabe-bofvirusstam bij rond 1 op 11.000 kinderen een bofmeningitis optrad, bewezen door isolatie van vaccinvirus. De werkelijke frequentie ervan werd zelfs geschat rond 1 op 4000 kinderen. Bofmeningitis werd niet na BMR-enting met de Jeryl-Lynn-bofvirusstam gevonden.9 In Nederland wordt alleen deze stam gebruikt en niet de kennelijk virulentere Urabe-stam. De verwachting dat in ons land bofmeningitis door de vaccinstam daarom niet of zelden zal voorkomen, wordt door de bevindingen van Hirasing en Schaapveld ondersteund.

H.C. Rümke
A.D. Plantinga
M.A.E. Conyn-van Spaendonck
Literatuur
  1. Bergink AH. Bof en bofcomplicatie. Haags Epid Bull 1990; 25: 8-10.

  2. Smeets-Driessen MDH, Zwan CW van der, Plantinga AD, Rümke HC, Steenis G van. Comparative clinical trial using MMR vaccines produced by MSD and RIVM. RIVM-rapport 438902001 . Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, 1991.

  3. Smeets-Driessen MDH, Zwan CW van der, Plantinga AD, Rümke HC, Spijker C van 't. Twee vaccinaties met bof mazelen rubella vaccin volgens verkort immunisatieschema. RIVM-rapport 438902002. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, 1992.

  4. Veen J van der. Vaccinatie tegen bof en rubella: het advies van de Gezondheidsraad. [LITREF JAARGANG="1984" PAGINA="1150-2"]Ned Tijdschr Geneeskd 1984; 128: 1150-2.[/LITREF]

  5. Druten JAM van, Boo Th de, Plantinga AD. Measles, mumps and rubella: control by vaccination. Dev Biol Stand 1986; 65: 53-63.

  6. Kaplan KM, Marder DC, Cochi SL, Preblud SR. Mumps in the workplace. Further evidence of the changing epidemiology of a childhood vaccine-preventable disease. JAMA 1988; 260: 1434-8.

  7. Sosin DM, Cochi SL, Gunn RA, Jennings CE, Preblud SR. Changing epidemiology of mumps and its impact on university campuses. Pediatrics 1989; 84: 779-84.

  8. Bouter KP, Diepersloot RJA, Verbrugh HA, Eggink HD. Bof: meer dan parotitis. [LITREF JAARGANG="1988" PAGINA="1089-91"]Ned Tijdschr Geneeskd 1988; 132: 1089-91.[/LITREF]

  9. Miller E, Goldacre M, Pugh S, et al. Risk of aseptic meningitis after measles, mumps, and rubella vaccine in UK children. Lancet 1993; 341: 979-82.

R.A.
Hirasing

Leiden, september 1993,

Wij danken collega Rümke et al. voor hun aanvullingen op ons artikel. Wij zijn het volledig met hen eens dat verwachtingen, voorspellingen en mathematische modellen getoetst moeten worden. Dat was ook één van de doelstellingen van ons artikel.

Het aantal opnamen met diagnose ‘bof’ vermeld in ons artikel is gebaseerd op gegevens verstrekt door de Stichting Informatiecentrum voor de Gezondheidszorg (SIG). De SIG heeft deze gegevens op haar beurt weer verkregen van de ziekenhuizen. die bij het classificeren en coderen van diagnosen gebruik maken van een classificatie van ziekten. Deze is vanaf 1980 gebaseerd op de ‘international classification of diseases’ (ICD), negende versie (de ICD-code voor bof is 0.72, gevolgd door een subcode voor de complicatie). De daling van de opnamen vermeld in ons artikel berust dan ook niet op een wijziging in codering en (of) classificatie.

Tot slot willen wij erop wijzen dat de verschuiving naar een hogere leeftijd in de Verenigde Staten vooral veroorzaakt wordt door de lagere vaccinatiegraad aldaar. Overigens is in ons land het aantal opnamen met hoofddiagnose ‘bof’ bij de 15-jarigen en ouder in absolute aantal afgenomen van 35 in 1987 tot 2 in 1990.

R.A. Hirasing
K. Schaapveld
G.D.
de Jong

Leiden, augustus 1993,

De collegae Hirasing en Schaapveld tonen op zeer duidelijke wijze aan dat door het in gebruik nemen van het bofvaccin in 1987 binnen enkele jaren resultaten werden bereikt die de schrijvers terecht indrukwekkend noemen. In hun artikel vermelden zij tevens nog eens de argumenten die deze vaccinatie gewenst maakten. Dit geeft aanleiding tot de volgende overwegingen.

Parotitis epidemica en haar verwikkelingen zijn uiteraard zeer lang bekend. De eerste herkenbare beschrijving stamt van Hippocrates (circa 400 voor Christus).1 In dit tijdschrift verscheen in 1895 een voortreffelijk artikel over de complicaties van bof.2 De epidemiologie van bof en zijn verwikkelingen waren in ieder geval in en voor 1968 ruimschoots bekend.

In het jaar 1968 was het bofvaccin het experimentele stadium te boven en werd in de Verenigde Staten in het groot toegepast. Het 3-factorenvaccin (‘measles’, ‘mumps’, rubella) werd aldaar in 1971 in gebruik genomen. In ons land kwam het enkelvoudige bofvaccin pas in september 1972 beschikbaar. Het afdoende gebruik heeft moeten wachten tot 1987.

Aan de hand van genoemde gegevens kan een ieder nagaan hoelang wij in Nederland van de goede resultaten van deze vaccinatie verstoken zijn gebleven. Het zal niet iedereen bekend zijn dat alle tot nu toe in ons land toegepaste vaccinaties met opmerkelijke vertragingen in gebruik werden genomen.3

G.D. de Jong
Literatuur
  1. Major RH. Classic descriptions of disease. Springfield, III.; Thomas: 201.

  2. Bruin J de, Complicaties van parotitis epidemica bij kinderen. [LITREF JAARGANG="1895" DEEL="2" PAGINA="526-39"]Ned Tijdschr Geneeskd 1895; 39: 526-39.[/LITREF]

  3. Jong GD de. Uitbreiding van het inentingspakket. Med Contact 1973; 28: 1437-9.