Uit de bibliotheek van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: Speculum Scorbuticum; opvattingen over ontstaan, behandeling en preventie van scheurbuik
Open

Geschiedenis
29-07-1995
A. de Knecht-van Eekelen

Onder de ziekten die worden veroorzaakt door slechte voeding neemt scheurbuik een bijzondere plaats in. Deze ziekte, die – naar nu algemeen bekend is – wordt veroorzaakt door een vitamine C-deficiëntie, heeft vele eeuwen lang de gemoederen beziggehouden. De onzekerheid over de etiologie van scorbuut werd pas in de 20e eeuw weggenomen, toen eerst door Casimir Funk (1884-1967) het vitamineconcept werd ontwikkeld (1912) en later door Albert von Szent-Györgyi (1893-1986) de stof werd geëxtraheerd die vitamine C werd genoemd (1928, 11932). In de bibliotheek van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde bevindt zich een twintigtal speciaal aan scheurbuik gewijde publikaties van vóór 1800. Uit dit grote aantal blijkt de belangstelling van de samenstellers van de bibliotheek voor dit thema, waarover een scala aan zowel populaire als wetenschappelijke verhandelingen bestaat. Bovendien werd de ziekte uitvoerig behandeld in handboeken van algemeen-medische aard, die in de bibliotheek in ruime mate voorhanden zijn. In deze bijdrage wil ik in het bijzonder enkele vroege traktaten en het werk van de Schotse medicus James Lind (1716-1794) aan een nadere beschouwing onderwerpen.

DE ONTDEKKINGSREIZEN

Scheurbuik, een van de vele benamingen voor deze deficiëntieziekte, kwam in de 16e eeuw in de medische belangstelling te staan door berichten van de zeevaarders. De ontdekkingsreizigers werden dikwijls geteisterd door de ziekte, omdat zij maandenlang op zee rondzwierven of moesten overwinteren zonder mogelijkheden om te provianderen. Tijdens de eerste reis om de wereld – onder aanvoering van Fernão de Magalhães (1480-1521) – was de bemanning gedurende 3 maanden en 20 dagen onafgebroken op zee (1520-1521). Gedurende die tijd raakten voedsel en water op, zodat de mannen zelfs stukken leer aten om hun honger te stillen. Daar trad toen een ziekte op die als volgt werd beschreven (in Duitse vertaling): ‘Ein noch grösseres Unglück sollte uns treffen: eine Krankheit, durch die unseren Leuten das Zahnfleisch im Ober- und Unterkiefer derart anschwoll, dass es die Zähne bedeckte und der Erkrankte ausserstande war, Nahrung zu sich zu nehmen. Neunzehn Mann starb an diesem Uebel ... Viele verspürten so heftige Schmerzen in den Armen, in den Beinen und in anderen Teilen des Körpers, dass sie sich nicht aufrechthalten und keine Arbeit verrichten konnten.’1

Het eten aan boord bestond in het algemeen uit gedroogde, gezouten, gekonfijte en andere houdbare produkten zoals scheepsbeschuit, bonen, erwten, linzen, gedroogde vis, gezouten vlees en spek, kaas, gedroogde of gekonfijte vruchten, olie, wijn et cetera.2 Wanneer de schepen niet regelmatig vers voedsel aan boord konden nemen, brak onherroepelijk scheurbuik uit. Door ervaring wijs geworden legde men op de handelsroute naar Indië foerageplaatsen aan, zoals Kaap de Goede Hoop, waar zelfs tuinen werden ingericht. Door dergelijke maatregelen nam de frequentie van scheurbuik aan boord duidelijk af.

