Overstappen van acenocoumarol naar fenprocoumon

Stap richting gepersonaliseerde antistolling?
Dilemma
14-09-2021
Jasper H.A. van Miert, Margriet Piersma-Wichers en Karina Meijer

Beschouwing

Tromboseprofylaxe

Atriumfibrilleren is een veelvoorkomende hartritmestoornis waarbij het risico op trombo-embolieën, zoals een herseninfarct, verhoogd is. Antistollingsmiddelen verlagen het tromboserisico, maar verhogen het bloedingsrisico. Bij een hoger tromboserisico kan antistolling een nettovoordeel opleveren. Daarom adviseert het Nederlands Huisartsen Genootschap om patiënten met een CHA2DS2-VASc-score ≥ 2 te behandelen met antistolling.1 De European Society for Cardiology (ESC) adviseert om mannen met CHA2DS2-VASc ≥ 2 en vrouwen met CHA2DS2-VASc ≥ 3 te behandelen; bij 1 punt minder kan antistolling worden overwogen.2

Vitamine-K-antagonisten

In Nederland gebruiken circa 300.000 mensen een vitamine-K-antagonist.3 Vitamine-K-antagonisten zijn antistollingsmiddelen die de aanmaak van vitamine-K-afhankelijke stollingsfactoren remmen (zie uitleg). De benodigde dosis verschilt per persoon en in de tijd, afhankelijk van onder andere comorbiditeit en comedicatie. Het antistollingseffect uitgedrukt in de INR, de ‘international normalised ratio’, moet regelmatig worden gemonitord (zie uitleg). De dosis wordt getitreerd zodat de INR-waarde binnen het streefgebied blijft. Voor bijvoorbeeld een patiënt met atriumfibrilleren is dat een INR-waarde tussen de 2,0 en ...