Promoties in de geneeskunde
Open

Verspilde onderzoeksinspanning of noodzakelijk?
Commentaar
07-10-2020
Joeri K. Tijdink

Elders in dit tijdschrift schrijft Frank Wolters over de toename van het aantal promoties in de geneeskunde in Nederland (zie ook de infographic). Daarmee legt hij een belangrijk pijnpunt in de medische wereld bloot. Veel dokters gaan promoveren omdat dat hun carrièrekansen vergroot. Hebben we al die promoties wel nodig?

Reacties (2)

Inloggen om een reactie te plaatsen
Leonie strobbe
25-10-2020 15:44

Eerste stap: titels weglaten in medische tijdschriften?

Ik ben het helemaal eens met Joeri Tijdink en Frank Wolters, maar hoe gaan we er nu voor zorgen dat het tij keert?

ik heb zelf als jonge klare ervaren hoe elke keer bij sollicitaties de voorkeur uitging naar een gepromoveerde collega, maar nu ik zelf geregeld in sollicitatiecommissies zit, merk ik helaas dat er bij mij toch ook een stemmetje is die voorkeur geeft aan dr. voor de naam (bij gelijke geschiktheid). Dit blijkt dan achteraf nogal eens een verkeerde keuze te zijn. Ik zou ook niet goed weten hoe we dit moeten veranderen. Een eerste stap is misschien het weglaten van titels in medische tijdschriften. Het maakt niet uit of de persoon die het artikel schrijft gepromoveerd is, dus hoeft het er ook niet bij te staan. Wat ik verder mis in bovenstaande artikelen is dat er ook veel specialisten zijn die niet gepromoveerd zijn, maar tijdens hun werkzame leven wel onderzoek doen en meedoen aan studies omdat ze dat leuk vinden. Daarnaast zijn er gepromoveerde collega's die nooit meer onderzoek doen. Dit zegt dus, zeker in een perifeer ziekenhuis, lang niet alles. 

Leonie Strobbe, internist-hematoloog/oncoloog, Gelre Ziekenhuizen

louwrens boomsma
26-10-2020 11:36

 De waarde van promotie

Het aantal promoties blijkt sinds 1992 verdrievoudigd, met een vrouwelijk overwicht, van wie 10 jaar later ruim 40% een aanstelling had bij een UMC.

De kwaliteit van promoties wordt niet benoemd. Veel promotieonderzoek vormt een toegang tot een specialisatie, maar de meeste doctores ambiëren geen academische carrière. Voor wetenschappelijk denken zijn eenvoudiger cursussen dan een promotie.

Jonge promovendi hebben nog weinig (klinische) ervaring. Hun diepgaande onderzoek mist een brede basis, die in het specialisatietraject wordt gevormd. Dat kost genoeg energie. Waarom moeten jonge, merendeels vrouwelijke artsen die periode waarin ook het gezin wordt gesticht verzwaren met promotieonderzoek? Hun zwangerschapsverlof is nodig om de klus af te maken. Dan kan een artsenstudie, specialisatie, stichten van een gezin en promotie bijna 20 jaar vergen. Dat vraagt niet zozeer wetenschappelijke ambitie als wel hard werken en toekunnen met weinig slaap. Soms wordt promotieonderzoek gestart bij de ene specialisatie maar volgt een andere, bijv. huisartsgeneeskunde. Het promotieonderwerp staat dan geïsoleerd ver van de dagelijkse praktijk.

Alternatief is dat specialisten, toenemend vrouwen, eerst hun vak beheersen en ruimte hebben voor het stichten van een gezin. Gaandeweg zal een aantal blijk geven van wetenschappelijke belangstelling door bijvoorbeeld klinische lessen. Als het gezin minder aandacht vraagt, kan zich een onderzoeksvraag aandienen en verdere wetenschappelijke vorming. Dat leidt tot minder, maar mogelijk betere promoties bij wetenschappelijk gemotiveerde artsen die voldoende begeleiding kunnen krijgen. Daarna is nog ruimte voor een wetenschappelijke carrière.

Soms komen artsen pas na hun werkzame leven toe aan promotieonderzoek. Zij hebben alle tijd, hoeven geen salaris en zijn goed gemotiveerd. Nadeel is hun (gebrek aan) kneedbaarheid.

Mogelijkheden genoeg om verspilde onderzoeksinspanning om te zetten in zinvolle wetenschappelijke output.

Louwrens Boomsma, huisarts np