GEEN ENDEMISCHE ZIEKTE IN DE NEDERLANDEN

Scheurbuik trad voornamelijk op onder extreme omstandigheden. Behalve tijdens de genoemde reizen kon de ziekte zich voordoen in belegerde steden of in gebieden die door misoogsten waren getroffen. In de 16e eeuw schijnt scheurbuik in Nederland in normale situaties nauwelijks te zijn voorgekomen. In zijn boek Medicinalium observationum exempla rara (1581) schreef de bekende medicus en auteur van botanische werken Rembertus Dodonaeus (1517-1585) dat ‘scorbutus’ – door de Duitsers ‘scorbuck’ genoemd – inheems was in Noord-Duitsland en Denemarken, maar nog zeldzaam was in Brabant en Midden-Duitsland. Wel herinnerde hij aan een scheurbuikepidemie die in 1556 in Brabant zou zijn ontstaan door het gebruik van bedorven rogge uit Pruisen, voedsel dat gegeten werd toen er een hongersnood was.3 In de 17e eeuw was de ziekte beter bekend, er werd veel over geschreven en men krijgt de indruk dat de frequentie toenam.

Gezien de beschikbaarheid van groente en fruit ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat scheurbuik in Nederland in ernstige mate voorkwam. De meeste groentesoorten uit onze tijd waren toen ook al bekend, met als belangrijkste uitzondering de aardappel, die in de latere eeuwen de basis van het volksvoedsel zou gaan vormen. De meest gebruikte groenten waren erwten, bonen, koolsoorten, rapen en andere knollen, wortelen, sla, uien en andere looksoorten. In de zomer en herfst waren er bovendien allerlei soorten vruchten te krijgen, die echter vaak als ongezond – namelijk te sterk laxerend – werden beschouwd. De beschikbaarheid van vitamine C-rijke produkten nam in de loop van de winter sterk af, zodat men kan aannemen dat minderbedeelden in de lente in een pre-scorbutisch stadium verkeerden. Door het eten van het eerste jonge groen, bijvoorbeeld molsla (de jonge blaadjes van paardebloemen), kon men het tekort aan vitamine C hopelijk bijtijds aanvullen.

Terwijl er dus voldoende empirische gegevens uit het dagelijks leven beschikbaar waren die lieten zien dat er een samenhang was tussen scheurbuik en gebrek aan vers voedsel, vooral verse groenten en fruit, braken de geleerden zich het hoofd over het ontstaan van de ziekte, de mogelijke preventie en een passende therapie.

TRAKTATEN OVER SCHEURBUIK

In de bibliotheek van de Vereniging bevindt zich een bundeltje met twee traktaten die geheel aan scheurbuik zijn gewijd. Deze oudste traktaten over dit onderwerp in de collectie stammen uit 1633. Het eerste is geschreven door Johann Roetenbeck en draagt de titel Speculum Scorbuticum Oder Eigentliche Beschreibung Dess Schorbocks in zweyen unterschiedlichen Tractätlein verfasset Und Dem gemeinen Mann zum besten in Druck verferti- get (figuur 1). De tekst is gebaseerd op het werk van Daniel Sennert (1572-1637). Bijgevoegd is het traktaat van Caspar Horn, medicus te Nürnberg, getiteld Kurzer und nohtwendiger Bericht Von der frembdenvorhin bey uns unbekandtenjetzt aber allhier eingreiffenden Kranckheitdem Schorbock.4

Van veel ouder datum is echter een stuk over scheurbuik uit het werk van Pieter van Foreest (c. 1522-1597). Het is een brief uit 1590 aan zijn neven, die op dat moment in Bologna studeerden, getiteld De scurbuto malo cognoscendo et curando. Het stuk is opgenomen in de verzamelde werken van Van Foreest die in de bibliotheek van de Vereniging aanwezig zijn.5 Van Foreest noemde enkele voorgangers die over deze ‘nieuwe ziekte’ (novo morbo) hadden geschreven; daarbij blijkt dat hij het werk van de Nederlander Johannes Echt (c. 1515-c. 1554) kende, omdat dat door zijn ‘oude vriend’ Boudewijn Ronsse (c. 1527-1596) was uitgegeven in diens verhandeling De scurbuto. Dit traktaat van Echt, onder de titel De scorbuto vel scorbutica passione epitome (1541), is vooral bekend geworden doordat de hoogleraar in de geneeskunde te Wittenberg, Daniel Sennert, het weer opnam in zijn De scorbuto tractatus (1624).6

