Transmissie SARS-CoV-2 in de klas beperkt

Lara Harmans
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2021;165:C4831

Binnen schoolklassen kwamen uitbraken van SARS-CoV-2 nauwelijks voor, terwijl het aantal infecties onder de bevolking toenam. Dat blijkt uit een Zwitsers onderzoek naar de serumprevalentie van SARS-CoV-2 onder schoolkinderen dat onlangs verscheen in The BMJ.

De meeste onderzoeken naar de verspreiding van SARS-CoV-2 op scholen zijn retrospectief en richten zich vooral op kinderen met een aangetoonde infectie, waardoor asymptomatische kinderen of kinderen met lichte symptomen waarschijnlijk over het hoofd worden gezien. Welke rol deze kinderen spelen in de verspreiding van het virus op scholen blijft echter onderwerp van discussie. Om te weten te komen wat de effecten zijn van het open laten van scholen op de infectiecijfers, voerden Zwitserse onderzoekers een prospectieve cohortstudie uit in 275 willekeurig gekozen klassen van 55 basis- en middelbare scholen (6-16 jaar) in het district van Zurich (BMJ. 2021;372:n616).

In de periode juni-juli 2020 toetsten de onderzoekers bij 2496 kinderen of er SARS-CoV-2-antilichamen in het bloed aanwezig waren; in de periode oktober-november 2020 herhaalden ze het serologische onderzoek bij 2503 – grotendeels dezelfde – kinderen. Op basis van deze gegevens berekenden de onderzoekers of er uitbraken waren geweest op scholen of in schoolklassen tijdens de eerste golf (lente) of de tweede golf (herfst). De scholen in Zwitserland waren weer open vanaf het begin van het schooljaar in augustus. Wel moesten de kinderen in ieder geval thuisblijven wanneer ze ziek waren en kinderen ≥ 12 jaar moesten vanaf november een mondkapje dragen. Ook moesten hele klassen in quarantaine wanneer ≥ 2 kinderen gelijktijdig met SARS-CoV-2 geïnfecteerd waren.

Tijdens de eerste ronde hadden 74 kinderen een positieve testuitslag; tijdens de tweede ronde waren dat er 173. De onderzoekers schatten de SARS-CoV-2-serumprevalentie in de regio tijdens de eerste en de tweede golf op respectievelijk 2,4% en 4,5% (95%-BI: resp. 1,4-3,6 en 3,2-6,0); de serumprevalentie over de gehele studieperiode was daarmee 7,8% (95%-BI: 6,2-9,5). 28 van de 70 kinderen (40%) die beide rondes waren getest, hadden de tweede keer een negatieve testuitslag. Dit kan verklaard worden doordat de antilichaamtiter bij asymptomatische besmettingen na verloop van tijd onder een detecteerbaar niveau daalt, maar kan ook liggen aan het relatief hoge aantal fout-positieven door de lage serumprevalentie bij de eerste meting.

De onderzoekers zagen ten minste 1 kind dat bij de tweede ronde voor het eerst een positieve testuitslag kreeg op 47 van de 55 scholen; in 90 van de 275 klassen. Van de 130 schoolklassen met een groot aantal deelnemende kinderen, waren er 73 klassen (56%) waarin geen enkel kind een positieve testuitslag had, 50 klassen (38%) met 1-2 kinderen met een positieve testuitslag en 7 klassen (5%) met ≥ 3 positief geteste kinderen. De onderzoekers achtten het niet waarschijnlijk dat de kinderen onderdeel waren van dezelfde transmissieketen bij ten minste 2 van de 7 ‘clusters’ (klassen met ≥ 3 kinderen met een positieve testuitslag). Er was geen verschil in de serumprevalentie tussen kinderen van verschillende leeftijdsgroepen; de school zorgde voor circa 8% van de variantie en de klas voor circa 24%.

Desgevraagd vindt Aura Timen, hoofd van het Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding bij het RIVM, het opvallend dat de serumprevalentie niet verschilt per leeftijdsgroep: iets wat te verwachten is op basis van de verschillen in de ‘attack rates’ (het aantal patiënten per leeftijdscategorie) in Nederland en elders. Ze wijst op een paar aandachtspunten bij het onderzoek: ‘Een negatieve serologie sluit een eerdere infectie niet uit, en er zijn steeds meer aanwijzingen dat asymptomatische en licht symptomatische infecties niet altijd leiden tot aantoonbare seroconversie, terwijl juist bij kinderen het percentage van deze infecties relatief hoog is. Deze studie onderschat mogelijk het werkelijke aantal clusters. Verder kan met serologie de clustering van gevallen in tijd, plaats en persoon niet met zekerheid vastgesteld worden.’ Daarnaast benadrukt ze dat het onderzoek uitgevoerd in de periode waarin de klassieke variant van SARS-CoV-2 circuleerde. ‘De B.1.1.7-variant, die inmiddels ook in Nederland de meeste infecties veroorzaakt, is geassocieerd met een grotere besmettelijkheid en dus transmissiekans in alle leeftijdsgroepen, inclusief kinderen.’

Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Covid-19

Gerelateerde artikelen

Reacties