VERSTOPPING VAN DE MILT EN ZWARTGALLIGHEID

Echt schreef dat scheurbuik een ziekte is van de milt die ontstaat doordat de werking van dit orgaan is verstoord. Dit was een klassiek beeld; volgens de humorenleer had de milt een functie bij de regeling van de sappen. Door verstopping van de milt zou de overtollige zwarte gal die uit de lever komt niet worden verwijderd, waardoor dit vocht het lichaam bederft. Het zou vooral in de benen bezinken en het tandvlees aantasten door de scherpe uitwaseming. De ziekte zou ontstaan bij mensen die een onregelmatig en slecht leven leiden en bij mensen die slecht, bedorven of rot voedsel gebruiken. Dergelijke bedorven voeding wordt volgens Echt gegeten aan boord van de schepen van de Hollanders en de Friezen. Voor de schepelingen is ook het gebruik van bedorven water nadelig. Vooral in een warm klimaat bederft het water snel en ontstaat een tekort aan zoet water. Schapevlees dat nog slecht ruikt na het koken, ranzig pekelvlees, vergaan wild, beschimmelde scheepsbeschuit, knoflook, gerookt of gezouten vlees en vis, maar ook slecht gegist gerstebier waren volgens Echt de verwekkers van scheurbuik. Verder zocht hij de oorzaak in de omringende warme lucht, voorafgaande koortsen en andere ‘res non-naturales’ (niet-natuurlijke zaken): waken, inspanning en zorgen.

Van Foreest beschreef een lijder aan de ziekte ‘die sommigen sceletyrbe, anderen gingipedia, weer anderen, evenals de leeken, scheurbuik en velen stomacacce noemen’. Het was een schipper die volgens Van Foreest de ziekte had opgelopen door het ongezonde leven aan boord. Van Foreest meende, evenals Echt, dat scheurbuik ontstaat door ‘een overvloed van zwartgallig vocht in de streek van het middenrif en boven in den buik, dat ... de oorzaak van een verstopping in de milt wordt’. De overmaat aan zwarte gal ontstaat door een bepaalde levenswijze en de behandeling was dus gericht op het openen van de verstopte milt en het verminderen van de zwartgalligheid. Dezelfde opvattingen zijn te vinden bij Ronsse, Sennert en Roetenbeck. Deze laatste is van mening dat scheurbuik zonder medicamenten kan genezen wanneer de leefregels worden verbeterd. Hij raadt aan vochtige, dikke, onreine lucht te vermijden en zich niet op te houden op stinkende plaatsen. Ten aanzien van de voeding schrijft Roetenbeck: ‘Von Speiss meide man alles was dickes und melancholisches Geblut machet.’7

LEPELBLAD EN CITRUSVRUCHTEN

Het gebruik van een verdunnend dieet met goede sappen werd dus algemeen aangeraden, evenals een aderlating en een purgatie. Als geneesmiddel gebruikte Van Foreest diverse aftreksels van kruiden, maar vooral met beekpunge (Veronica beccabunga) en lepelblad (Coch- learia) gekookt in karnemelk of melk had hij goede ervaring. Hij kwam tot de conclusie dat ‘lepelblad en beekpunge door een zekere vis occulta als geneesmiddel bij deze ziekte passen, een middel dat wij wel is waar aan leeken hebben te danken, maar dat wij in een beteren vorm hebben gebracht’.8

Roetenbeck noemde ook ‘Löffelkraut’, maar voor hem waren – in navolging van Ronsse – de ‘Pomeranze’ (sinaasappels) in de eerste plaats aan te bevelen: ‘Solchen Patienten nussen auch die Pomeranz davon Bald. Ronsseus meldet da viel ohn einige Arzney allein von den Pomeranzen mit den Schelffen gebraucht ire Gesundheit wider bekommen.’ Verder is in zijn Speculum Scorbuticum onder meer te lezen over ‘Limonien’, ‘Citrone’ en ‘Senff’ waarmee ‘offt die Schiffleut in langwirige Schifffahrten diese Kranckheit verhüten’.9

Vooral het lepelkruid, dat in de Nederlanden makkelijker te verkrijgen was dan citrusvruchten, kreeg naam als antiscorbuticum. Het was levensreddend voor de bemanning die met Willem Barentsz. (overleden 1597) de weg om de Noord trachtte te vinden. Na hun gedwongen overwintering op Nova Zembla hadden zij in open sloepen zee gekozen, in de hoop weer de bewoonde wereld te bereiken. Op 31 juli 1597 kwamen zij op een eiland aan: ‘Wij gingen daar aan land tot ons groot geluk, want we vonden er lepelblad dat ons heel goed van pas kwam; het leek wel of God de Heer ons daarheen gestuurd had, want we hadden veel zieken, we werden door de scheurbuik zelfs zo erg geplaagd dat we nauwelijks nog verder konden, en dit lepelblad verlichtte ons wat, want het hielp ons zo opmerkelijk en snel... We aten ze uit de hand bij grote hoeveelheden op, omdat we in ons land veel over hun kracht hadden gehoord, maar we merkten dat die kracht nog veel groter was dan we gedacht hadden.’10

Het lepelblad werd zelfs in de 18e eeuw als volgt bezongen in de Lof der Jenever: ‘De Scheurbuik, die ons Neêrland plaagt, Wordt mede 't allerbest verjaagd, Wanneer men Lepelblaên in Vlessen Zet op den Geest van Mout en Bessen.’11

‘A TREATISE OF THE SCURVY’

Een grote invloed op het denken over scheurbuik wordt toegekend aan het werk van de Schotse medicus James Lind (1716-1794). In 1753 publiceerde hij A treatise of the scurvy, waarin voor het eerst een experimentele benadering van de ziekte werd uitgewerkt. In de bibliotheek van de Vereniging is niet de oorspronkelijke Engelse uitgave aanwezig, maar er bevinden zich daar wel vertalingen in het Italiaans (1766; figuur 2), Frans (1771) en Duits (1775).12 Lind was in 1746 en 1747 werkzaam als scheepsarts aan boord van H.M.S. Salisbury, een oorlogsschip met een bemanning van 350 koppen. Aan boord van het schip, dat in het Kanaal patrouilleerde, kreeg Lind enkele malen te maken met grote aantallen scheurbuikpatiënten. Op grond van deze ervaringen besloot hij in 1747 een nader onderzoek in te stellen naar de therapeutische werking van diverse middelen die als antiscorbutica bekendstonden.

Voor dit experiment, dat in de literatuur bekend is geworden als het eerste voorbeeld van een gecontroleerd klinisch-experimenteel onderzoek, koos hij 12 patiënten met dezelfde verschijnselen van scheurbuik. Lind hield ze onder dezelfde omstandigheden in de ziekenboeg, met dezelfde scheepskost, en met als enig verschil het toegediende geneesmiddel. Twee mannen kregen cider bij hun dieet, twee anderen elixir van vitriool, de volgende twee namen azijn, twee dronken zeewater, twee namen per dag twee sinaasappels en een citroen, en de laatste twee kregen een electuarium (likkepot) van allerlei kruiden. Het experiment duurde 14 dagen, maar helaas waren de sinaasappels en citroenen al na 6 dagen op. Toch was er volgens Lind juist bij de mannen die de citrusvruchten hadden genomen een zeer goed waarneembare, plotselinge verbetering van de toestand: ‘le plus prompt & le plus sensible’. Hij toonde in dit experiment de onwerkzaamheid aan van een aantal bekende antiscorbutica. Het elixir van vitriool (aromatisch zwavelzuur) werd van oudsher gebruikt als bloedstelpend middel en had, evenals cider en azijn, zure eigenschappen die als gunstig werden beschouwd bij de behandeling van deze ziekte. Aan boord van de Engelse vloot was dit elixir het aangewezen middel: ‘En Angleterre, la flotte royale a été pourvue à grands frais par le conseil d'un célèbre Médecin, d'une grande quantité d'elixir de vitriol, lequel n'est autre chose que l'acide du vitriol, combiné avec des huiles aromatiques.’ Lind beval de citrusvruchten aan, die immers ook deze zure kenmerken hebben: ‘que les oranges & les limons étoient les remèdes les plus efficaces, pour guérir cette maladie sur la mer.’13 Hij kon echter geen uitsluitsel geven over de wijze waarop sinaasappels en citroenen zich onderscheidden van de andere zure medicamenten.

Linds waarnemingen leidden niet direct tot praktische maatregelen. Het gemis aan een algemeen geaccepteerde theoretische verklaring voor de noodzaak om juist citrusvruchten te gebruiken tegen scheurbuik deed zich voelen. Lind dacht dat scheurbuik te beschouwen was als een rottingsverschijnsel veroorzaakt door de vochtige, koude zeelucht. Anderen waren juist van mening dat de slechte verteerbaarheid van het voedsel aan boord de oorzaak was. Zo duurde het tot 1795 voordat het gebruik van citroensap aan boord van de Engelse marineschepen verplicht werd gesteld. Dit was de verdienste van Gilbert Blane (1749-1834), ‘Commissioner of the Board of the Sick and Wounded Sailors’, die erin slaagde de Admiraliteit ervan te overtuigen dat citroensap onderdeel van het rantsoen moest worden.

Helaas raakte het sap in diskrediet toen de Engelse overheid het ‘lemon juice’ verving door het goedkopere ‘lime juice’. Veel later zou blijken dat het vitamine C-gehalte van de mediterrane Citrus limon veel hoger is dan dat van de Caribische Citrus medica. Bovendien kon de kwaliteit van het sap door het bereiden en bewaren achteruitgaan. Aangezien er tot in de 20e eeuw geen wetenschappelijk rationale achter het gebruik van citroensap lag, verwaterde de exclusiviteit van dit middel. Ook azijn, elixir van vitriool, moutextract, zuurkool en een aftreksel van dennespruiten doken weer op als antiscorbutica.2

Literatuur

  1. Pigafetta A. Die erste Reise um die Erde. EinAugenzeugenbericht von der Weltumseglung Magellans 1519-1522. Herausgegebenund übersetzt von Robert Grün. 4e Auflage. Tübingen: HorstErdmann Verlag, 1978:93.

  2. Knecht-van Eekelen A de, Wersch HJ van. Grepen uit degeschiedenis van de scheurbuik. Voeding 1973;34:326-86.

  3. Dodoens R. Medicinalium observationum exempla rara.Hardervici: Viduam Thomae Henrici, 1621.

  4. Hattum M van. Catalogus van de bibliotheek van hetNederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Deel I, 1485-1800 Cat. nr.93. Amsterdam: Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,1981.

  5. Forestus P. Observationum & Curationum Medicinalium.Libri I-XXVIII. Lugduni Batavorum: Fr. Raphelengium, 1593-1599. Cat. nr 44h:Liber XX De Lienibus morbis: ubi & de Scurbutto... In: Opuscula SelectaNeerlandicorum de arte medica. Deel 13. Amsterdam: Nederlandsch Tijdschriftvoor Geneeskunde, 1935:17-93.

  6. Carpenter KJ. The history of scurvy and vitamin (C.Cambridge: Cambridge University Press, 1988.

  7. Roetenbeck J. Speculum Scorbuticum. Ntrnberg: Erven SimonHalbmayer, 1633:102.

  8. Forestus P. Observationum & Curationum Medicinalium.Libri I-XXVIII. Lugduni Batavorum: Fr. Raphelengium, 1593-1599. Cat. nr 44h:Liber XX De Lienibus morbis: ubi & de Scurbutto... In: Opuscula SelectaNeerlandicorum de arte medica. Deel 13. Amsterdam: Nederlandsch Tijdschriftvoor Geneeskunde, 1935:27,35,39,93.

  9. Roetenbeck J. Speculum Scorbuticum. Nürnberg: ErvenSimon Halbmayer, 1633:104.

  10. Veer G de. Overwintering op Nova Zembla. Utrecht: HetSpectrum, 1978:131.

  11. Hennebo R. Lof der Jenever. Eerste deel. In: Verzameldedicht-werken van Robert Hennebo. Den Haag: P. van Os, zonder jaartal:35.

  12. Hattum M van. Catalogus van de bibliotheek van hetNederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Deel 1, 1485-1800 Cat. nr.462, 483,502. Amsterdam: Vereniging Nederlands Tijdschrift voorGeneeskunde, 1981.

  13. Lind J. Traité du scorbut. Deel 1. Paris: Ganeau,1711:248, 264.